All posts by jansen_kleton_claudia

Gebruikelijkloonregeling niet van toepassing door omvang werkzaamheden

Een werknemer met een aanmerkelijk belang in de vennootschap waarvoor hij werkt, moet voor zijn werkzaamheden ten minste een gebruikelijk loon ontvangen. Dat is het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • het hoogste loon van de andere werknemers van de vennootschap;
  • € 46.000.

De gebruikelijkloonregeling is niet van toepassing als de werkzaamheden voor de vennootschap beperkt van omvang zijn en het loon daarvoor niet hoger zou zijn dan € 5.000.

De Belastingdienst legde een aanslag inkomstenbelasting op aan de dga van een bv voor een gebruikelijk loon van € 15.000. De dga bestreed de aanslag. Omdat de dga geen aangifte had gedaan, werd de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De rechtbank merkte daarbij op dat ter zake van niet of onvoldoende gemotiveerd betwiste feiten geen bewijs geleverd hoeft te worden. Volgens de rechtbank is de dga in de verzwaarde bewijslast geslaagd. Voor zover de dga al werkzaamheden heeft verricht voor de bv waren deze zo beperkt van omvang dat het loon daarvoor niet meer dan € 5.000 zou hebben bedragen. De bv werd feitelijk bestuurd door de vader van de dga, die zelfstandig bevoegd bestuurder van de bv was. De dga was zelf student en verbleef voor de studie in het buitenland. De bv exploiteerde enkele onroerende zaken. De huurders correspondeerden rechtstreeks met werknemers van het vastgoedconcern van de vader van de dga. In het dossier ontbraken concrete aanknopingspunten dat de dga meer werkzaamheden zou hebben verricht dan enkele formele bestuurshandelingen. De rechtbank heeft de aanslag inkomstenbelasting verminderd tot nihil.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBZWB20195523, BRE 18/2848 en BRE 18/2849 | 23-01-2020

Kamervragen effectiviteit lage-inkomensvoordeel

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Kamervragen over de effectiviteit van het lage-inkomensvoordeel (LIV) beantwoord. Het LIV is een tegemoetkoming voor werkgevers die werknemers in dienst hebben met een loonniveau van 100 tot 125% van het wettelijk minimumloon. Uit onderzoek is gebleken dat het aantal werkenden op dit loonniveau na de invoering van het LIV licht is gestegen. Het gaat om tussen de 3.000 en 23.000 extra werkende personen. In de jaren 2018 en 2019 is ongeveer € 1 miljard uitbetaald aan het LIV. Hoewel de regeling van het LIV niet alleen bedoeld is om extra mensen aan het werk te krijgen, maar ook om banen te behouden, kan een berekening worden gemaakt van de gemiddelde uitgave per extra werkende. Die komt uit op € 76.000. De minister is in gesprek met werkgevers over een effectievere invulling van de instrumenten uit de Wet tegemoetkoming loondomein, waaronder het LIV. In het voorjaar van 2020 zal de minister de Kamer over de resultaten van deze gesprekken informeren.

Het jeugd-LIV is een tegemoetkoming voor de verhoging van het wettelijk minimumloon voor 18- tot en met 22-jarigen. Doel van deze regeling is het beperken van mogelijke negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid van de verhoging van het minimumjeugdloon. Het jeugd-LIV kost ongeveer € 125 miljoen per jaar. De verhoging van het minimumjeugdloon heeft volgens onderzoek nauwelijks invloed gehad op de arbeidsparticipatie van jongeren. Het jeugd-LIV is met ingang van 2020 gehalveerd en wordt in 2024 afgeschaft.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000184546 | 23-01-2020

Uniforme wachttijd in Regeling onwerkbaar weer

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in een brief aan de Tweede Kamer ingegaan op de invoering van een uniforme wachttijd in de Regeling onwerkbaar weer.

Door de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) per 1 januari 2020 is de hoogte van de WW-premie die werkgevers afdragen niet langer afhankelijk van de sector waarin de werkgever actief is. De WW-sectorfondsen, waaruit de eerste zes maanden van de WW werden gefinancierd, zijn vervallen. Dat heeft gevolgen voor WW-uitkeringen wegens onwerkbaar weer. Bij de behandeling van de Wab heeft de Tweede Kamer verzocht om een uniforme wachttijd in te voeren. De minister heeft na overleg met sociale partners besloten om een wachttijd van twee dagen in te voeren. Voor onwerkbaar weer wegens langdurige regen geldt een wachttijd van 19 dagen. Na de wachtdagen geldt een uitzondering op de loondoorbetalingsplicht van de werkgever en kan, met inachtneming van de betreffende cao, een beroep op een WW-uitkering worden gedaan wegens buitengewone natuurlijke omstandigheden.

De wachttijd geldt vanaf 1 januari 2020. Werkgevers dienen dagelijks een melding te doen van het onwerkbare weer bij het UWV. Het UWV controleert aan de hand van KNMI-gegevens of zich inderdaad onwerkbare weersomstandigheden voordoen en zal steekproefsgewijs controleren of werkzaamheden worden verricht. Een concept van de Regeling onwerkbaar weer is bij de brief gevoegd. De eerder aangekondigde Calamiteitenregeling, waarmee de regeling onwerkbaar weer wordt samengevoegd met de werktijdverkortingsregeling, kan niet eerder in werking treden dan in de winter van 2021-2022.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000180890 | 16-01-2020

Kamerbrief reorganisatie Belastingdienst

De minister van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer zijn plannen voor reorganisatie van de Belastingdienst uiteengezet. De Belastingdienst omvat naast de heffing en invordering van belastingen ook de diensten Toeslagen, Douane en de FIOD. De problemen bij de Belastingdienst zijn groot. De dienstverlening aan burgers en bedrijven staat onder druk, de mogelijkheden om nieuw beleid adequaat en tijdig te implementeren nemen af en de staat van de automatisering is reden tot zorg. De minister wil zich nu concentreren op de volgende gebieden:

  1. versterking van de ambtelijke aansturing;
  2. verbeteren van managementinformatie en ICT;
  3. verbeteren van de dienstverlening;
  4. bereiken van een cultuur met oog voor de menselijke maat en een veilige werkomgeving.

1. Versterking van de ambtelijke aansturing

De onderdelen Douane en Toeslagen worden bestuurlijk zelfstandige onderdelen binnen het ministerie van Financiën en maken dan geen deel meer uit van de Belastingdienst. Voor elk van deze organisatieonderdelen wordt een directeur-generaal (dg) aangesteld als verantwoordelijke. De drie dg’s krijgen de opdracht de ontvlechting uit te voeren en de organisatorische consequenties uit te werken.

2. Verbeteren van managementinformatie en ICT

De aansturing van de Belastingdienst wordt gehinderd door een gebrek aan adequate managementinformatie. Daardoor worden risico’s in de organisatie te laat gesignaleerd en aangepakt. De aanpak van de verbetering van de managementinformatie en van het risicomanagement wordt geïntensiveerd en versneld.

De ICT van de Belastingdienst is een remmende factor. Er zijn veel verouderde systemen met achterstallig onderhoud. Er zijn risico’s voor de continuïteit van processen.

3. Verbeteren van de dienstverlening

De minister vraagt een externe partij om advies over een fundamentele transformatie van de Belastingtelefoon om burgers en bedrijven beter en effectiever te woord te kunnen staan.

4. Cultuur met oog voor de menselijke maat en een veilige werkomgeving

De Belastingdienst draagt een grote verantwoordelijkheid in de samenleving. De gewenste cultuur begint met het juiste doen en ervoor te zorgen dat burgers beschermd worden. De minister wil de praktische rechtsbescherming van burgers verbeteren. Er zijn stappen nodig op het gebied van leiderschap en om te komen tot een veilige werkomgeving, waarin het melden van misstanden mogelijk is met bescherming van klokkenluiders.

In verband met de omvang de problematiek wijzigt ook de politieke aansturing van de Belastingdienst, Toeslagen, Douane en FIOD. Er komen twee staatssecretarissen ter vervanging van de in december vertrokken staatssecretaris.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 16-01-2020

Doorlopend afwisselend privégebruik bestelauto

De bijtelling in de loonbelasting voor het privégebruik van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto geldt niet alleen voor een personenauto maar ook voor een bestelauto. De Wet op de loonbelasting gaat uit van de veronderstelling dat, indien aan een werknemer een auto ter beschikking wordt gesteld, deze auto ook voor privédoeleinden ter beschikking staat. De loonbelasting over de bijtelling is voor rekening van de werknemer. De bijtelling kan achterwege blijven als blijkt dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer per jaar privé is gebruikt. Het bewijs daarvoor kan geleverd worden met een sluitende rittenregistratie.

Voor bestelauto’s bestaat een bijzondere regeling, waarbij de belasting over het privégebruik in de vorm van een eindheffing van de werkgever wordt geheven. Deze regeling is van toepassing als de bestelauto doorlopend afwisselend gebruikt wordt door twee of meer werknemers, waardoor het lastig is om vast te stellen of en aan wie die bestelauto voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld. De verschuldigde belasting bedraagt € 300 per bestelauto per jaar. Het doorlopend afwisselend gebruik door twee of meer werknemers moet samenhangen met de aard van het werk.

Een procedure voor Hof Den Haag betrof de vraag of een aannemersbedrijf de eindheffing voor het doorlopend afwisselend gebruik terecht had toegepast voor de bestelwagens van het bedrijf. De vraag was of het gebruik dermate afwisselend was dat bezwaarlijk kon worden vastgesteld aan wie de bestelauto ter beschikking was gesteld. Welke werknemer een bestelauto ’s avonds mee naar huis nam besloten de werknemers in onderling overleg. Meestal was dat degene die het verst weg woonde van de opdracht die op dat moment werd uitgevoerd. In de praktijk betekende dit dat de auto’s soms één of twee weken niet van gebruiker wisselden en soms elke dag, afhankelijk van de omvang van de klussen.

De inspecteur meende dat sprake was van een door de werkgever vast te stellen volgtijdelijk gebruik gedurende een zekere periode door meerdere werknemers, waarvoor de eindheffing niet geldt. Het hof oordeelde dat niet één werknemer kon worden aangewezen aan wie de auto ter beschikking is gesteld en voor wie door het bijhouden van een rittenadministratie de werkgever zou kunnen bewijzen dat deze niet meer dan 500 kilometer in privé heeft gereden. Omdat niet kon worden bepaald gedurende welk deel van een heffingstijdvak wie de beschikking en de mogelijkheid tot privégebruik had, kon de loonbelasting voor het privégebruik van dezelfde auto niet van de werknemers worden nageheven. Daar kwam bij dat ook andere werknemers dan de vaste berijders gebruik maakten van de bestelauto's.

De inspecteur voerde verder aan dat de eindheffingsregeling niet van toepassing kon zijn omdat de bestelauto’s meer dan 500 kilometer privé konden worden gebruikt vanwege het ontbreken van controle op het privégebruik. Het hof wees de inspecteur erop dat de wetgever die voorwaarde niet stelt voor de toepassing van de eindheffingsregeling.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA20193152, BK-18/00955 | 16-01-2020

Maximumbedrag transitievergoeding omhoog

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft enkele bedragen en percentages in diverse regelingen gewijzigd per 1 januari 2020. De belangrijkste wijzigingen zijn de volgende.

  1. In de Wet tegemoetkomingen loondomein zijn de grensbedragen van het gemiddelde uurloon vastgesteld op € 10,29 en € 12,87.
  2. Het maximumbedrag van de transitievergoeding in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is veranderd van € 81.000 in € 83.000.
Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 2019-0000140134, Staatscourant 2019, Nr. 69523 | 09-01-2020

Gebruikelijk loon 2020

De gebruikelijkloonregeling geldt voor werknemers die een aanmerkelijk belang hebben in de vennootschap waarvoor zij werken. In de regel gaat het om de dga en zijn partner. Het loon van een dga moet ten minste gelijk zijn aan het hoogste van de volgende bedragen:
1. 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
2. het hoogste loon van de overige werknemers van de bv;
3. € 46.000 (2019: € 45.000).

De bv heeft de mogelijkheid om een lager loon aannemelijk te maken dan het op grond van de hoofdregel vastgestelde bedrag. Zolang het loon daardoor niet lager wordt dan € 46.000 mag rekening worden gehouden met een afwijking ten opzichte van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking van 25%.

Voor dga's van een innovatieve startup geldt een minder streng regime. Voor hen geldt het minimumloon als gebruikelijk loon of het lagere loon uit een vergelijkbare dienstbetrekking. Er is sprake van een innovatieve startup als:
– de bv beschikt over een S&O verklaring, die voor het gehele of een gedeelte van het jaar geldig is; en
– de bv recht heeft op het verhoogde S&O-starterspercentage.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | Nr. 2019-0000203012. St.crt. 2019, 66707 | 08-01-2020

Wijzigingen loonbelasting 2020

In de loonbelasting zijn per 1 januari 2020 enkele zaken gewijzigd.

Privégebruik auto
Werknemers met een auto van de zaak, die zij ook privé mogen gebruiken, worden geconfronteerd met een bijtelling bij hun salaris. De bijtelling is een percentage van de cataloguswaarde van de auto inclusief omzetbelasting. Bepalend voor de hoogte van het percentage van de bijtelling zijn de CO2-uitstoot en de datum van eerste toelating op de weg van de auto. Voor in 2020 nieuw toegelaten auto’s zonder CO2-uitstoot geldt een verlaagde bijtelling van 8% over de eerste € 45.000. Voor zover de catalogusprijs hoger is dan € 45.000 geldt de reguliere bijtelling van 22%. In alle andere gevallen bedraagt de bijtelling 22%.

Tot en met 2016 golden nog verschillende verlaagde percentages. Deze verlaagde percentages en uitstootgrenzen gelden gedurende maximaal 60 maanden. Auto’s van voor 2017, waarvoor een verlaagd bijtellingspercentage geldt, vallen na de periode van 60 maanden onder de destijds geldende standaardbijtelling van 25% en niet onder het huidige algemene percentage van 22.

30%-regeling
Voor uit het buitenland afkomstige werknemers met een bijzondere deskundigheid geldt onder bepaalde voorwaarden een belastingvrije vergoeding van 30% van de totale bruto beloning. Om aan te tonen dat een werknemer beschikt over een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is, geldt een salarisnorm. Voor 2020 is het normbedrag vastgesteld op € 38.346. Voor werknemers die jonger zijn dan 30 jaar en beschikken over een afgeronde masteropleiding geldt een verlaagde salarisnorm van € 29.149.

De 30%-regeling kent een maximale looptijd van vijf jaar. De verkorting van de looptijd geldt met ingang van 2021 ook voor bestaande gevallen. Van 2012 tot en met 2018 was de maximale looptijd acht jaar. Tot en met 2011 was de looptijd maximaal tien jaar.

Fiets van de zaak
Wanneer een werknemer een fiets ter beschikking heeft gekregen van zijn werkgever, die de werknemer ook privé mag gebruiken, dan moet een bijtelling bij het loon plaatsvinden. Met ingang van 2020 geldt een forfaitaire bijtelling van 7% van de waarde van de fiets op jaarbasis. De regeling geldt ook voor elektrische fietsen en speedpedelecs. Anders dan bij de auto van de zaak geldt de bijtelling voor de fiets van de zaak ook als de werknemer deze niet privé gebruikt.

Werkkostenregeling
De werkkostenregeling kent als uitgangspunt dat alle vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers loon vormen. Dat geldt ook als de kosten voor 100% zakelijk zijn. De werkgever heeft de mogelijkheid om vergoedingen en verstrekkingen aan te wijzen die binnen een bepaald budget belastingvrij vergoed kunnen worden. Dat budget, de vrije ruimte, bedraagt 1,7% over de eerste € 400.000 en 1,2% over het meerdere van de fiscale loonsom van de onderneming. Overschrijden de kosten het beschikbare budget, dan is het meerdere belast loon. Dat meerdere wordt betrokken in de eindheffing tegen een tarief van 80%. Eindheffing wil zeggen dat de loonheffing voor rekening van de werkgever komt en niet wordt doorbelast aan de werknemer. De eindheffing leidt tot een kostenverhoging voor de werkgever. Deze kostenverhoging komt in mindering op de winst van de werkgever.

Gerichte vrijstelling verklaring omtrent gedrag
Naast de vrije ruimte voor onbelaste vergoedingen en verstrekkingen kan gebruik gemaakt worden van gerichte vrijstellingen. Met ingang van 1 januari 2020 geldt een nieuwe gerichte vrijstelling voor de vergoeding van een voor de dienstbetrekking benodigde verklaring omtrent gedrag (VOG). De werkgever kan de kosten van een VOG belastingvrij vergoeden zonder dat dit gevolgen heeft voor de beschikbare vrije ruimte.

Verlengen uiterste moment aangifte en afdracht eindheffing
Bij het overschrijden van de vrije ruimte van een kalenderjaar is de werkgever een eindheffing verschuldigd over het meerdere. Per 1 januari 2020 is de termijn voor het aangeven van de verschuldigde eindheffing verlengd tot uiterlijk het moment van de aangifte loonheffingen over het tweede aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar. Dit geeft werkgevers meer tijd om bij overschrijding van de vrije ruimte de verschuldigde eindheffing vast te stellen.

Gebruikelijk loon aanmerkelijkbelanghouders
Het loon van een werknemer, die een aanmerkelijk belang heeft in de rechtspersoon waarvoor hij werkt, moet in 2020 ten minste € 46.000 per jaar bedragen of gelijk zijn aan het loon dat werknemers zonder een aanmerkelijk belang zouden verdienen in een vergelijkbare functie. Vaak betreft het een directeur-grootaandeelhouder (dga). Wanneer het gebruikelijk loon voor een vergelijkbare functie hoger is, kan de Belastingdienst het loon corrigeren tot het niet meer dan 25% afwijkt van wat gebruikelijk is. Wat een gebruikelijk loon is, kan worden bepaald aan de hand van het loon van concrete andere werknemers in de meest vergelijkbare dienstbetrekkingen. Bij de bepaling van het gebruikelijk loon speelt ook het loon van de overige werknemers een rol.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | Nr.2019-0000203012, St.crt. 2019-66707 | 03-01-2020

Bedragen kindregelingen 2020

Kinderbijslag
Met ingang van 1 januari 2020 gelden de volgende bedragen per kind per kwartaal.

Leeftijd kind

Bedrag

0 t/m 5 jaar

€ 221,49

6 t/m 11 jaar

€ 268,95

12 t/m 17 jaar 

 € 316,41

Kinderopvang
De maximum uurprijzen voor dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang voor 2020 zijn als volgt:

  • dagopvang € 8,17;
  • buitenschoolse opvang € 7,02;
  • gastouderopvang € 6,27.

Kindgebonden budget
Voor het kindgebonden budget gelden de volgende bedragen op jaarbasis.

Aantal kinderen

Inkomen tot € 21.430

1

€ 1.185

2

€ 2.190

3

€ 2.487

4

€ 2.784

Voor ieder volgend kind wordt het kindgebonden budget verhoogd met € 297. Verder geldt een verhoging van het kindgebonden budget voor 12- tot 15-jarigen van € 243 per jaar. De verhoging voor 16- en 17-jarigen is € 434 per jaar. Voor een alleenstaande ouder wordt het kindgebonden budget verhoogd met € 3.190. Het recht op kindgebonden budget vervalt als het vermogen in box 3 op 1 januari groter is dan € 116.613 voor een alleenstaande en € 147.459 voor partners. Bij een inkomen hoger dan € 21.430 daalt het kindgebonden budget met 6,75% van het meerdere inkomen.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 03-01-2020

Tarieven loon- en inkomstenbelasting 2020

De tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting en voor de loonbelasting zijn in 2020 als volgt.

 Inkomen op jaarbasis

 tarief tot AOW-leeftijd

 tarief AOW-gerechtigde

 € 0 t/m € 34.712

 37,35%

 19,45%

 € 34.712 t/m € 68.507

 37,35%

 37,35%

 € 68.508 en hoger

 49,50%

 49,50%

Voor mensen, die geboren zijn voor 1 januari 1946, geldt een hogere grens van de eerste schijf van € 35.375.
De tarieven in de eerste schijf bevat een premiecomponent. Tot de AOW-leeftijd bestaat deze uit 17,9% AOW, 0,1% Anw en 9,65% Wlz. Bij het bereiken van de AOW-leeftijd vervalt de AOW-premie. In 2020 bedraagt de AOW-leeftijd 66 jaar en vier maanden.

Heffingskortingen

Heffingskorting

tot AOW-leeftijd

AOW-gerechtigde

Algemene heffingskorting, maximaal

€ 2.711

€ 1.413

Arbeidskorting, maximaal

€ 3.595 

€ 1.873

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

€ 2.881

€ 2.881

Jonggehandicaptenkorting

€ 749

€ 0

Ouderenkorting, maximaal

€ 0

€ 1.622

Alleenstaande ouderenkorting

€ 0

€ 436

Levensloopkorting

€ 219

 

De algemene heffingskorting wordt afgebouwd tot nihil bij een inkomen uit werk en woning boven € 20.711. De afbouw bedraagt 5,672% van het inkomen boven € 20.711. Voor mensen, die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, daalt de algemene heffingskorting met 2,954%. Vanaf een inkomen van € 68.507 is de algemene heffingskorting nihil. 

De arbeidskorting wordt afgebouwd tot nihil vanaf een arbeidsinkomen van € 34.954. De afbouw bedraagt 6% van het arbeidsinkomen boven € 34.954. Voor AOW-gerechtigden bedraagt de afbouw 3,124%. De arbeidskorting bedraagt nihil bij een inkomen vanaf € 98.604.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting kent in 2020 geen basisbedrag. De korting loopt op bij een hoger arbeidsinkomen dan € 5.072 met 11,45% van het meerdere inkomen tot een maximum van € 2.881.

De ouderenkorting bedraagt € 1.622 tot een inkomen van € 37.372. Boven dat inkomen daalt de ouderenkorting met 15% van het meerdere tot nihil bij een inkomen van € 48.185.

Hoewel de levensloopregeling is afgeschaft, bestaat de levensloopkorting nog wel. Deze geldt bij opname uit het levenslooptegoed. Het bedrag van € 219 geldt voor ieder jaar waarin is deelgenomen aan de levensloopregeling.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | Nr. 2019-0000203012, St.crt. 2019, 66707 | 03-01-2020