All posts by jansen_kleton_claudia

Vooruitzicht contract onbepaalde tijd

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege. Op de werkgever rust in beginsel niet de verplichting om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die van rechtswege is geëindigd, te verlengen. Dit kan echter anders zijn als een werknemer bij gebleken geschiktheid een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in het vooruitzicht is gesteld. Het is aan de werkgever om te beoordelen of hij de werknemer geschikt vindt voor de functie. De werkgever heeft daarbij een ruime beoordelingsvrijheid. Komt het tot een procedure over het niet aanbieden van contractverlenging, dan kan de kantonrechter het oordeel van de werkgever over de geschiktheid van de werknemer en zijn beslissing de werknemer wegens onvoldoende geschiktheid geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden slechts marginaal toetsen. Het toetsingskader is in dit opzicht minder streng dan bij een opzegging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wegens disfunctioneren.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE2020995, 8257592 UV EXPL 20-5 | 09-04-2020

Motiveringsvereiste concurrentie- en relatiebeding

Een concurrentie- en een relatiebeding in een arbeidsovereenkomst moeten schriftelijk zijn vastgelegd om geldig te zijn. Sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid per 1 januari 2015 geldt naast het schriftelijkheidsvereiste ook een motiveringsvereiste voor deze bedingen in arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. De werkgever moet schriftelijk motiveren dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Dit vereiste geldt niet voor arbeidsovereenkomsten die voor 1 januari 2015 zijn overeengekomen. Volgens vaste jurisprudentie is een eenmaal in een contract voor bepaalde tijd overeengekomen concurrentie- en/of relatiebeding ook geldig voor opeenvolgende verlengingen die onder gelijkblijvende voorwaarden zijn gesloten. 

De vraag in een procedure bij de kantonrechter was of de werkgever bij de verlenging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na 1 januari 2015 aan het motiveringsvereiste had moeten voldoen. 

De kantonrechter merkte de verlengde arbeidsovereenkomst aan als een nieuwe overeenkomst. De eerdere overeenkomsten voor bepaalde tijd waren van rechtswege geëindigd. Dit zou betekenen dat vanaf de verlenging in 2015 niet langer een concurrentie- en relatiebeding tussen partijen bestond. 

De van toepassing zijnde cao bepaalde echter dat zodra een keten van maximaal drie opeenvolgende arbeidsovereenkomsten langer heeft geduurd dan 24 maanden er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat. In dit geval betrof het derde arbeidsovereenkomst op rij, na twee eerdere arbeidsovereenkomsten voor de duur van een jaar. Tussen partijen bestond dus een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt het motiveringsvereiste niet. Dat betekent dat de werknemer na zijn opzegging was gebonden aan het schriftelijk overeengekomen concurrentiebeding en relatiebeding.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE20201199, 7302109 / LC EXPL 18-3304 | 09-04-2020

Recht op aanpassing arbeidsduur

De Wet flexibel werken (Wfw) bepaalt dat een werknemer een verzoek kan doen om de arbeidsduur aan te passen. De werkgever willigt het verzoek van de werknemer om aanpassing van de arbeidsduur of de werktijd in, tenzij zwaarwegende bedrijfsbelangen zich daartegen verzetten. Volgens Hof Den Bosch rusten op de werkgever de stelplicht en de bewijslast dat sprake is van zwaarwegende bedrijfsbelangen die zich tegen toewijzing van een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur verzetten.

Een werkneemster met een arbeidscontract voor 33,75 uur nam na haar zwangerschaps- en bevallingsverlof per week 9,75 uur ouderschapsverlof op. De werkneemster diende een verzoek in bij de werkgever om ook na het einde van het ouderschapsverlof 24 uur per week te werken. De werkgever wees dat verzoek af, omdat de functie van de werkneemster volgens de personeelsgids een minimale inzet van 30 uur per week vereiste. 

Het hof vond de vermelding in de personeelsgids van de minimale omvang van een functie onvoldoende reden om een verzoek om vermindering van de arbeidsduur te weigeren. De werkgever voerde aan dat de functie praktisch gezien niet was uit te voeren in 24 uur per week en dat indirecte werkzaamheden te zwaar drukten bij die omvang van de werkweek. Op de vraag van het hof om voorbeelden te noemen van een praktische moeilijkheid om de functie in 24 uur per week uit te voeren had de werkgever geen antwoord. Het hof was met de werkgever van oordeel dat indirecte en niet declarabele werkzaamheden relatief zwaarder drukken bij een deeltijd dienstverband. Aangezien het de werkneemster gedurende anderhalf jaar was gelukt om haar werkzaamheden uit te voeren in 24 uur per week en zich in die periode geen problemen hebben voorgedaan, oordeelde het hof dat het niet onmogelijk was om de functie uit te voeren in 24 uur. Evenmin is gebleken dat de werkneemster de functie niet aankon in 24 uur per week.

De werkgever had volgens het hof onvoldoende reden om de door de werkneemster gewenste aanpassing van de arbeidsduur te weigeren. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter vernietigd en bepaald dat de werkgever het verzoek tot vermindering van de arbeidsduur ten onrechte heeft afgewezen. Het hof kon echter het verzoek om vermindering van de arbeidstijd niet toewijzen omdat de werkneemster de arbeidsovereenkomst inmiddels had opgezegd. Het belang van de procedure betrof enerzijds de vergoeding van kosten in eerste aanleg en anderzijds de parallelle procedure bij de kantonrechter waarin de werkneemster vergoedingen vordert in verband met haar ontslag.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20201145, 200.275.903/01 | 09-04-2020

Aanpassingen Tijdelijke noodmaatregel overbrugging behoud van werkgelegenheid

Nog voordat het UWV het aanvraagloket voor de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW) heeft geopend zijn de eerste aanpassingen in de regeling bekend gemaakt. De gewijzigde regeling is daarom van toepassing op alle aanvragen.

Gevolgen ontslagaanvraag

Verzoeken voor ontslag om bedrijfseconomische redenen leiden tot een verlaging van het definitieve subsidiebedrag. De uitwerking van de gevolgen van deze verzoeken op het subsidiebedrag was technisch niet juist geregeld, waardoor ontslagverzoeken minder gevolgen zouden hebben dan loonsomverlagingen. Dat was niet de bedoeling. Een verzoek om ontslag om bedrijfseconomische redenen heeft tot gevolg dat de subsidieverlaging 50% hoger is dan in het geval van het niet doorbetalen van het loon van dezelfde werknemer.

Aanpassing vaststellingstermijn

De termijn waarbinnen het UWV beslist op de definitieve subsidieaanvraag bedroeg aanvankelijk 22 weken. Deze termijn is verlengd tot 52 weken. Deze termijnverlenging moet voldoende tijd geven om aanvragen en de daarbij aangeleverde gegevens te controleren. Wel zal de definitieve vaststelling zoveel mogelijk in de eerste 22 weken plaatsvinden.

Buitenlands bankrekeningnummer

Het loonheffingennummer van een werkgever kan gekoppeld zijn aan een buitenlands rekeningnummer. Het UWV kan subsidieaanvragen met een buitenlands rekeningnummer niet behandelen. Werkgevers met een buitenlands rekeningnummer kunnen binnen vier weken een Nederlands rekeningnummer doorgeven waarop de subsidie zal worden uitbetaald.

NOW en ontslagaanvragen

In de toelichting op de regeling is verduidelijkt dat het UWV bij de behandeling van ontslagaanvragen de NOW meeweegt. De werkgever zal bij een ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen gemotiveerd aannemelijk moeten maken dat ontslag niet kan worden voorkomen door een beroep op de NOW.

Daarnaast is de regeling op enkele punten van technische aard gewijzigd.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 2020-0000049112 | 08-04-2020

Aanvulling en uitbreiding coronamaatregelen

Het kabinet heeft het pakket maatregelen ter bestrijding van de coronacrisis uitgebreid en aangevuld met enkele nieuwe maatregelen.

TOGS

De Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren (TOGS) is uitgebreid met een aantal sectoren. De TOGS is een belastingvrije gift van € 4.000 netto voor ondernemers. In eerste instantie bestond de doelgroep uit bedrijven die gedwongen waren tot sluiting en bedrijven die werden getroffen door het verbod op het organiseren van bijeenkomsten en evenementen of door het negatieve reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De regeling is uitgebreid met winkels die openbleven maar hun omzet zagen teruglopen door het wegblijven van klanten. Daar komen nu bij exploitanten van kampeerterreinen, uitbaters van monumentale panden, taxivervoerders, dierentuinen en fysiotherapeuten. Ook zorgaanbieders komen in aanmerking voor de regeling. Omdat voor deze sector andere regelingen in werking zijn gesteld, moeten zorgaanbieders een verklaring verstrekken waaruit blijkt in hoeverre de omzetuitval en personeelskosten op andere wijze vergoed zijn. De volledige lijst met SBI-codes wordt gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Aanvragen van aanvullende sectoren kunnen vanaf woensdag 15 april 2020 ingediend worden.

Toelichting vestigingsvereiste
De regeling is bedoeld als tegemoetkoming in andere vaste lasten dan personeelslasten. Daarom is deze gericht op ondernemers die elders zijn gevestigd dan op het eigen woonadres. In sommige sectoren is sprake van significante bedrijvigheid vanuit de eigen woning. Om ook deze ondernemers met omvangrijke periodieke vaste lasten in aanmerking te laten komen voor de TOGS wordt van hen een aanvullende verklaring gevraagd, waaruit de omvang van de bedrijfsactiviteiten blijkt. Dat geldt niet voor sectoren waarvan kenmerkend is dat ondernemers een fysieke inrichting of fysieke productiemiddelen hebben buiten de woning, ondanks dat de onderneming is ingeschreven op het huisadres van de ondernemer. Voorbeelden zijn auto- en motorrijschoolhouders. Voor deze groep is een aanvullende verklaring niet vereist.

Ondernemers die op basis van hun hoofdactiviteit in aanmerking menen te komen voor de TOGS, maar geregistreerd staan onder een verkeerde SBI-code kunnen dit melden bij RVO.nl.

Aanvullende maatregelen voor financiering bedrijven

Er zijn bedrijven met liquiditeitsproblemen waarvoor de eerder getroffen maatregelen geen oplossing bieden. Dit zijn met eigen vermogen gefinancierde bedrijven die niet bij een bank terecht kunnen, waaronder innovatieve bedrijven en startups en scale-ups. Het kabinet heeft aanvullende economische maatregelen voor deze doelgroep getroffen.

Een coronamodule in de GO-regeling

Aan de Garantie Ondernemersfinanciering (GO-regeling) wordt een tijdelijke corona-module voor garantie op bankleningen toegevoegd. Het garantiepercentage van deze GO-C bedraagt  80% voor bedrijven met een omzet vanaf € 50 miljoen en 90% voor bedrijven met een omzet tot € 50 miljoen. Het totale garantieplafond voor de GO-regeling wordt verhoogd naar € 10 miljard. GO-C leningen hebben een maximale looptijd van drie jaar. Het kabinet overlegt met de banken over hoe de GO-C module zo snel mogelijk na goedkeuring van de Europese Commissie in werking kan worden gesteld.

Fonds voor overbruggingskredieten voor non-bancair gefinancierde bedrijven

Het kabinet zal overbruggingskredieten toegankelijk maken voor door de coronacrisis getroffen niet bancair gefinancierde bedrijven. De Regionale ontwikkelingsmaatschappijen zullen deze kredieten verstrekken. Hiervoor is als eerste tranche € 100 miljoen beschikbaar. Deze maatregel wordt aan de Europese Commissie voorgelegd en zal naar verwachting in de vierde week van april toegankelijk zijn.

Kleinere non-bancair gefinancierde bedrijven

Om het mogelijk te maken dat Qredits aan haar doelgroep overbruggingskrediet tegen een lagere rente ter beschikking kan stellen, heeft Qredits een aanvullende bijdrage van € 25 miljoen nodig.

Verlaging premie BMKB coronamodule en ophogen garantiebudget

De provisie voor de BMKB bedraagt 3,9% van het borgstellingsbedrag. Voor de coronamodulen van de BMKB wordt de provisie verlaagd tot 2%. Het kabinet benadrukt dat banken in dit verband terughoudend moeten zijn met de kosten die zij in rekening brengen aan hun klanten. Het garantiebudget van de BMKB wordt verhoogd van € 765 miljoen naar € 1,5 miljard. De coronamodule BMKB is toegankelijke voor niet-bancaire financiers na het doorlopen van een verkort schriftelijk accreditatieproces.

Herverzekering van kortlopende kredietverzekeringen

Veel bedrijven in het mkb worden bevoorraad op basis van leverancierskrediet. Dit wordt mogelijk gemaakt doordat de kortlopende betalingstermijnen worden verzekerd door kredietverzekeraars. Door de coronacrisis nemen de betalingsrisico’s toe en verlagen verzekeraars de toegekende verzekeringslimieten. Het ministerie van Financiën werkt aan een herverzekering voor het jaar 2020 om te voorkomen dat kredietverzekeraars genoodzaakt zijn om hun limieten terug te brengen. De details voor de herverzekeringsovereenkomst moeten nog worden uitgewerkt. Voor deze maatregel is goedkeuring vereist van de Europese Commissie. 

GLB

De Europese Commissie heeft voorgesteld om de voorschotten op subsidies in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) te verhogen. De standaard voorschotbetalingen van de directe inkomenssteun van het GLB gaan van 50 naar 70%. De standaard voorschotten voor het Agrarisch Natuurbeheer (ANLb) gaan van 75 naar 85%. Daarnaast mogen voorschotbetalingen gedaan worden zonder dat alle fysieke controles hebben plaatsgevonden. De datum van uitbetaling van voorschotten is niet vervroegd.

Het kabinet wil vanaf 1 juli in plaats van vanaf 16 oktober voorschotten kunnen uitbetalen en zou graag zien dat de voorschotbetalingen van de directe inkomenssteun worden verhoogd naar 80%. Het kabinet werkt een nationale maatregel uit om boeren in juli te laten beschikken over de GLB-inkomenssteun.

Bron: Ministerie van Economische Zaken | publicatie | 08-04-2020

Exportkredietverzekering verruimd per 26 maart

Ondernemers, die exporteren, kunnen het risico dat hun buitenlandse afnemer niet betaalt afdekken door een kredietverzekering. Dergelijke verzekeringen worden aangeboden door particuliere verzekeraars. De Nederlandse overheid biedt een exportkredietverzekering aan voor risico’s die particuliere verzekeraars niet willen of kunnen verzekeren. Het gaat dan om grote bedragen, lange doorlooptijden of een minder stabiele situatie in het bestemmingsland van de goederen. Atradius Dutch State Business voert de exportkredietverzekering van de Nederlandse overheid uit.

Voorwaarden

Voor de exportkredietverzekering geldt een aantal eisen. De belangrijkste zijn:

  • De onderneming, die de verzekering aanvraagt, is gevestigd in Nederland.
  • De onderneming exporteert kapitaalgoederen of gerelateerde diensten vanuit Nederland, of neemt bouwprojecten aan in het buitenland.
  • De verzekering wordt afgesloten vóórdat de betaling is gedaan.
  • Het risico is niet te verzekeren bij een particuliere verzekeraar. 

Coronacrisis: steunpakket voor export

In verband met de coronacrisis zijn de mogelijkheden voor exportkredieten met ingang van 26 maart 2020 verruimd. Bedrijven kunnen daardoor meer risico’s afdekken met staatsgarantie. Ook kortlopende exportkredietverzekeringen krijgen dekking, er zijn meer mogelijkheden voor binnenlandse dekking en het landenbeleid is flexibeler.

Steunpakket

Het steunpakket is tijdelijk en wordt aangeboden tot het einde van dit jaar. Het pakket omvat de volgende maatregelen:

  • Ook kortlopende exportkredieten kunnen worden verzekerd.
  • Indirecte exporttransacties kunnen worden verzekerd.
  • Het landenbeleid en de landenplafonds zijn verruimd om exporteurs meer mogelijkheden te geven om transacties aan te brengen.
  • Exportkredietgaranties op bestaande leningen zijn mogelijk.
  • Het gedekte percentage op contragaranties en werkkapitaaldekkingen is verhoogd.
  • Het aanbetalingsvereiste van 5% bij het aangaan van een contract is vervallen.
  • Invoering van een versneld goedkeuringsproces voor spoedeisende zaken.
  • De mogelijkheid om werkkapitaal te verstrekken onder het Dutch Trade & Investment Fund als de bank geen of onvoldoende krediet kan verstrekken tijdens de uitvoering van een exporttransactie.
Bron: Ministerie van Financiƫn | publicatie | 02-04-2020

Bijzonder uitstel belastingbetaling

Ondernemers die door de coronacrisis in liquiditeitsproblemen zijn gekomen of dreigen te komen, kunnen de Belastingdienst vragen om bijzonder uitstel van betaling. Bijzonder uitstel is mogelijk voor aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonheffingen.

Omzetbelasting en loonheffingen worden gewoonlijk betaald bij het doen van aangifte. Worden de verschuldigde omzetbelasting en/of loonheffingen niet of niet op tijd betaald, dan wordt een naheffingsaanslag opgelegd met een verzuimboete wegens te late betaling.

Aanvraag

De aanvraag voor bijzonder uitstel dient schriftelijk te gebeuren in een brief aan de Belastingdienst, postbus 100 te 6400 AC Heerlen. In de brief vraagt de ondernemer om uitstel van betaling met als reden dat hij door de uitbraak van het coronavirus in betalingsproblemen is gekomen. De Belastingdienst heeft inmiddels op de website een formulier ‘Verzoek bijzonder uitstel van betaling voor 3 maanden’ geplaatst. Met dat formulier kan een ondernemer in een keer uitstel aanvragen voor alle aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonheffingen. 

De Belastingdienst verleent automatisch drie maanden uitstel van betaling. Opgelegde boetes voor het niet op tijd betalen van omzetbelasting of loonheffingen hoeven niet te worden betaald. Na de ontvangst van het verzoek om bijzonder uitstel stopt de Belastingdienst eventuele reeds getroffen invorderingsmaatregelen. 

Let op! Ongeacht de rechtsvorm van de onderneming moet bij het gebruik van het onlineformulier worden ingelogd met DigiD. Wanneer het gaat om een rechtspersoon moet een werknemer of de adviseur inloggen met zijn eigen DigiD. De DigiD is alleen nodig om in te loggen en wordt niet opgeslagen.

Verklaring derde-deskundige

Normaliter moet bij een verzoek om bijzonder uitstel van betaling een verklaring van een derde-deskundige, bijvoorbeeld een accountant, worden gevoegd. Dat is nu niet nodig, tenzij het verzoek een langere periode betreft dan drie maanden. In dat geval zal de Belastingdienst om aanvullende informatie vragen, waaronder mogelijk een verklaring van een derde-deskundige.

Aangifte

De Belastingdienst vraagt ondernemers om op tijd aangifte te doen en te wachten tot er een aanslag is opgelegd voordat zij bijzonder uitstel van betaling aanvragen. Zonder aanslag is bijzonder uitstel niet mogelijk. 

Bron: Belastingdienst | publicatie | 02-04-2020

Vakantiedagen en coronacrisis

Door de coronacrisis leven er veel vragen over vakantiedagen. Kan de werkgever een werknemer verplichten om vakantie op te nemen of mag de werkgever een werknemer vragen vakantie op te nemen?

Recht op verlof

In het Burgerlijk Wetboek is geregeld dat een werknemer recht heeft op vier keer het aantal uren dat hij per week werkt aan verlof. Gaan we uit van voltijds werken gedurende vijf dagen per week dan heeft de werknemer na een jaar werk dus recht op vijf maal vier is twintig dagen verlof. Dat zijn de wettelijke verlofdagen. Veel werkgevers bieden hun werknemers meer vakantiedagen dan het wettelijke minimumaantal. Deze extra dagen zijn de bovenwettelijke verlofdagen. Afspraken over bovenwettelijke verlofdagen staan in de arbeidsovereenkomst of zijn geregeld in de voor het bedrijf van de werkgever geldende cao.

Vakantiedagen tijdens coronacrisis

De werkgever kan een werknemer niet verplichten om vakantiedagen op te nemen, tenzij in de arbeidsovereenkomst of in de cao is opgenomen dat de werkgever daartoe bevoegd is. Controleer dus eerst de arbeidsovereenkomst of de cao voordat u een werknemer met verlof stuurt. 

Wel kan de werkgever de werknemer vragen om verlof op te nemen. De werknemer zal daar uitdrukkelijk mee moeten instemmen.

Wat te doen met aangevraagd verlof?

Een andere vraag is wat de werkgever moet doen met aangevraagd en verleend verlof van een werknemer. Door de coronacrisis is reizen naar een aantal bestemmingen niet mogelijk. Het kan zijn dat een geboekte reis van een werknemer niet doorgaat. De werknemer heeft in die situatie wellicht geen belang bij het opnemen van verlofdagen en vraagt de werkgever of hij kan komen werken. Voor deze situatie is in de wet niets geregeld. Het is aan de werkgever om te bepalen hoe hij met een dergelijk verzoek omgaat.

Bron: Overig | publicatie | 02-04-2020

Overgangsregeling eigenrisicodragerschap

Per 1 januari 2017 is de mogelijkheid om eigenrisicodrager te zijn voor de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) niet meer beperkt tot werknemers in vaste dienst, maar uitgebreid tot flexibele werknemers. Voor bestaande eigenrisicodragers was er een overgangsregeling. Zij konden voor de voortzetting en uitbreiding van hun eigenrisicodragerschap volstaan met het aanleveren van een nieuwe garantieverklaring bij de Belastingdienst. Dat moest voor 1 januari 2017 gebeuren.

De verzekeraar van een groep van bedrijven stuurde de Belastingdienst voor 1 januari 2017 elf nieuwe garantieverklaringen op een usb-stick. Door een vergissing van de verzekeraar stond op de USB-stick geen nieuwe garantieverklaring voor een van de bedrijven uit de groep, hoewel dit bedrijf wel was verzekerd voor het WGA-risico. De Belastingdienst beëindigde het eigenrisicodragerschap van deze werkgever wegens het ontbreken van de vereiste garantieverklaring. De werkgever stuurde na ontvangst van de beëindigingsbeschikking alsnog een garantieverklaring naar de Belastingdienst. Dat had niet tot gevolg dat de werkgever als eigenrisicodrager werd geaccepteerd. 

Hof Arnhem-Leewarden was van oordeel dat niet de werkgever maar diens verzekeraar de vergissing heeft begaan. Het hof rekende de werkgever die vergissing niet aan omdat het de voortzetting van een bestaand eigenrisicodragerschap betrof. Daarom oordeelde het hof dat het eigenrisicodragerschap voor de WGA niet per 31 december 2016 is geëindigd. Het hof heeft de beschikkingen van de Belastingdienst zo gewijzigd dat de werkgever per 1 januari 2017 eigenrisicodrager is voor WGA-vast en WGA-flex .

De Hoge Raad deelt de opvatting van het hof en heeft het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën afgewezen. De Hoge Raad wijst erop dat overgangsregeling tot doel had om de overgang naar het gecombineerde risico van WGA-vast en WGA-flex voor alle betrokken partijen eenvoudig en met weinig kosten te laten verlopen. De verwachting was dat bestaande situaties van eigenrisicodragerschap voor WGA zouden worden voortgezet. Volgens de Hoge Raad past het binnen ons rechtssysteem om een verzuim te kunnen herstellen, mits dat zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is gebeurt.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2020520, 18/04202 | 02-04-2020

NOW-regeling op 6 april van start

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW) bekendgemaakt. De NOW is bedoeld voor werkgevers die geconfronteerd worden met een omzetdaling van ten minste 20% over de maanden maart tot en met mei. Uitgangspunt is dat omzetdalingen van die omvang het gevolg zijn van buitengewone omstandigheden die buiten het normale ondernemersrisico vallen. De werkgever hoeft niet aan te tonen in welke mate de buitengewone omstandigheden bijdragen aan de omzetdaling.

Inhoud NOW-regeling

De NOW is een loonkostensubsidie voor werknemers, die verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. De regeling geldt dus niet voor de dga. Wel geldt de regeling voor werknemers met een flexibel contract als zij in dienst blijven en loon ontvangen van de werkgever. De NOW is ook van toepassing op de loonkosten van werknemers waarvoor de werkgever geen loondoorbetalingsplicht heeft, zoals werknemers met een nulurencontract.

Hoogte subsidie gerelateerd aan omzetdaling

De subsidie bedraagt maximaal 90% van de loonsom over de maanden maart tot en met mei 2020. Voor de loonsom is het socialeverzekeringsloon uit tegenwoordige dienstbetrekkingen uitgangspunt. Werkgeverspremies, werknemersbijdragen aan pensioen en de opbouw van vakantiebijslag worden ook gecompenseerd. Er geldt een standaard opslag voor werkgeverslasten van 30%. Het loon per werknemer is maximaal twee keer het maximumdagloon per maand. Dat betekent dat loon boven € 9.538 per maand niet voor subsidie in aanmerking komt. De maximale subsidie wordt uitbetaald bij een omzetdaling van 100%. Is de omzetdaling lager, dan wordt de subsidie evenredig lager vastgesteld. De omzetdaling wordt bepaald aan de hand van de jaaromzet 2019 gedeeld door vier. Voor een werkgever, die op 1 januari 2019 nog niet bestond, geldt een afwijkende omzetbepaling.

Als de werkgever verwacht dat de daling van de omzet door de coronacrisis pas later zichtbaar wordt, kan hij de meetperiode voor de omzetvergelijking één of twee maanden later laten aanvangen.

Formule hoogte subsidie

De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: A*B*3*1,3*0,9. In deze formule staat A voor het percentage omzetdaling en B voor de loonsom over het tijdvak januari. De vermenigvuldigingsfactor 3 hangt samen met het aantal maanden waarvoor subsidie wordt verleend. De factor 1,3 betreft de opslag voor werkgeverspremies en de factor 0,9 de maximale bijdrage van 90%. 

Aanvraag

Bij de aanvraag geeft de werkgever de verwachte omzet voor de gekozen meetperiode op en vergelijkt deze met een kwart van de omzet van 2019. De werkgever berekent het omzetverlies in procenten en vult dat percentage op het aanvraagformulier in.

Werkgevers met meerdere loonheffingennummers moeten per loonheffingennummer een aanvraag indienen om voor de gehele loonsom in aanmerking te komen voor subsidie. De werkgever dient wel de omzetdaling op te geven die hij voor de gehele onderneming verwacht. 

Voorschot

Het UWV betaalt een voorschot uit van 80% van de berekende subsidie, nadat positief op de aanvraag is beslist. Gegevens over de loonsom baseert het UWV op de polisadministratie over de maand januari 2020. Het UWV heeft 13 weken de tijd om te beslissen op een aanvraag. De betaling van het voorschot vindt plaats in drie termijnen. Het streven is om de  eerste termijn binnen twee tot vier weken te betalen.

Definitieve vaststelling achteraf

Binnen 24 weken na afloop van de periode waarover de NOW is toegekend dient de werkgever vaststelling van de subsidie aan te vragen. Daarbij is een accountantsverklaring nodig. Binnen 22 weken na ontvangst van deze aanvraag stelt het UWV de definitieve subsidie vast. Bij de definitieve vaststelling van de subsidie wordt rekening gehouden met een eventueel opgetreden daling van de loonsom over de maanden maart tot en met mei ten opzichte van de loonsom over de maand januari.

Voorwaarden

De werkgever neemt een inspanningsverplichting op zich om de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden. Een daling van de loonsom heeft gevolgen voor de hoogte van de uiteindelijke subsidie. Daarnaast zal de werkgever gedurende de periode waarvoor subsidie ontvangen is geen ontslagaanvragen doen wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Deze voorwaarde geldt niet voor ontslagaanvragen die bij het UWV zijn ingediend in de periode van 1 maart tot en met 17 maart 2020. 

Start aanvraagperiode

Op vrijdag 3 april 2020 zal het UWV vaststellen of de regeling vanaf 6 april 2020 kan worden uitgevoerd. In de tekst van de regeling is opgenomen dat de aanvraagperiode loopt van 14 april tot en met 31 mei 2020 of zoveel eerder als mogelijk is.

Verlenging

De mogelijkheid bestaat dat de regeling met drie maanden verlengd wordt. Daarover zal voor 1 juni 2020 besloten worden.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 2020-0000046793 | 01-04-2020