All posts by jansen_kleton_claudia

Verzoek om ontbinding arbeidsovereenkomst op meerdere gronden

Een werkgever verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer op meerdere gronden. De eerste grond was zodanig verwijtbaar handelen van de werknemer dat van de werkgever in redelijkheid niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De tweede grond betrof een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. De derde aangevoerde ontslaggrond was de combinatie van beide gronden.

De kantonrechter heeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen en de werkgever veroordeeld om de werknemer op de werkvloer toe te laten voor re-integratie. De werkgever heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de kantonrechter.

Hof Arnhem-Leeuwarden is het eens met de kantonrechter.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat de werknemer de veroorzaker is van de conflicten en de slechte sfeer op de werkvloer. Het had op de weg van de werkgever gelegen om te onderzoeken wat er precies is gebeurd en wat ieders rol daarin was. De werkgever voerde aan dit te hebben gedaan. Volgens het hof heeft de werkgever niet genoeg gedaan. Omdat de spanningen al langer bestonden had de werkgever niet mogen veronderstellen dat de werknemers hun conflicten zelf zouden oplossen. De werkgever had daarvoor hulp moeten inschakelen.

De werkgever heeft niets gedaan met een brief van de werknemer, waarin hij voorbeelden geeft van pesterijen door een collega en waarin hij de werkgever uitdrukkelijk verzoekt de brief serieus te nemen.

Van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding is pas sprake als na het ontstaan van de verslechterde verhoudingen serieuze pogingen zijn ondernomen om de verhoudingen tussen partijen te verbeteren. De pogingen die de werkgever heeft ondernomen zijn volgens het hof onvoldoende. De werkgever volstond met enkele groepsgesprekken, waar conflictbegeleiding door een mediator of groepscoaching op zijn plaats was geweest. Niet is komen vast te staan dat de arbeidsverhouding duurzaam is verstoord.

Het hof is van oordeel dat ook het beroep op de combinatiegrond niet slaagt, omdat de onderbouwing van de andere aangevoerde ontbindingsgronden onvoldoende is. De werkgever heeft niet voldoende gemotiveerd waarom de arbeidsovereenkomst toch zou moeten worden ontbonden op de combinatiegrond.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL20226114, 200.309.408 | 17-07-2022

Verjaring loonvordering

Omdat een werknemer gedwongen werd opgenomen in een kliniek voor verslavingszorg, staakte de werkgever de loonbetaling. De werkgever was van mening dat de arbeidsovereenkomst tot een einde was gekomen. De werknemer heeft bij het UWV een aanvraag voor een ziektewetuitkering ingediend, die werd afgewezen. Tegen de afwijzing heeft de werknemer bezwaar gemaakt, dat door het UWV ongegrond is verklaard.

Meer dan een jaar na de door de werkgever aangehouden datum van beëindiging van het dienstverband maakte een advocaat namens de werknemer aanspraak op loondoorbetaling bij ziekte en uitbetaling van achterstallig loon. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is blijven bestaan. De loonvorderingen heeft de kantonrechter afgewezen omdat het beroep van de werkgever op rechtsverwerking slaagde. De werknemer heeft te lang gewacht met het instellen van zijn loonvordering.

In hoger beroep voerde de werknemer aan dat de kantonrechter het beroep op rechtsverwerking ten onrechte heeft gehonoreerd. Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking is meer nodig dan het enkele tijdsverloop of het stilzitten van een partij. Er dient een bijzondere omstandigheid te zijn waardoor bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken of waardoor de wederpartij onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.

Volgens het Hof Den Haag heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat het beroep op rechtsverwerking van de werkgever slaagt. De werknemer heeft geen bezwaar gemaakt tegen de stopzetting van de loonbetaling of tegen het standpunt van de werkgever dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd. Namens de werknemer is in de bezwaarprocedure bij het UWV het standpunt ingenomen dat de arbeidsovereenkomst geëindigd was. De werkgever was bij deze procedure betrokken. Na de afwijzing van het bezwaar door het UWV heeft de werknemer nog ruim vier maanden gewacht voordat hij aanspraak maakte op loon bij de werkgever, ondanks dat hij door een advocaat werd bijgestaan.

Naar het oordeel van het hof is sprake van bijzondere omstandigheden en van een handelwijze, die meer omvat dan het enkel stilzitten of laten verstrijken van de tijd door de werknemer. Onder deze omstandigheden mocht de werkgever er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de werknemer zijn aanspraak op loon niet meer geldend zou maken.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA20221309, 200.280.802/01 | 18-07-2022

AOW-gat zelf compenseren

De Centrale Raad van Beroep heeft de Sociale Verzekeringsbank in een uitspraak uit 2021 opgedragen te onderzoeken of de verhoging van de AOW-leeftijd met negen maanden voor de betrokkene een onevenredig zware last vormde. De Sociale Verzekeringsbank heeft de betrokkene vervolgens om informatie gevraagd over zijn financiële en persoonlijke situatie met betrekking tot de periode van zijn zogenoemde AOW-gat. De betrokkene beschikte over vermogen en verkreeg inkomen uit dividend op buitenlandse aandelen. Zijn echtgenote ontving een AOW-pensioen. De schade door het AOW-gat bedroeg het misgelopen AOW-pensioen van € 8.280 en de betaalde maximale AOW-premie van € 4.914.

De Centrale Raad van Beroep leidt uit de betaling van de maximale AOW-premie af dat het inkomen van de betrokkene in de periode van zijn AOW-gat in ieder geval ruim boven het sociaal minimum heeft gelegen. Dat de betrokkene door de verhoging van zijn AOW-leeftijd financieel nadeel heeft ondervonden was niet in geschil. Volgens de Centrale Raad van Beroep is het AOW-pensioen van de betrokkene in de kern niet aangetast. De verhoging van de AOW-leeftijd kon hem al vanaf 2012 of 2013 bekend zijn. Vanaf dat moment heeft hij zich op de financiële consequenties van deze verhoging kunnen voorbereiden. Mede gezien het inkomen destijds, had de betrokkene een buffer voor het AOW-gat kunnen opbouwen. Dat hij ook over een buffer beschikte blijkt uit de omvang van zijn vermogen in de periode van het AOW-gat. De betrokkene heeft op geen enkele manier onderbouwd dat in zijn geval de verhoging van de AOW-leeftijd een onevenredig zware last heeft veroorzaakt.

Bron: Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLINLCRVB20221701, 21/4135 AOW | 03-08-2022

Vordering betaling vakantietoeslag over periode van vijf jaar

Na de beëindiging van zijn dienstverband vorderde de ontslagen werknemer in een procedure betaling van vakantietoeslag over de afgelopen vijf jaar. Volgens de werknemer had de werkgever expliciet in de tweede arbeidsovereenkomst tussen partijen moeten opnemen dat niet langer vakantietoeslag aan hem zou worden uitbetaald. Ook had de werkgever hem erop moeten wijzen dat hij afstand deed van vakantietoeslag.

De werkgever stelde in de procedure dat de werknemer op grond van het bepaalde in de tweede en de derde arbeidsovereenkomst en de financiële afspraken tussen partijen geen recht heeft op vakantietoeslag.

De rechtbank oordeelde als volgt. Bij de onderhandelingen over de tweede arbeidsovereenkomst heeft de werknemer diverse financiële zaken aan de orde gesteld, zoals de hoogte van het salaris, de onkostenvergoeding en de bonus. Vervolgens heeft hij zich uitdrukkelijk akkoord verklaard met alle financiële afspraken, zoals die in het concept van de tweede arbeidsovereenkomst zijn vastgelegd. De werknemer heeft ruim de tijd gehad om de tweede arbeidsovereenkomst te bestuderen. Hij heeft daarop commentaar gegeven voordat hij de overeenkomst heeft ondertekend. Volgens de rechtbank ligt het voor de hand dat de werknemer de vakantietoeslag ter sprake zou hebben gebracht als het zijn bedoeling was geweest dat betaling daarvan na afloop van de eerste arbeidsovereenkomst zou worden gecontinueerd. De rechtbank kon niet verklaren waarom de werknemer anders tot het einde van zijn dienstverband nooit aanspraak heeft gemaakt op betaling van vakantietoeslag.

De rechtbank wijst erop dat in de Wet op het minimumloon is bepaald, dat partijen schriftelijk kunnen overeenkomen dat geen recht bestaat op vakantietoeslag. Voorwaarde daarvoor is dat het overeengekomen loon meer bedraagt dan drie keer het wettelijke minimumloon. In de wet staat niet dat dit uitdrukkelijk moet zijn overeengekomen. De rechtbank heeft de vorderingen van de werknemer afgewezen.

Bron: Rechtbank Amsterdam | jurisprudentie | ECLINLRBAMS20224214, 9599573 CV EXPL 21-18076 | 25-07-2022

Compensatie transitievergoeding ontslag bij langdurige arbeidsongeschiktheid

Tijdens ziekte van de werknemer geldt voor de werkgever een verbod om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Het opzegverbod eindigt na 104 weken van arbeidsongeschiktheid. Op dat moment eindigt ook de loondoorbetalingsverplichting en komt de werknemer in aanmerking voor een WIA-uitkering.

Bij beëindiging van het dienstverband na 104 weken arbeidsongeschiktheid moet de werkgever de werknemer een transitievergoeding betalen. De werkgever kan het UWV om compensatie vragen. De compensatie is echter niet per definitie gelijk aan de betaalde transitievergoeding. De transitievergoeding wordt berekend over de periode vanaf de datum van indiensttreding tot de datum van het einde van het dienstverband. De compensatie wordt berekend over de periode vanaf de datum van indiensttreding tot aan het einde van het opzegverbod. De diensttijd na het einde van het opzegverbod wordt niet gecompenseerd en is voor rekening van de werkgever.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLINLRBDHA20226718, SGR 21/5935 | 19-06-2022

Onderhandelingen over arbeidscontract afgebroken

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Dat geldt ook voor een arbeidsovereenkomst. Zowel het aanbod als de aanvaarding kan in iedere vorm plaatsvinden. Of een wilsverklaring of een feitelijk handelen als een aanbod of aanvaarding daarvan moet worden beschouwd, is een kwestie van uitleg. Bepalend is wat partijen hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden.

De inzet van een procedure voor de kantonrechter was of tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, en zo niet, of de beoogde werkgever de onderhandelingen over een arbeidsovereenkomst nog mocht afbreken zonder schadeplichtig te zijn jegens de werknemer.

De kantonrechter is van oordeel dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. De werknemer was aanvankelijk op uitzendbasis werkzaam voor de beoogde werkgever. Deze heeft in een gesprek met de werknemer de intentie geuit om hem in dienst te nemen. Partijen waren in onderhandeling over een arbeidsovereenkomst, maar over de essentialia daarvan was nog geen overeenstemming bereikt. Zo waren de datum van indiensttreding, de hoogte van het salaris en het rooster nog niet duidelijk. De kantonrechter heeft de loonvordering van de werknemer daarom afgewezen.

Volgens de kantonrechter mocht de werknemer er wel van uitgaan dat de arbeidsovereenkomst tot stand zou komen. De werkgever heeft de werknemer geschreven dat hem een contract zou worden aangeboden en hem daarmee gefeliciteerd. In een gesprek tussen het uitzendbureau en de werkgever heeft de laatste de indruk gewekt dat een arbeidsovereenkomst tot stand zou komen.

De werkgever veranderde van gedachten nadat hij een verzoek van de werknemer om met de feestdagen in december vrij te zijn had geweigerd en de werknemer zich daarop ziek heeft gemeld. Tijdens de ziekte heeft de werkgever de werknemer niet kunnen bereiken. De werknemer was al eerder gewezen op de controlevoorschriften bij ziekte. Het samenvallen van de ziekmelding met de aangevraagde vakantie was aanleiding om de onderhandelingen af te breken.

Naar het oordeel van de kantonrechter was dat te snel. De werkgever had het uitzendbureau kunnen vragen om een spoedcontrole en een huisbezoek door de arbodienst om vast te laten stellen of de werknemer inderdaad ziek was en zich aan de controlevoorschriften hield. De werkgever moet de schade van de werknemer vergoeden. Die schade bestaat uit het gederfde inkomen tijdens de periode van werkloosheid nadat het contract niet was doorgegaan. 

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLINLRBNHO202112829, 8681849 CV EXPL 20-6424 | 23-11-2021

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens weigering bezoek aan bedrijfsarts

De kantonrechter heeft een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst ingewilligd. Het verzoek was gebaseerd op verwijtbaar handelen of nalaten van de betreffende werkneemster. De werkneemster heeft meerdere keren geweigerd de bedrijfsarts te bezoeken tijdens ziekte. Naar het oordeel van de kantonrechter vormt dit weigeren een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Door geen gehoor te geven aan de uitnodigingen voor het spreekuur heeft de werkneemster het de bedrijfsarts onmogelijk gemaakt zich een oordeel te vormen over de vraag of de werkneemster als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is. Voor de werkgever was het daardoor sinds de ziekmelding niet mogelijk om te bepalen of de werkneemster recht had op loondoorbetaling.

Volgens de kantonrechter was het handelen van de werkneemster wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar. Dat betekent dat de werkneemster recht heeft op de transitievergoeding omdat de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever eindigt.

Bron: Rechtbank Rotterdam | jurisprudentie | ECLINLRBROT20225771, 9721631 \ VZ VERZ 22-1960 | 09-06-2022

Werknemer met alcoholprobleem ten onrechte ontslagen

Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat beide partijen bevoegd zijn de arbeidsovereenkomst per direct op te zeggen om een dringende reden. Die dringende reden dient onverwijld aan de wederpartij te worden medegedeeld. Als dringende redenen voor een ontslag op staande voet worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen die tot gevolg hebben dat van de wederpartij niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het zich ondanks waarschuwing door een werknemer overgeven aan dronkenschap wordt in de wet expliciet als een dringende reden voor ontslag genoemd.

Bij de beoordeling van de vraag of van zich een dringende reden voordoet, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Met persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals leeftijd en de gevolgen van ontslag, moet rekening worden gehouden. Andere omstandigheden zijn de aard en de ernst van de verweten gedraging, de aard en duur van de dienstbetrekking en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld.

Een gemeenteambtenaar met een alcoholverslaving heeft in dronken toestand deelgenomen aan een online vergadering, waarbij ook externe personen aanwezig waren. De werknemer was eerder in verband met drankmisbruik door de werkgever gewaarschuwd. Dat de alcoholverslaving van een werknemer als een ziekte moet worden beschouwd is niet in geschil. De werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij dit twee jaar heeft geduurd. Het opzegverbod bij ziekte geldt niet bij een ontslag op staande voet.

Wel kan de ziekte een van de persoonlijke omstandigheden zijn, die in de beoordeling of zich een dringende reden voordoet wordt betrokken. Volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2004 kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd dat de gevolgen van een alcoholprobleem bij de beoordeling van een dringende reden voor rekening van de werknemer komen.

Gezien de eerdere incidenten met alcohol van de werknemer had de gemeente moeten beseffen dat wellicht sprake was van een verslaving en daarmee van een ziekte. Het had op de weg van de gemeente als goed werkgever gelegen om met de werknemer in gesprek te gaan en om de bedrijfsarts in te schakelen.  

Hof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat de vereiste dringende reden voor een ontslag op staande voet in deze casus ontbreekt. Vanwege de ziekte van de werknemer is een ontslag op andere gronden niet mogelijk.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL20224102, 200.303.877 | 22-05-2022

Loonsanctie terecht ingetrokken

In de Wet WIA is bepaald dat het UWV het tijdvak, waarover de werkgever het loon van een arbeidsongeschikte werknemer moet doorbetalen, met 52 weken kan verlengen als de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Het UWV beoordeelt of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Is dat niet het geval dan legt het UWV de zogenaamde loonsanctie op. Bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen staat het bereikte resultaat voorop.

Een beslissing van het UWV om geen loonsanctie op te leggen is een besluit, waarbij de werknemer belanghebbende is. Dat betekent dat de werknemer tegen het besluit de rechtsmiddelen bezwaar en beroep kan instellen.

Een arbeidsongeschikte werkneemster is gedurende de wachttijd niet volledig hersteld. Zij heeft een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd. Het UWV heeft aanvankelijk een loonsanctie opgelegd, omdat werd geconcludeerd dat de werkgever niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Na bezwaar van de werkgever is de loonsanctie komen te vervallen. Bij nader inzien heeft het UWV geconcludeerd dat het feit dat de werkneemster een aantal uren per week is blijven werken niet schadelijk is geweest voor haar gezondheid en dat dit niet in de weg heeft gestaan aan de re-integratie in het tweede spoor. Zowel in spoor 1 als in spoor 2 zijn volgens het UWV geen re-integratiekansen gemist.

De rechtbank deelt de opvatting van het UWV en ziet geen reden voor de conclusie dat de werkgever niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Het UWV heeft de loonsanctie terecht niet gehandhaafd.

Bron: Rechtbank Oost-Brabant | jurisprudentie | ECLINLRBOBR20222307, 21/1604 | 02-06-2022

Besluit vrijgesteld loon, vergoedingen en verstrekkingen geactualiseerd

De staatssecretaris van Financiën heeft een besluit over vrijgesteld loon en vergoedingen en verstrekkingen geactualiseerd.

Ten opzichte van de vorige versie van het besluit is een onderdeel toegevoegd over het aanwijzen van vergoedingen en verstrekkingen als eindheffingsbestanddelen door de werkgever. De Belastingdienst gaat uit van een aanwijzing als eindheffingsbestanddeel als een vergoeding of verstrekking tot het loon behoort en de werkgever deze niet tot het individuele loon van een werknemer heeft gerekend. Dit is anders als de Belastingdienst meent dat de werkgever de vergoeding of verstrekking bij vergissing niet tot het individuele loon van een werknemer heeft gerekend of als niet wordt voldaan aan de gebruikelijkheidstoets. De Belastingdienst gaat ook uit van zo’n aanwijzing voor zover aan de voorwaarden en grensbedragen voor een gerichte vrijstelling is voldaan.

Het onderdeel betreffende kleine geschenken is verduidelijkt met twee voorbeelden.

Het onderdeel over de terugbetaling van studiekostenvergoedingen is aangepast in verband met het vervallen van de aftrek van scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting per 1 januari 2022.

Het besluit is op 29 juli 2022 in werking getreden.

Bron: Ministerie van Financiƫn | besluit | nr. 2022-159595, Staatscourant 2022, Nr. 18970 | 27-07-2022