Category Archives: Loonbelasting

Besluit vrijgesteld loon, vergoedingen en verstrekkingen geactualiseerd

De staatssecretaris van Financiën heeft een besluit over vrijgesteld loon en vergoedingen en verstrekkingen geactualiseerd.

Ten opzichte van de vorige versie van het besluit is een onderdeel toegevoegd over het aanwijzen van vergoedingen en verstrekkingen als eindheffingsbestanddelen door de werkgever. De Belastingdienst gaat uit van een aanwijzing als eindheffingsbestanddeel als een vergoeding of verstrekking tot het loon behoort en de werkgever deze niet tot het individuele loon van een werknemer heeft gerekend. Dit is anders als de Belastingdienst meent dat de werkgever de vergoeding of verstrekking bij vergissing niet tot het individuele loon van een werknemer heeft gerekend of als niet wordt voldaan aan de gebruikelijkheidstoets. De Belastingdienst gaat ook uit van zo’n aanwijzing voor zover aan de voorwaarden en grensbedragen voor een gerichte vrijstelling is voldaan.

Het onderdeel betreffende kleine geschenken is verduidelijkt met twee voorbeelden.

Het onderdeel over de terugbetaling van studiekostenvergoedingen is aangepast in verband met het vervallen van de aftrek van scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting per 1 januari 2022.

Het besluit is op 29 juli 2022 in werking getreden.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | nr. 2022-159595, Staatscourant 2022, Nr. 18970 | 27-07-2022

Uitkering uit reisverzekering werkgever vrije verstrekking?

Tot het loon voor de loonbelasting behoort alles wat uit een dienstbetrekking wordt genoten, inclusief vergoedingen en verstrekkingen in het kader van de dienstbetrekking. Onder dienstbetrekking wordt ook verstaan een vroegere dienstbetrekking.

De werkgever kan vergoedingen en verstrekkingen aanwijzen als eindheffingsbestanddelen. Voor als eindheffingsbestanddeel aangewezen vergoedingen en verstrekkingen ter zake van tijdelijk verblijf in het kader van de dienstbetrekking geldt een gerichte vrijstelling, waardoor deze onbelast zijn.

Een werkgever had voor zijn personeel een reisverzekering gesloten. Een werknemer overleed in 2013 tijdens een dienstreis als gevolg van een incident tijdens die dienstreis. De jaarlijkse premie voor deze verzekering bedroeg € 500. De nabestaande ontving in 2017 een uitkering uit de reisverzekering van € 266.250 bruto. De vraag was of op deze uitkering terecht loonbelasting is ingehouden. Dat is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de premie voor de reisverzekering als een vrije verstrekking volgens de oude wettelijke regeling of als een gerichte vrijstelling kan worden aangemerkt. Is het antwoord op deze vraag bevestigend, dan is de uitkering onbelast.

In 2013 was het nog mogelijk om op vergoedingen en verstrekkingen niet de werkkostenregeling toe te passen, maar de oude systematiek. Volgens de oude regeling behoren vrije verstrekkingen niet tot het loon. Onder de werkkostenregeling kunnen bepaalde verstrekkingen ter zake van tijdelijk verblijf in het kader van de dienstbetrekking vallen onder een gerichte vrijstelling. De rechtbank was van oordeel dat de nabestaande niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkgever in 2013 met toepassing van de overgangsregeling de oude regeling hanteerde en ging uit van toepassing van de werkkostenregeling.

De rechtbank deelde de opvatting van de nabestaande dat de verstrekking van de verzekering een verstrekking vormt ter zake van tijdelijk verblijf in het kader van de dienstbetrekking. Gezien de hoogte van de premie overtrof de verstrekking van de verzekering niet in belangrijke mate hetgeen gebruikelijk is. Aannemelijk was dat de verzekering naar haar aard deel uitmaakte van de arbeidsvoorwaarden. De betaalde premie voor de verzekering is niet in de loonheffing betrokken. Volgens het sinds 2020 gevoerde beleid van de Belastingdienst wordt ervan uitgegaan dat verstrekkingen als gerichte vrijstelling en daarmee als eindheffingsloon zijn aangewezen wanneer de werkgever voldoet aan de voorwaarden en grensbedragen voor de betreffende gerichte vrijstelling. De rechtbank vond aannemelijk dat in 2013 sprake was van een gerichte vrijstelling.

Volgens de rechtbank vormt de overlijdensuitkering in 2017 geen loon. Dat de verzekeraar daarop loonheffingen heeft ingehouden vindt de rechtbank niet van belang. Niet is uitgesloten namelijk dat de verzekeraar niet op de hoogte was van de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLINLRBGEL20223319, AWB 21/2591 | 29-06-2022

Loonheffing verschuldigd over tekengeld

Uit vaste jurisprudentie volgt dat tekengeld, dat wordt betaald bij de ondertekening van een arbeidscontract, loon vormt in de zin van de Wet LB 1964. Op grond van de Wet IB 2001 geldt dit ook voor het loon dat een buitenlands belastingplichtige ontvangt ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid. Volgens de betreffende wetsbepaling is ook sprake van het vervullen van een dienstbetrekking in Nederland, wanneer uit de arbeidsovereenkomst volgt dat de arbeid in Nederland zal worden verricht. Daaraan doet volgens de Hoge Raad niet af dat de arbeid nog niet is aangevangen. Aan de toerekening van tekengeld aan in Nederland te verrichten werkzaamheden staat niet in de weg dat het tekengeld al vóór aanvang van de werkzaamheden in Nederland vorderbaar en inbaar is geworden.

Het door een Belgische betaaldvoetbalorganisatie (BVO) aan een in België wonende voetballer betaalde tekengeld is in de Nederlandse loonheffingen betrokken. De voetballer was van 21 juli 2010 tot 31 juli 2010 tijdens een trainingsstage op proef bij een Nederlandse BVO en is vervolgens aan de Nederlandse BVO uitgeleend voor de resterende maanden van het voetbalseizoen. Op 30 juli 2010 hebben de Belgische BVO en de voetballer het lopende contract opengebroken. Onderdeel van de nieuwe overeenkomst was een eenmalig tekengeld van € 350.000 netto, dat uiterlijk op 30 juli 2010 vorderbaar en tevens inbaar is geworden. Op 2 augustus 2010 is een addendum bij de nieuwe spelersovereenkomst ondertekend in verband met de terbeschikkingstelling van de voetballer aan de Nederlandse BVO.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat op 30 juli 2010 al zo goed als zeker was dat de voetballer gedurende de rest van het voetbalseizoen 2010/2011 zou worden uitgeleend aan de Nederlandse BVO. Volgens het hof vormde het eenmalige tekengeld loon voor werkzaamheden die de voetballer gedurende het voetbalseizoen 2010/2011 moest verrichten. Dat betekent dat Nederland op grond van het belastingverdrag met België heffingsbevoegd is over 11/12de deel van het eenmalige tekengeld. De Belgische BVO is als inhoudingsplichtige daarover loonbelasting verschuldigd. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof ongegrond verklaard.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20221041, 21/02654 | 07-07-2022

Uiterste moment aanwending oudedagsverplichting voor lijfrente

Bij de invoering van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen, is in de Wet op de loonbelasting de mogelijkheid opgenomen om een aanspraak op oudedagsverplichting aan te wenden voor de verkrijging van een lijfrente, een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht.

De staatssecretaris van Financiën heeft, vooruitlopend op een voorgenomen wetswijziging, een besluit met een goedkeuring voor het uiterste moment waarop een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting kan worden aangewend ter verkrijging van een lijfrente. De Wet IB 2001 schrijft voor dat de termijnen van een lijfrente, waarvan de koopsom of premie aftrekbaar is, uiterlijk ingaan in het jaar waarin de belastingplichtige aan wie de lijfrente wordt uitgekeerd vijf jaar ouder is dan de AOW-leeftijd. Dat betekent dat een lijfrente uiterlijk dan moet zijn aangekocht. De goedkeuring houdt in dat dit niet geldt wanneer een oudedagsverplichting wordt aangewend voor de aankoop van een lijfrente. De voorgenomen wetswijziging krijgt terugwerkende kracht tot 1 april 2017.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | nr. 2022-13302, Staatscourant 2022, Nr. 17162 | 03-07-2022

Wetsvoorstel aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten aangenomen

De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten aangenomen. Het wetsvoorstel verschuift de belastingheffing naar het moment waarop de bij uitoefening van het aandelenoptierecht verkregen aandelen verhandelbaar zijn. Op dat moment kan de belastingplichtige over voldoende liquide middelen beschikken om de verschuldigde belasting te betalen. Het wetsvoorstel biedt werknemers de keuze om de belastingheffing plaats te laten vinden bij de uitoefening van het optierecht.

De Tweede Kamer heeft bij de stemming drie moties aangenomen. Hierin wordt de regering verzocht om te bezien welke belemmeringen er bestaan om winstdelingsregelingen breder toegankelijk te maken voor alle werknemers. Daarnaast wordt de regering verzocht om bij de monitoring van de effecten van het wetsvoorstel onderscheid te maken naar de omvang van bedrijven en om drie jaar na de inwerkingtreding een reflectietoets uit te voeren.

In de evaluatie moet onderscheid worden gemaakt tussen start-ups en scale-ups enerzijds en grotere bedrijven anderzijds.

Amendementen om de werking van het wetsvoorstel te beperken tot bedrijven met maximaal 100 werknemers of tot bedrijven die onvoldoende omzet genereren zijn verworpen.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 35 929 | 27-06-2022

Vrije ruimte werkkostenregeling voor werknemer zonder inhoudingsplichtige werkgever

In een procedure voor de Hoge Raad was in geschil of werknemers met een niet-inhoudingsplichtige werkgever in de aangifte inkomstenbelasting een beroep kunnen doen op de gerichte vrijstellingen en de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Hof Den Bosch oordeelde in eerdere instantie dat dit niet het geval is. Het hof stelde voor de toepassing van de vrije ruimte de voorwaarde dat het loon als eindheffingsbestanddeel vergoedingen en verstrekkingen omvat.

De Wet IB 2001 bevat een bepaling die is bedoeld om te voorkomen dat werknemers met een niet-inhoudingsplichtige werkgever in een nadeliger positie komen dan andere werknemers. Aan de eerstgenoemde groep werknemers wordt in elk geval een vrijstelling gegeven, die gelijk is aan het percentage van de vrije ruimte. Volgens de Hoge Raad kan noch uit de tekst van het wetsartikel, noch uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling worden afgeleid dat die aftrek alleen zou gelden voor door de werkgever aangewezen vergoedingen en verstrekkingen. Het stellen van een dergelijke eis ligt ook niet voor de hand. Uit de parlementaire geschiedenis van de werkkostenregeling volgt dat de inhoudingsplichtige de vrije ruimte kan toepassen ongeacht de mate waarin in aangewezen vergoedingen en verstrekkingen een beloningselement te onderkennen valt. Dat betekent dat ook gewoon loon in de vrije ruimte kan worden ondergebracht. Van een werkgever, die niet inhoudingsplichtig is, kan niet worden verwacht dat hij zich richt naar het systeem van de Nederlandse loonbelasting.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie gegrond verklaard. De werknemer heeft voor de jaren 2013 en 2014 recht op een vrijstelling ter hoogte van de vrije ruimte van 1,5% van het loon.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2022697, 21/01854 | 26-05-2022

Kamervragen verplichte winstdeling voor bedrijven

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over de invoering van een verplichte winstdeling door bedrijven in de strijd tegen inflatie. Vakbond CNV pleit daarvoor.

De staatssecretaris wijst erop dat het arbeidsvoorwaardenoverleg primair een zaak is van werkgevers en werknemers. Een winstdelingsregeling kan de betrokkenheid van werknemers bij het bedrijf verhogen, maar niet alle werknemers zullen bereid zijn of kunnen zich veroorloven om loon deels risicodragend te maken.

De staatssecretaris deelt de opvatting van de vragensteller dat fiscale regels werknemersparticipatie onaantrekkelijk maken niet. Loon in de vorm van winstdeling of werknemersparticipatie wordt in beginsel op dezelfde wijze belast als andere vormen van loon. Het kabinet is bereid mee te werken aan oplossingen voor uitvoeringsmoeilijkheden of knelpunten in de belastingheffing voor werkgevers en werknemers. Als voorbeeld haalt de staatssecretaris het wetsvoorstel Wet aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten aan. Dit wetsvoorstel is bedoeld om liquiditeitsproblemen, die kunnen ontstaan bij de toekenning van aandelenoptierechten, op te lossen.

Het kabinet staat positief tegenover werknemersparticipatie als instrument om de betrokkenheid en productiviteit van werknemers te vergroten. Het kabinet is echter niet van plan om dat met fiscale faciliteiten te stimuleren.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2022-0000157606 | 07-06-2022

Bandbreedtes uurloon jeugd-LIV 2022

De minister van SZW heeft de bandbreedtes van het uurloon voor de toepassing van het jeugd-lage-inkomensvoordeel (jeugd-LIV) voor 2022 vastgesteld.

Leeftijd bereikt op 31-12-2021 ondergrens bovengrens
20 jaar € 8,67 € 10,73
19 jaar € 6,50 € 9,65
18 jaar € 5,42 € 7,24
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | publicatie | Staatscourant 2022, Nr. 14445 | 01-06-2022

Kamervragen fiscale behandeling thuiswerken door grensarbeiders

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over thuiswerken door grensarbeiders. In het kader van de crisismaatregelen tijdens corona zijn met Duitsland en België afspraken gemaakt over de fiscale behandeling van thuiswerkdagen voor grensarbeiders. Deze afspraken lopen tot en met 30 juni 2022. Het is niet de bedoeling om deze afspraken te verlengen.

Voor een reguliere afwijking van de afspraken in belastingverdragen is een verdragsaanpassing nodig. De aflopende thuiswerkovereenkomsten zijn gekoppeld aan de coronamaatregelen met betrekking tot thuiswerken en lenen zich daarom niet voor een permanente maatregel.

Wel wordt in overleg met de buurlanden bezien of nieuwe afspraken kunnen worden gemaakt over de behandeling van grensarbeiders in de belastingverdragen. Vanwege de complexiteit is niet zeker of er een thuiswerkregeling in de belastingverdragen komt. Als het lukt om overeenstemming te bereiken over een verdragsaanpassing duurt het nog geruime tijd voordat deze van kracht wordt.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2022-0000161291 | 08-06-2022

Toepassing doorbetaaldloonregeling

De Wet op de loonbelasting kent met de doorbetaaldloonregeling een bijzondere regeling. De regeling komt erop neer dat een inhoudingsplichtige wordt geacht niet alleen het door hem verschuldigde loon van een werknemer te verstrekken, maar ook het loon dat aan deze werknemer toekomt van een andere inhoudingsplichtige. Voorwaarde is dat de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij de eerste inhoudingsplichtige ook werkzaam is voor de andere inhoudingsplichtige en op de werknemer de verplichting rust om het hem toekomende loon af te staan aan de eerste inhoudingsplichtige. De tweede inhoudingsplichtige moet het loon van de werknemer rechtstreeks afdragen aan de eerste inhoudingsplichtige.

De Belastingdienst meende dat een inhoudingsplichtige de doorbetaaldloonregeling niet mocht toepassen op de managementfees die de inhoudingsplichtige betaalde aan de houdstervennootschappen van de directeuren. Volgens de Belastingdienst verrichtten de directeuren hun werkzaamheden bij de inhoudingsplichtige niet uit hoofde van hun dienstbetrekking bij de houdstervennootschappen. De inhoudingsplichtige meende dat hij de doorbetaaldloonregeling kon toepassen omdat de directeuren hun werkzaamheden verrichtten op basis van de met de houdstervennootschappen gesloten managementovereenkomsten. De bescheiden omvang van het aanmerkelijk belang van 5% met een optie op nog eens 5% van iedere houdstervennootschap was volgens de inhoudingsplichtige niet van invloed op de zakelijkheid van de structuur.

De rechtbank was van oordeel dat de directeuren uit hoofde van hun dienstbetrekking bij de houdstervennootschappen werkzaamheden verrichtten voor de inhoudingsplichtige. Dat was vastgelegd in de arbeidsovereenkomsten, die de directeuren met hun houdstervennootschappen hebben gesloten. De houdstervennootschappen hadden managementovereenkomsten met de inhoudingsplichtige gesloten. Omdat sprake was van een structuur met meerdere aandeelhouders moest de rechtbank de structuur op zakelijkheid toetsen. Aan de wetsgeschiedenis ontleende de rechtbank dat een aanmerkelijkbelanghouder met concernvennootschappen niet bij iedere concernvennootschap een gebruikelijk loon hoeft op te nemen, omdat de doorbetaaldloonregeling kan worden toegepast. Deze regeling kan ook door een dga worden toegepast in geval van een gedeeld ondernemerschap met andere dga’s via een praktijk-bv. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inhoudingsplichtige, mede in het licht van de parlementaire behandeling over de praktijk-bv, voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat aan de zakelijkheidstoets is voldaan. Dat de overige aandeelhouders vanwege de omvang van de investering die zij hebben gedaan tezamen 85% van de aandelen bezitten doet daar niet aan af.

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor toepassing van de doorbetaaldloonregeling is voldaan.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLINLRBZWB20221573, BRE 19/00130 en BRE 19/00630 | 05-04-2022