All posts by jansen_kleton_claudia

Verlenging herverzekering kortlopend leverancierskrediet

In het kader van de bestrijding van de coronacrisis heeft de Staat de herverzekering van kortlopende leverancierskredieten op zich genomen. Deze regeling zou op 31 december 2020 aflopen, maar wordt met drie maanden verlengd tot en met 31 maart. Verlenging biedt de ruimte om te bezien of formele verlenging na 1 april 2021 noodzakelijk is en om hiervoor goedkeuring te krijgen van de Europese Commissie. De staatssecretaris van Financiën informeert de Europese Commissie over het voornemen om gebruik te maken van de mogelijkheid om de maatregel te verlengen met drie maanden.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2020-0000177496 | 22-09-2020

Verhoging kindgebonden budget 2021

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke regeling. De hoogte van het bedrag aan kindgebonden budget dat een huishouden ontvangt, hangt af van het aantal en de leeftijd van de kinderen, de hoogte van het inkomen en het vermogen en het type huishouding. De bedragen per kind zijn vanaf het derde kind lager dan de bedragen voor de eerste twee kinderen. Het maximumbedrag vanaf het derde kind wordt met ingang van 1 januari 2021 verhoogd van € 297 naar € 919 per jaar.

De verhoging van het maximumbedrag van het kindgebonden budget vanaf het derde kind vindt plaats nadat de bedragen van het kindgebonden budget uit 2020 geïndexeerd zijn met de tabelcorrectiefactor. Voor 2021 bedraagt deze 1,6%.

Maximumbedragen voor kinderen jonger dan 12 jaar

 Aantal kinderen <12 jaar

 bedrag per jaar in 2020

 bedrag per jaar in 2021

 1

 € 1.185

 € 1.204

 2

 € 2.190

 € 2.226

 3

 € 2.487

 € 3.145

 4 en meer

 € 2.487 + € 297 per kind vanaf het vierde kind

 € 3.145 + € 919 per kind vanaf het vierde kind

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 21-09-2020

Baangerelateerde Investeringskorting (BIK)

Via de tweede nota van wijziging wordt de eerder aangekondigde Baangerelateerde Investeringskorting (BIK) opgenomen in het Belastingplan 2021. De contouren van deze regeling heeft de staatssecretaris eerder in een brief aan de Tweede Kamer geschetst. De verwachting is dat de BIK na 31 december 2022 niet meer nodig is omdat de economische crisis dan voorbij is. Vanaf 1 januari 2023 zal de budgettaire ruimte worden gebruikt voor een andere maatregel om de werkgeverskosten te verlagen.

De BIK is een afdrachtvermindering in de loonheffing en komt qua systematiek overeen met de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO). Deze vormgeving heeft als voordeel dat de tegemoetkoming ook ten gunste komt van werkgevers die geen winst maken. Omdat de BIK gericht is op het mkb, krijgen kleinere investeringen tot en met € 5 miljoen per kalenderjaar een afdrachtvermindering van 3% van het investeringsbedrag. Voor het investeringsbedrag boven € 5 miljoen bedraagt de afdrachtvermindering 2,44% van het investeringsbedrag. Hierdoor komt circa 60% van de BIK-afdrachtvermindering terecht bij het mkb.

De BIK is alleen van toepassing op nieuwe bedrijfsmiddelen. De minimale investering per bedrijfsmiddel bedraagt € 1.500. Per aanvraag geldt een minimumbedrag van € 20.000. Een aanvraag voor de BIK wordt gedaan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Een bedrijf kan maximaal één keer per kwartaal een aanvraag doen. De BIK is van toepassing op investeringen waartoe de beslissing is genomen op of na 1 oktober 2020, die in 2021 of 2022 worden betaald en binnen zes maanden na die betaling in gebruik zijn genomen.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2020-0000186032 | 04-10-2020

Aanpassing verliesverrekening vennootschapsbelasting

De staatssecretaris van Financiën heeft de eerste nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2021 ingediend. De nota bevat een beperking van de verliesverrekening in de Wet op de vennootschapsbelasting. Deze wijziging vloeit voort uit aanbevelingen van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals.

Met ingang van 1 januari 2022 kunnen verliezen onbeperkt in de tijd worden verrekend met latere winsten. Tot die datum is de voorwaartse verliesverrekening beperkt tot een periode van zes jaar na het jaar waarin het verlies is geleden. Tegenover de verruiming van de periode van verliesverrekening staat een beperking van de omvang van de in een jaar te verrekenen verliezen. Voor zover de te verrekenen verliezen uit voorgaande jaren gezamenlijk meer bedragen dan € 1 miljoen, is de verrekening in een bepaald jaar beperkt tot een bedrag van € 1 miljoen, vermeerderd met 50% van de resterende belastbare winst na aftrek van een bedrag van € 1 miljoen. Het komt erop neer dat verliezen tot een bedrag van € 1 miljoen altijd verrekenbaar zijn, mits er voldoende winst gemaakt is in het jaar om dit verlies te kunnen verrekenen. Een verlies dat door de voorgestelde beperking in een jaar niet volledig verrekenbaar is, kan in een volgend jaar met inachtneming van deze beperking worden verrekend.

De termijn voor achterwaartse verliesverrekening in de vennootschapsbelasting verandert niet. Achterwaartse verliesverrekening houdt in dat een verlies wordt verrekend met de winst van het voorgaande jaar.

Omdat de groep ondernemers (box 1) en aanmerkelijkbelanghouders (box 2) in de inkomstenbelasting met verliezen van meer dan € 1 miljoen beperkt is, komt er geen vergelijkbare aanpassing van de verliesverrekening in de inkomstenbelasting.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2020-0000183365 | 04-10-2020

Uitwerking NOW-3

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer een nadere uitwerking gegeven van de derde fase van de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid, kortweg de NOW-3. De NOW-3 geldt voor de periode van 1 oktober 2020 tot 1 juli 2021. De NOW-3 lijkt sterk op zijn voorgangers NOW-1 en 2.

In de NOW-3 krijgen werkgevers de ruimte om de loonsom enigszins te laten dalen zonder gevolgen voor de hoogte van het subsidiebedrag. De totale duur van de NOW-3 wordt in drie tijdvakken verdeeld. Het eerste tijdvak loopt van 1 oktober tot en met 31 december 2020. In dit tijdvak bedraagt de maximale subsidie 80% van de loonsom en kan de loonsom met 10% dalen. Het tweede tijdvak loopt van 1 januari tot en met 31 maart 2021. De maximale vergoeding bedraagt in dit tijdvak 70%, terwijl de loonsom met 15% mag dalen. In het derde tijdvak van 1 april tot en met 30 juni 2021 bedraagt de subsidie maximaal 60% van de loonsom en mag de loonsom met 20% dalen. Voor alle tijdvakken geldt dat de forfaitaire opslag op de subsidie, evenals onder de NOW-2, 40% bedraagt. Als voorwaarde voor subsidie geldt een omzetverlies van 20% of meer in het eerste tijdvak van de NOW-3. In het tweede en derde tijdvak geldt een minimaal omzetverlies van 30% als voorwaarde voor subsidie. In het derde tijdvak geldt bovendien dat de subsidie wordt beperkt door bij het in aanmerking te nemen loon uit te gaan van eenmaal het maximum dagloon (€ 4.845 per maand) in plaats van tweemaal het maximum dagloon (€ 9.691 per maand).

De onder de NOW-2 geldende korting van 5% op het subsidiebedrag bij bedrijfseconomisch ontslag is vervallen onder de NOW-3. Nieuw is een inspanningsverplichting voor de werkgever om werknemers die afvloeien naar nieuw werk te begeleiden.

Anders dan onder de NOW-2 geldt onder de NOW-3 niet meer dat 100% van het loon van een werknemer, die wordt ontslagen om bedrijfseconomische redenen, voor de gehele subsidieperiode in mindering wordt gebracht op de subsidie. De werkgever ontvangt onder de NOW-3 subsidie over de loonkosten die hij tijdens de subsidieperiode heeft zolang een werknemer in die periode in dienst is. Aan werkgevers die aantoonbaar niet aan de verplichting tot begeleiding van werk naar werk hebben voldaan kan een sanctie worden opgelegd. Deze bestaat uit een korting van 5% op het subsidiebedrag, die wordt toegepast als de werkgever geen contact heeft gezocht met UWV in het kader van begeleiding van werk naar werk.

Ook onder de NOW-3 geldt een verbod op het uitkeren van dividend of bonussen en op de inkoop van eigen aandelen. In het eerste tijdvak van de NOW-3 geldt dit verbod voor 2020. In het tweede en derde tijdvak van de NOW 3 geldt dit voor 2021.

De wijze van het berekenen van omzetdaling is gelijk aan de NOW-1 en 2. De omzetdaling wordt bepaald door een kwart van de omzet van 2019 te vergelijken met de omzet in een door de werkgever te kiezen periode van drie maanden. Per tranche kan worden aangegeven over welke periode de omzetdaling moet worden berekend. De startdatum ligt altijd op de eerste van een kalendermaand binnen het betreffende tijdvak. Als er een aanvraag is ingediend voor de NOW-2 en de subsidie is verleend, moet de periode van omzetdaling voor de het eerste tijdvak van de NOW-3 aansluiten op de periode van omzetdaling waarvoor in NOW-2 subsidie is aangevraagd. Als onder de NOW-3 subsidie wordt aangevraagd voor opeenvolgende tranches, dienen de omzetperiodes op elkaar aan te sluiten.

De voorschotten van de drie tijdvakken worden gebaseerd op de loonsom van juni 2020. Als de loonsom in een van de tijdvakken meer dan het toegestane percentage is gedaald, wordt de subsidie lager vastgesteld op het te veel gedaalde deel. Als de loonsom in het tijdvak van 1 oktober tot en met 31 december 2020 met 20% is gedaald, is de loonsom met 10% ‘te veel’ gedaald. De subsidie wordt alleen over die 10% lager vastgesteld en niet over de gehele daling van 20%. Voor elke euro die de loonsom te veel is gedaald ten opzichte van de referentieperiode, ontvangt de werkgever resp. 80, 70 of 60 cent minder subsidie, afhankelijk van de tranche.

Aanvragen voor het eerste tijdvak van de NOW-3 is mogelijk van 16 november tot en met 13 december 2020. Na het toekennen van de subsidie ontvangt de werkgever in drie termijnen een voorschot van 80% van de subsidie. Aanvragen voor het tweede tijdvak is mogelijk van 15 februari tot en met 14 maart 2021. Voor het derde tijdvak kan subsidie worden aangevraagd van 17 mei tot en met 13 juni 2021. De vaststelling van de subsidie kan voor de drie tijdvakken worden aangevraagd vanaf 1 september 2021. Voor ieder tijdvak, waarvoor een werkgever subsidie heeft ontvangen, moet afzonderlijk een aanvraag om vaststelling worden gedaan.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2020-0000130011 | 29-09-2020

Verlenging Tozo en uitstel invoering vermogenstoets

Het besluit, waarin de verlenging van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) met negen maanden tot 1 juli 2021 is geregeld, is op 30 september in het Staatsblad geplaatst.

De per 1 juni 2020 ingevoerde partnerinkomenstoets blijft ook na 1 oktober van kracht. Als vervolg op de invoering van de partnerinkomenstoets bevat het nieuwe besluit de invoering van een (beperkte) vermogenstoets. Dat is een toets op beschikbare geldmiddelen. Het vermogen van de zelfstandige en zijn gezin wordt daardoor voor de toepassing van de Tozo niet langer volledig buiten beschouwing gelaten. Aanvankelijk zou deze vermogenstoets met ingang van 1 oktober 2020 gelden. Dat is, in verband met de strengere maatregelen ter bestrijding van het coronavirus, uitgesteld tot 1 april 2021. De vermogenstoets is beperkt tot financiële vermogensbestanddelen waarvan de waarde eenvoudig in geld kan worden vastgesteld. Het betreft contant geld, banktegoeden, cryptovaluta en beleggingen bestaande uit aandelen, obligaties en opties. Schulden blijven bij de bepaling van de beschikbare geldmiddelen buiten beschouwing. De vermogensgrens is bepaald op een bedrag van € 46.520.

De verlenging van de regeling geldt voor zowel algemene bijstand voor levensonderhoud als bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. De zelfstandige ondernemer die in aanmerking wil komen voor de Tozo in de periode vanaf 1 oktober zal een nieuwe aanvraag moeten doen bij de gemeente. De mogelijkheid om met terugwerkende kracht bijstand aan te vragen wordt ten opzichte van Tozo 1 en 2 beperkt. Het is tot 1 december mogelijk om bijstand met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2020 aan te vragen. Daarna is het slechts mogelijk om bijstand met terugwerkende kracht tot de eerste van de kalendermaand waarin de aanvraag wordt ingediend aan te vragen.

De zelfstandige kan eenmalig een lening verkrijgen van maximaal € 10.157 tegen een rente van 2%. Is eerder een lening verkregen voor een lager bedrag, dan kan deze lening tot het maximum worden aangevuld. Een onder de Tozo verstrekte lening moet met ingang van 1 januari 2021 afgelost worden. Voor leningen die na 1 januari 2021 worden verstrekt, geldt dat de terugbetalingsplicht direct na verstrekking aanvangt.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 2020-126964, Staatsblad 2020 362 | 24-09-2020

Wijziging Besluit belasting- en invorderingsrente

De staatssecretaris van Financiën heeft het Besluit belasting- en invorderingsrente gewijzigd. Ten tijde van de totstandkoming van dit besluit was het uitgangspunt dat de belastingrente voor alle middelen per 1 oktober 2020 zou terugkeren naar de percentages zoals deze luidden voor de verlaging naar 0,01%. Voor de vennootschapsbelasting bedroeg dat percentage 8% en voor de overige belastingmiddelen 4%. De wijziging houdt in dat het percentage van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting kan worden vastgesteld op 4%. Met ingang van 1 oktober 2020 geldt dit percentage tot en met 31 december 2021.

Voor de invorderingsrente geldt op grond van de Verzamelspoedwet COVID-19 een verlaagd percentage van 0,01. Dit verlaagde percentage zou gelden tot 1 oktober 2020. De periode waarin dit percentage geldt is verlengd tot en met 31 december 2021.

Zowel voor de belasting- als de invorderingsrente is het uitgangspunt dat per 1 januari 2022 de oorspronkelijke percentages weer gaan gelden. Dat kan worden gerealiseerd bij Koninklijk Besluit.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | nr. 2020-161445;Staatsblad 2020, nr. 355 | 29-09-2020

Besluit noodmaatregelen coronacrisis herzien

De staatssecretaris van Financiën heeft het Besluit noodmaatregelen coronacrisis gewijzigd. In het gewijzigde besluit zijn de termijnen van verschillende goedkeuringen verlengd en zijn enkele nieuwe onderwerpen opgenomen. Nieuw is een onderdeel over de reisaftrek in de inkomstenbelasting. Deze aftrek heeft betrekking op woon-werkverkeer dat met het openbaar vervoer wordt afgelegd. Onder voorwaarden kan een vast, van de reisafstand en het aantal reisdagen per week afhankelijk bedrag in mindering worden gebracht op het loon uit dienstbetrekking in de aangifte inkomstenbelasting. Goedgekeurd voor het belastingjaar 2020 is dat een wijziging in het reispatroon van een werknemer als gevolg van de coronacrisis niet leidt tot een wijziging in de hoogte van de reisaftrek. De goedkeuring geldt uitsluitend voor de periode waarin de reiskosten zijn doorgelopen ondanks het gewijzigde reispatroon.

Ook nieuw is een goedkeuring die het doen van dubbele meldingen van grensoverschrijdende constructies moet voorkomen. Dat zou het gevolg kunnen zijn van het feit dat niet alle lidstaten van de EU gebruikmaken van de mogelijkheid om de termijnen voor het melden van constructies te verschuiven. De goedkeuring houdt in dat een Nederlandse intermediair na het ingaan van de meldplicht in Nederland geen constructies hoeft te melden die al in een andere lidstaat zijn gemeld.

Voor verschillende in het besluit geregelde onderdelen is een vervaldatum opgenomen. Het betreft het niet opleggen van betalingsverzuimboetes, bepaalde wettelijke administratieve verplichtingen rondom de loonheffingen, vaste reiskostenvergoedingen en andere vaste vergoedingen in de loonheffingen.

Betalingsverzuimboeten

De goedkeuring betreffende het niet opleggen van betalingsverzuimboeten geldt voor verzuimen die zijn begaan in de periode van 12 maart 2020 tot aan de datum waarop het bijzonder uitstel van betaling eindigt. Als toch een verzuimboete is of wordt opgelegd, zorgt de ontvanger ervoor dat deze ambtshalve wordt vernietigd.

Administratieve verplichtingen

Op grond van een goedkeuring neemt de Belastingdienst een soepel standpunt in wanneer een werkgever of werknemer in 2020 vanwege de coronamaatregelen een wettelijke administratieve verplichting niet, niet tijdig of onvolledig nakomt, mits dit verzuim wordt hersteld zodra dat kan. Het betreft onder meer de identificatieplicht van werknemers.

Vaste reiskostenvergoedingen en andere vaste vergoedingen

De goedkeuring voor het zonder fiscale gevolgen laten doorlopen van vaste vergoedingen geldt voor het jaar 2020.Het tijdelijke uitstelbeleid voor de betaling van belastingschulden is aangevuld met de afbouw van deze regeling.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | Staatscourant 2020 nr. 50987 nr. 2020-19833 | 29-09-2020

Verlenging termijn betalingsregeling belastingschulden

Tot 1 oktober 2020 konden ondernemers voor betalingsproblemen door de coronacrisis drie maanden bijzonder uitstel van betaling aanvragen voor belastingschulden. Tot en met 31 december 2020 kan verlenging van een eerder verleend bijzonder uitstel worden aangevraagd. De regeling voor bijzonder uitstel van betaling eindigt uiterlijk 31 december 2020. Na afloop kunnen ondernemers een terugbetalingsregeling treffen met de Belastingdienst. Aanvankelijk gold een terugbetaaltermijn van 24 maanden, ingaande op 1 januari 2021. De staatssecretaris van Financiën heeft besloten om de duur van de betalingsregeling voor de opgebouwde schuld te verruimen naar 36 maanden. De startdatum van de regeling wordt verschoven van 1 januari 2021 naar 1 juli 2021.

Tot en met 31 december 2021 bedraagt het tarief van de invorderingsrente 0,01%.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2020-0000181386 | 29-09-2020

Wetsvoorstel plan van aanpak witwassen aangekondigd

Op korte termijn is een wetsvoorstel van de ministers van Financiën en van Justitie en Veiligheid te verwachten dat de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering moet verbeteren. Het voorstel verbiedt contante betalingen van bedragen hoger dan € 3.000 door beroeps- of bedrijfsmatige handelaren. Gegevensdeling door banken, financiële instellingen en notarissen wordt makkelijker. Verder komt er een wettelijke mogelijkheid voor gezamenlijke transactiemonitoring door banken.

Het wetsvoorstel omvat maatregelen om de integriteit van de trustsector te verbeteren. De bestaande wetgeving wordt in deze sector niet volledig nageleefd, waardoor integriteitsrisico’s blijven bestaan. Er komt een verbod op dienstverlening waarbij hoogrisicolanden of op belastinggebied non-coöperatieve landen betrokken zijn en op het aanbieden van zogenaamde doorstroomvennootschappen. De tekst van het wetsvoorstel wordt gepubliceerd bij de indiening daarvan bij de Tweede Kamer.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 24-09-2020