Category Archives: Belastingplan

Reparatie Wet aanpassing box 3

De Wet aanpassing box 3 is per 1 januari 2021 in werking getreden. Reparatiewetgeving blijkt noodzakelijk. Met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021 wordt het partnerbegrip voor het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting en een beschikking bedrag groen beleggen gelijk aan  het partnerbegrip zoals dat geldt voor het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting en daaraan gekoppeld een beschikking bedrag rendementsgrondslag.

Als gevolg van de Wet aanpassing box 3 is het heffingvrije vermogen voor box 3 verhoogd van € 31.340 naar € 50.000 per belastingplichtige. Voor de vaststelling van het recht op huurtoeslag geldt als vermogensgrens een rendementsgrondslag in box 3 die hoger is dan € 31.340. Voor andere inkomensafhankelijke regelingen gelden geen of hogere vermogensgrenzen. Als het box 3-vermogen vanwege het alsnog beschikbaar komen of wijzigen van fiscale gegevens wordt bijgesteld naar een bedrag onder of boven deze grens kan dat gevolgen hebben voor het recht op huurtoeslag. Om de huurtoeslag in een dergelijk geval te kunnen herzien, wordt de Awir aangepast. Daarmee wordt de situatie wat betreft herziening van tegemoetkomingen in lijn gebracht met de situatie zoals die vóór de Wet aanpassing box 3 bestond.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 20-09-2021

Bijtelling emissievrije auto

De verlaagde bijtelling voor emissievrije personenauto’s blijft bestaan. De verlaagde bijtelling bedraagt in 2021 12%. In 2022 bedraagt de verlaagde bijtelling 16%. Het deel van de catalogusprijs waarover de verlaging wordt toegepast voor nieuwe auto’s wordt verlaagd van € 40.000 in 2021 naar € 35.000 in 2022. Vanaf 2023 geldt de verlaagde bijtelling voor de eerste € 30.000 van de catalogusprijs. Dit moet de zakelijke markt stimuleren om goedkopere emissievrije auto’s aan te schaffen of te leasen die kunnen doorstromen naar de particuliere tweedehands markt.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 20-09-2021

Verlengen gebruikelijkloonregeling innovatieve start-ups

Het loon van de dga van een innovatieve start-up mag voor de toepassing van de gebruikelijkloonregeling worden vastgesteld op het wettelijk minimumloon. Deze versoepeling van de gebruikelijkloonregeling zou vervallen per 1 januari 2022. De vervaldatum wordt opgeschoven naar 1 januari 2023 omdat de evaluatie, die voor 2022 zou plaatsvinden, nog niet is afgerond.

Bron: Ministerie van Financiën Tue, 21 Sep 2021 00:00:00 +0100

Gerichte vrijstelling thuiswerkkosten

Er komt een gerichte vrijstelling in de werkkostenregeling voor de vergoeding van thuiswerkkosten van € 2 per thuiswerkdag. Het betreft de kosten van extra water- en elektriciteitsverbruik, verwarming, koffie, thee en toiletpapier. Voor de kosten van het inrichten van een werkplek thuis bestaan al zogenoemde gerichte vrijstellingen. Voor een werkdag kunnen niet tegelijkertijd de vrijstelling voor een thuiswerkkostenvergoeding en de vrijstelling voor een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer naar de vaste werkplek worden toegepast. Wel kan naast de thuiswerkkostenvergoeding een zakelijke reis naar een andere plek dan de vaste werkplek worden vergoed op dezelfde dag.

De regeling voor vaste reiskostenvergoedingen voor woon-werkverkeer werkt als volgt. Als een werknemer ten minste 128 dagen per kalenderjaar naar een vaste werkplek reist, mag de werkgever een vaste onbelaste reiskostenvergoeding geven alsof de werknemer 214 dagen per kalenderjaar naar die vaste werkplek reist. Voor de thuiswerkkostenvergoeding komt een vergelijkbare regeling. De 128 dagenregeling voor de vaste reiskostenvergoeding wordt wel aangepast. Nu is het mogelijk dat een werknemer, die op drie werkdagen per week naar zijn vaste werkplek reist en de andere twee werkdagen thuis werkt, voor die twee thuiswerkdagen de onbelaste reiskostenvergoeding behoudt. Met ingang van 2022 wordt de 128 dagenregeling zowel voor de vaste reiskostenvergoeding als voor de thuiswerkkostenvergoeding pro rata toegepast als structureel wordt thuisgewerkt.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 20-09-2021

Aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten

Volgens de huidige wetgeving worden aandelenoptierechten in de loonsfeer belast op het moment waarop zij worden uitgeoefend, dus op het moment waarop de optierechten worden omgezet in aandelen. Voorgesteld wordt om de belastingheffing in beginsel te verschuiven naar het moment waarop de bij uitoefening van het aandelenoptierecht verkregen aandelen verhandelbaar zijn. Op dat moment mag verwacht worden dat de liquide middelen voorhanden zijn om de verschuldigde belasting te kunnen betalen. Niet in alle gevallen zal bij uitoefening van het optierecht sprake zijn van een gebrek aan liquiditeiten. Daarom krijgt een werknemer onder voorwaarden de keuze voor belastingheffing bij de uitoefening van het aandelenoptierecht, ondanks dat de verkregen aandelen niet onmiddellijk verhandelbaar zijn.

Als de bij uitoefening verkregen aandelen direct verhandelbaar zijn, wordt de waarde in het economisch verkeer van de aandelen op het moment van verkrijging als loon belast. Als de bij uitoefening verkregen aandelen niet direct verhandelbaar zijn, wordt als loon in aanmerking genomen de waarde in het economisch verkeer van de aandelen op het moment van verhandelbaar worden.

Als een werknemer de verkregen aandelen niet mag vervreemden door een contractuele beperking, wordt het heffingsmoment tot maximaal vijf jaar na de beursgang van de vennootschap of na de uitoefening van het aandelenoptierecht uitgesteld. De verkregen aandelen worden dan geacht verhandelbaar te zijn geworden en in de heffing betrokken voor de waarde in het economisch verkeer van de aandelen op dat moment.

Eventuele voordelen uit de aandelen, die worden genoten voordat het aandelenoptierecht in de belastingheffing is betrokken, worden mede gerekend tot het loon ter zake van het aandelenoptierecht.

Er wordt een delegatiegrondslag ingevoerd om in specifieke situaties nadere regels te kunnen stellen met betrekking tot het niet, deels of geheel verhandelbaar worden van verkregen aandelen.

Per 1 januari 2018 geldt een fiscale tegemoetkoming voor optierechten van start-ups met een S&O-startersverklaring. Onder voorwaarden en tot een bepaald maximum wordt slechts 75% van het genoten loon ter zake van een aandelenoptierecht in aanmerking genomen. In de praktijk is gebleken dat deze regeling onvoldoende doeltreffend is. Voorgesteld wordt om deze tegemoetkoming per 1 januari 2022 te laten vervallen.

Bron: Ministerie van Financiën Tue, 21 Sep 2021 00:00:00 +0100

Belastingplan onder embargo naar Kamer

De staatssecretaris van Financiën heeft bekendgemaakt dat, naast de Miljoenennota en de begrotingswetten, ook het pakket Belastingplan enkele dagen voor Prinsjesdag onder embargo aan de Tweede Kamer zal worden verstrekt. Het standpunt van het kabinet is dat het verstrekken van wetsvoorstellen onder embargo beperkt dient te blijven tot uitzonderlijke situaties. Bij het jaarlijkse Belastingplan is daarvan sprake, omdat het Belastingplan een integraal onderdeel is van het totaal van de rijksbegroting.

De staatssecretaris merkt op dat het Belastingplan onderdelen kan bevatten met koersgevoelige informatie of onderdelen die met terugwerkende kracht in werking treden. Dat kan een reden zijn om deze onderdelen niet onder embargo te verstrekken. Deze onderdelen zullen dan enkele dagen later op Prinsjesdag met het gehele pakket aan het Parlement worden aangeboden.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2021-0000137373 | 13-07-2021

Kamerbrief Belastingplan 2022

In een eerdere Kamerbrief heeft de staatssecretaris van Financiën een aantal suggesties gedaan om fiscale wetgeving meer te spreiden. Naar aanleiding daarvan zijn vragen gesteld. In antwoord daarop deelt de staatssecretaris mee, dat hij heeft gezocht naar mogelijkheden om de Kamer al bij de behandeling van het pakket Belastingplan 2022 meer inzicht te bieden in de totstandkoming van de fiscale wetsvoorstellen. De beleidsmatige keuzes die ten grondslag liggen aan de wetsvoorstellen van het Belastingplan zullen bij het indienen van de wetsvoorstellen aan de Tweede Kamer verstrekt. Als bijlage bij zijn bief heeft de staatssecretaris een overzicht van de maatregelen, die in het Belastingplan 2022 worden opgenomen, gevoegd. Het gaat onder meer om:

  • de invoering van een vrijstelling voor de subsidie vaste lasten en de subsidie financiering vaste lasten startende mkb-ondernemingen;
  • de verhoging van de vrije ruimte werkkostenregeling i.v.m. de steunpakketten COVID-19;
  • de introductie van een gerichte vrijstelling in de loonbelasting voor de vergoeding voor thuiswerkkosten;
  • het fiscaal aantrekkelijker maken om aandelenoptierechten als loon te verstrekken t.b.v. het stimuleren van innovatie;
  • wijziging van de eigenwoningregeling op het terrein van gezamenlijke aankoop en financiering door fiscale partners en op het terrein van overlijden van een van de partners;
  • het verduidelijken van de berekenwijze van de achterliggende parameters voor box 3; en
  • het herstel van enkele technische omissies van de Wet aanpassing box 3.

Het pakket Belastingplan zal naar verwachting bestaan uit zes wetsvoorstellen:

  1. Wetsvoorstel Belastingplan 2022;
  2. Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2022;
  3. Wetsvoorstel Belastingplichtmaatregel omgekeerde hybride lichamen;
  4. Wetsvoorstel Verlaging verhuurderheffing;
  5. Wetsvoorstel Verzamelwet Hersteloperatie Toeslagen;
  6. Wetsvoorstel Wet versterken grondslag cameratoezicht en gegevensverwerking Douane.

De staatssecretaris lijkt bereid te zijn om tegemoet te komen aan de wens van de Tweede Kamer om het pakket Belastingplan onder embargo enkele dagen voor Prinsjesdag te verstrekken. Daarmee krijgt het parlement meer tijd om de wetgeving te bestuderen. Dit kan de parlementaire behandeling van de fiscale wetgeving ten goede komen.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2021-0000123770 | 24-06-2021

Verbetering werkwijze Belastingplan

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer suggesties gedaan voor een evenwichtiger verdeling van nieuwe wetgeving over het jaar. Nu ligt de nadruk op het najaar door de omvangrijke jaarlijkse pakketten Belastingplan.

Een van de suggesties is om in het voorjaar op hoofdlijnen over de lasten te besluiten. Bij een vroegere politieke besluitvorming wordt het mogelijk om meer structurele fiscale maatregelen op een eerder moment in het jaar bij het parlement in te dienen via een zelfstandig wetgevingstraject. Het uitbreiden van de jaarlijkse fiscale beleidsagenda naar een meerjarige fiscale kalender, waarin staat in welk jaar van een kabinetsperiode een maatregel van kracht moet worden, zou de planning inzichtelijker kunnen maken.

In moties heeft de Tweede Kamer de regering opgeroepen om afzonderlijke maatregelen zo veel mogelijk in afzonderlijke wetsvoorstellen op te nemen en fiscale wetgeving zo veel mogelijk gedurende het jaar te spreiden. Daar waar budgettaire samenhang is heeft het kabinet ervoor gekozen om separate wetsvoorstellen op hetzelfde moment in te dienen. Wetsvoorstellen met minder budgettaire gevolgen, zoals de Fiscale verzamelwetten, zijn op andere momenten ingediend. De staatssecretaris erkent dat de spreiding beter kan.

Bij de behandeling van het Belastingplan 2021 is opgemerkt dat het verstandig is om fiscale maatregelen al bij de formatie te voorzien van een toetsing op uitvoerbaarheid. Dat komt de kwaliteit van de besluitvorming ten goede. Meer inzicht in de uitvoeringsmogelijkheden maakt duidelijk tot welk moment aanpassingen in de voorgestelde wetgeving kunnen worden doorgevoerd om een goede uitvoering te borgen. Voor ingewikkelde maatregelen zal een eerste beoordeling van de uitvoerbaarheid op hoofdlijnen plaatsvinden. Een definitief oordeel is pas mogelijk als het wetsvoorstel vaststaat.

De staatssecretaris merkt op dat strenger beoordeeld moet worden of maatschappelijke problematiek wel binnen de fiscaliteit opgelost moet worden. Voor regelgeving met een niet-fiscaal of duaal doel kan wellicht beter een andere uitvoeringsorganisatie dan de Belastingdienst worden aangewezen.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2021-0000031975 | 15-04-2021

Nota n.a.v. het verslag novelle Belastingplan 2021

De staatssecretaris van Financiën heeft de nota naar aanleiding van het verslag betreffende het voorstel van wet tot wijziging (novelle) van het Belastingplan 2021 naar de Tweede Kamer gestuurd. Het voorstel tot wijziging van het Belastingplan betreft een onderdeel van de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK). De bepalingen die betrekking hebben op aansluiting van de BIK bij de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting treden alleen in werking als de Europese Commissie dat heeft goedgekeurd. De bepalingen die betrekking hebben op de fiscale eenheid zijn hiertoe tijdelijk uit het Belastingplan 2021 gehaald, met de mogelijkheid deze weer terug te zetten in de wet op een bij Koninklijk Besluit te bepalen datum, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021.

Uit de nota wordt duidelijk dat het kabinet niet van plan is om via een nota van wijziging een desinvesteringsregeling voor te stellen.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2020-0000242370 | 07-12-2020

Nota n.a.v. verslag Belastingplan 2021

De staatssecretaris van Financiën heeft de nota naar aanleiding van het verslag betreffende het wetsvoorstel Belastingplan 2021 naar de Eerste Kamer gestuurd.

In antwoord op vragen naar de samenloop van de kwijtscheldingswinstvrijstelling met de nieuwe verliesverrekeningssystematiek in de vennootschapsbelasting deelt de staatssecretaris mee dat de regeling moet voorkomen dat bedrijven met winstgevende activiteiten jaren achtereen geen belasting betalen. Het is mogelijk dat een bedrijf in een jaar over een deel van de niet-vrijgestelde kwijtscheldingswinst vennootschapsbelasting verschuldigd zal zijn. Een beperking van de voorgestelde maatregel, afhankelijk van de aard van de winst waarmee de verliezen worden verrekend, is niet in lijn met de doelstelling van de voorgestelde maatregel.

Het opnemen van een desinvesteringsbijtelling in de BIK is ingewikkeld en leidt tot extra administratieve lasten. Door de voorwaarde dat alleen van de BIK kan worden geprofiteerd als het gaat om een nieuw bedrijfsmiddel dat binnen zes maanden in gebruik wordt genomen en door de uitsluiting van bedrijfsmiddelen, die ter beschikking worden gesteld aan anderen, komt de BIK volledig bij de BIK-inhoudingsplichtige terecht, ongeacht de gebruiksduur van het bedrijfsmiddel in de onderneming. Als een bedrijfsmiddel niet in gebruik is genomen kan RVO.nl de toegekende BIK terugdraaien.

De verschillen tussen de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting zijn aanleiding voor het niet opnemen van de mogelijkheid om een fiscale coronareserve te vormen voor een IB-ondernemer. Zo zijn de mogelijkheden om verliezen te verrekenen met winsten van eerdere jaren in de inkomstenbelasting ruimer dan in de vennootschapsbelasting. Daarnaast zou de vorming van een fiscale coronareserve voor IB-ondernemers gevolgen kunnen hebben voor andere inkomensbestanddelen dan de winst uit onderneming in box 1 en voor de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen zoals toeslagen.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 35 572 | 02-12-2020