Category Archives: Sociale verzekeringen

Kamerbrief ontwikkelingen grensarbeidersproblematiek

De staatssecretaris van Financiën heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de ontwikkelingen in de problematiek voor grenswerkers op het gebied van de fiscaliteit en sociale zekerheid. Met de komst van de EU Kaderovereenkomst kunnen grenswerkers sinds 1 juli 2023 tot 50% van hun totale arbeidstijd thuis werken zonder wijziging van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving. 

Voor de fiscaliteit zijn bilaterale belastingverdragen bepalend voor de verdeling van de heffingsrechten. In beginsel betaalt een grenswerker belasting in het land waar hij werkt. Wanneer de grenswerker deels thuis werkt, moet belasting worden betaald in het woonland over een deel van het inkomen. Het kabinet wil op twee manieren de fiscale belemmeringen van thuis werken door grenswerkers aanpakken. De eerste manier is de opname in belastingverdragen van een drempelregeling. Grenswerkers kunnen dan een aantal dagen hybride werken zonder verschuiving van het heffingsrecht naar de woonstaat. Daarnaast wil het kabinet een bilaterale regeling die duidelijkheid geeft over het bestaan van een vaste inrichting van de werkgever in de woonstaat van de werknemer als gevolg van hybride werken. 

Met België is onlangs een overeenkomst over dit punt gesloten. Het afgelopen half jaar is met België onderhandeld over een drempelregeling bij hybride werken over de grens. Dit heeft nog niet geleid tot aanpassing van het bestaande belastingverdrag.
Met Duitsland wordt onderhandeld over aanpassing van het bestaande belastingverdrag. Die gesprekken gaan over het opnemen van een drempelregeling om deels hybride werken door grenswerkers te faciliteren. Op korte termijn lijkt een regeling voor een beperkt aantal dagen haalbaar. Het streven is om de onderhandelingen over de drempelregeling in de eerste helft van 2024 af te ronden.

Ook in EU-verband is Nederland voorstander van een drempelregeling, waarmee wordt aangesloten bij de EU Kaderovereenkomst voor sociale zekerheid.

Bron: Ministerie van Financiƫn | publicatie | 2023-0000274885 | 10-12-2023

Per 1 januari 2024 geldende bedragen in de SZW-regelgeving

De ministers van SZW en voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen hebben een eerste mededeling gepubliceerd met per 1 januari 2024 geldende bedragen in de SZW-regelgeving. Een tweede verzamelmededeling is aangekondigd en volgt binnenkort. Niet alle bedragen kunnen door middel van een mededeling worden geïndexeerd. Daarom volgt binnenkort een ministeriële regeling, waarin enkele bedragen en percentages worden vastgesteld.

Belangrijke bedragen in deze mededeling zijn de bruto nabestaandenuitkering van de Algemene nabestaandenwet. Deze bedraagt € 1.493,51 per maand. Het bruto ouderdomspensioen van de Algemene Ouderdomswet bedraagt € 1.536,03 voor een alleenstaande en € 1.042,10 voor gehuwden en samenwonenden.

Uitgangspunt voor bovengenoemde bedragen is een wettelijk minimumloon, dat met ingang van 1 januari 2024 is vastgesteld op € 2.069,40 bruto per maand.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | besluit | Staatscourant 2023, Nr. 33542, nr. 2023-0000560733 | 04-12-2023

Standaardpremie zorgtoeslag 2024

De minister van VWS heeft de standaardpremie voor de berekening van de zorgtoeslag voor 2024 vastgesteld. De standaardpremie bedraagt in 2024 € 1.987. De hoogte van de standaardpremie is gelijk aan de geraamde gemiddelde nominale premie, die de verzekerden in 2024 voor een zorgverzekering betalen en verhoogd met het gemiddelde bedrag dat een verzekerde naar verwachting in 2024 betaalt aan verplicht eigen risico voor de zorgverzekering.

Daarnaast zijn de bestuursrechtelijke premies voor de zorgverzekering vastgesteld. Dat zijn premies die aan het CAK betaald moeten worden door wanbetalers en door ambtshalve verzekerden. Dat zijn mensen die geen zorgverzekering hebben afgesloten maar wel verzekeringsplichtig zijn. Voor wanbetalers bedraagt de bestuursrechtelijke premie € 2.102,40 per jaar. Voor ambtshalve verzekerden is de bestuursrechtelijke premie vastgesteld op € 1.987 per jaar.

Bron: Ministerie VWS | besluit | 3704792-1055150-Z, Staatscourant 2023, Nr. 32413 | 26-11-2023

Stapsgewijze afschaffing loonkostenvoordeel oudere werknemer

Het loonkostenvoordeel (LKV) oudere werknemer wordt vanwege de beperkte doeltreffendheid per 1 januari 2026 afgeschaft. Dat gebeurt stapsgewijs. De minister van SZW heeft in een brief aan de Tweede Kamer meegedeeld op welke wijze zij voornemens is deze afschaffing vorm te geven. De stapsgewijze afschaffing van het LKV oudere werknemer zal via een nota van wijziging worden toegevoegd aan het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet tegemoetkomingen loondomein.

Het LKV oudere werknemer voor dienstbetrekkingen, die zijn begonnen op of na 1 januari 2024, wordt per 1 januari 2025 verlaagd van € 3,05 naar € 1,35 per uur. Per 1 januari 2026 vervalt dit LKV. Voor dienstbetrekkingen, die zijn begonnen vóór 1 januari 2024, wordt het LKV oudere werknemer niet verlaagd en niet afgeschaft. Voor deze groep oudere werknemers heeft de werkgever in 2025 en 2026 recht op een LKV van € 3,05 per uur.

Werknemers, die op of na 1 januari 2024 een doelgroepverklaring oudere werknemer aanvragen, zullen er door het UWV op worden gewezen dat zij in voorkomende gevallen in aanmerking komen voor een doelgroepverklaring arbeidsgehandicapte werknemer. Het LKV arbeidsgehandicapte werknemer wordt niet verlaagd en niet afgeschaft. Werknemers en werkgevers kunnen dan de keuze maken tussen een doelgroepverklaring oudere werknemer en de doelgroepverklaring arbeidsgehandicapte werknemer.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | publicatie | 2023-0000547031 | 21-11-2023

Premies inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2024

De minister van VWS heeft de premiepercentages voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet voor 2024 gepubliceerd. Het maximum bijdrageloon of -inkomen is gelijk aan het maximumpremieloon voor de werknemersverzekeringen en bedraagt € 71.628 voor 2024. De premie, die werkgevers voor hun werknemers verschuldigd zijn, bedraagt 6,57% van het bijdrageloon. Voor andere verzekerden dan werknemers bedraagt de premie 5,32% van het bijdrage-inkomen.

Bron: Ministerie VWS | besluit | 3704788-1055151-Z, Staatscourant 2023, Nr. 31461 | 13-11-2023

AOW-leeftijd bedraagt 67 jaar en drie maanden in 2029

De minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen heeft de AOW-leeftijd en de leeftijd, waarop de AOW-opbouw begint, voor het jaar 2029 vastgesteld. De AOW-leeftijd en de aanvangsleeftijd zijn vanaf 2026 gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Deze leeftijden worden jaarlijks bepaald aan de hand van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd. De AOW-leeftijd wordt vijf jaar van tevoren aangekondigd. Voor 2029 is de AOW-leeftijd vastgesteld op 67 jaar en drie maanden. De aanvangsleeftijd is vastgesteld op 17 jaar en drie maanden. Voor 2028 gelden dezelfde leeftijden.

De fiscale pensioenrichtleeftijd is op vergelijkbare wijze als de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. De pensioenrichtleeftijd blijft in 2025 68 jaar. Sinds de inwerkingtreding per 1 juli 2023 van de Wet toekomst pensioenen is de fiscale pensioenrichtleeftijd alleen nog van belang voor het overgangsrecht.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | besluit | 2023-0000553102 | 09-11-2023

Premiepercentages 2024

De minister van SZW heeft de premiepercentages en enkele bedragen voor diverse sociale verzekeringen voor 2024 gepubliceerd.

 Omschrijving

 Percentage of bedrag

 AOW

 17,90%

 Anw

 0,10%

 Maximum premieloon

 € 71.628

 Algemeen Werkloosheidsfonds, lage premie

 idem, hoge premie

 2,64%

 7,64%

 Uitvoeringsfonds voor de overheid

 0,68%

 Arbeidsongeschiktheidsfonds, hoge premie

 idem, lage premie

 7,54%

 6,18%

 Opslag kinderopvang

 0,50%

 Minimumloonsomgrens Werkhervattingskas sector Grootwinkelbedrijf

 € 7.324.006

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | besluit | nr. 2023-0000518574, Staatscourant 2023, Nr. 31686 | 19-11-2023

Buitenlandbijdrage zorgverzekeringswet

In het buitenland wonende personen, die een pensioen uit Nederland ontvangen en op grond van een Europese verordening of een verdrag inzake sociale zekerheid recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan in hun woonland, zijn voor de Nederlandse zorgverzekering een zogenaamde buitenlandbijdrage verschuldigd.

Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie EU volgt dat een lidstaat van de EU, die een overheidspensioen betaalt aan een in een andere lidstaat wonende persoon, de buitenlandbijdrage zelfs mag heffen als de pensioenbetalende lidstaat de in het buitenland gemaakte zorgkosten niet daadwerkelijk hoeft te dragen. De wijze waarop zorgkosten door de lidstaten onderling worden verrekend heeft geen rechtsgevolgen voor de verhouding tussen het bevoegde orgaan van een lidstaat en de verdragsgerechtigde.

Op basis van deze jurisprudentie oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat Nederland in 2018 het recht had om de buitenlandbijdrage te heffen van een inwoonster van Ierland. Het recht op zorg in Ierland kwam volgens een EU-verordening ten laste van Nederland als pensioenland. Het feit dat Ierland in 2018 geen kosten voor verstrekkingen bij Nederland heeft gedeclareerd, heeft geen invloed op deze bevoegdheid. Evenmin is van belang dat Nederland en Ierland mogelijk geen afspraken hierover hebben gemaakt.

Bron: Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLINLCRVB20231797, 22/2053 ZVW | 13-09-2023

Wetsvoorstel verzamelwet SZW 2024 ingediend bij de Tweede Kamer

De minister van SZW heeft het wetsvoorstel verzamelwet SZW 2024 ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel bevat wijzigingen op het gebied van het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en in de structuur van de uitvoeringsorganisaties. Het gaat om zogeheten klein beleid, wat wil zeggen dat het wetsvoorstel geen substantiële beleidswijzigingen omvat. De meeste wijzigingen hebben geen financiële consequenties.

In de Werkloosheidswet (WW) is geregeld dat een verlies aan arbeidsuren van minder dan 5 uur niet leidt tot een recht op uitkering als dat verlies minder dan de helft van het totale aantal uren bedraagt. Bij de introductie van het begrip arbeidsuren in de WW is een fout gemaakt. Ten onrechte worden in de wetsbepaling de resterende arbeidsuren in plaats van de verloren uren vergeleken met het gemiddelde aantal arbeidsuren. Dit wordt nu hersteld.

In de Wet arbeid en zorg is geregeld dat bepaalde personen, zoals een dga, die niet voorkomen in de polisadministratie van het UWV een uitkering kunnen krijgen in verband met het aanvullend geboorteverlof en het betaald ouderschapsverlof. De uitkering bedraagt 70% van het minimumloon per maand. Daarbij wordt rekening gehouden met de arbeidsduur per week. Bij de berekening wordt uitgegaan van 40 uren per week. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel betaald ouderschapsverlof is opgenomen dat de norm van 40 uren zal worden gewijzigd in 36 uren bij de invoering van de Wet invoering minimumuurloon. Dat is per 1 januari 2024 het geval.

De Wet betaald ouderschapsverlof wijzigde abusievelijk niet de bepaling dat een werknemer, die arbeid buiten Nederland verricht, recht op ouderschapsverlof heeft, tenzij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet. Het weigeren van verlof wegens zwaarwegend dienstbelang is niet toegestaan volgens een Europese richtlijn. Deze bepaling wordt daarom aangepast.

Op grond van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie is het verplicht om een melding te doen van werknemers die worden gedetacheerd naar Nederland. De buitenlandse dienstverrichter moet een aantal gegevens in de melding verwerken. Een van die gegevens is de voor uitbetaling van het loon verantwoordelijke persoon. Het opvragen van dit gegeven is mogelijk een ongerechtvaardigde inbreuk op het vrij verkeer van diensten. Dit wordt daarom geschrapt uit de wet.

Op 1 januari 2024 treedt de Wet invoering minimumuurloon in werking. Deze wet regelt de invoering van een wettelijk minimumuurloon. Per die datum is in de Wet op het minimumloon opgenomen dat per gewerkt uur het minimumuurloon betaald dient te worden. Uitgaande van een overeengekomen vaste arbeidsduur per week mag voor de berekening van een vaste maandelijkse beloning worden uitgegaan van een gemiddeld aantal te werken uren per maand. Het gemiddelde aantal te werken uren per maand dient berekend te worden op basis van het feitelijke aantal werkbare dagen waarop de werknemer in dat kalenderjaar werkt. Over het gemiddelde aantal arbeidsuren per maand dient de werknemer minimaal het minimumuurloon te ontvangen. Het feitelijke aantal werkbare dagen per jaar is per werknemer te berekenen als sprake is van een vast arbeidspatroon. Als sprake is van een vaste overeengekomen arbeidsduur zonder vast arbeidspatroon, gaat de Arbeidsinspectie ervan uit dat een maand 4 1/3 week omvat. Met deze rekenfactor stelt de Arbeidsinspectie het aantal te werken uren per maand bij benadering vast, gegeven de vaste overeengekomen arbeidsduur per week voor die specifieke werknemer. Voor de werkgever geldt dat, nadat het kalenderjaar is beëindigd, alle door de werknemer gewerkte uren conform het minimumuurloon moeten zijn betaald.

Het komt voor dat de arbeidsduur niet wordt uitgedrukt in een aantal te werken uren per week maar per jaar. Bij een plus-min-urensysteem is het salaris per periode gelijk, maar het feitelijke aantal gewerkte uren niet. De door een werknemer in een periode meer gewerkte uren worden gecompenseerd in periodes waarin minder wordt gewerkt. Na de periode van afrekening wordt bekeken of de werknemer de urennorm heeft gehaald. Per abuis is de bestaande praktijk van een plus-min-urensysteem niet meegenomen in de Wet op het minimumloon. Dit wordt met het onderhavige wetsvoorstel hersteld.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetsvoorstel | 17-09-2023

Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2024 vastgesteld

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft het Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) 2024 vastgesteld.

De gedifferentieerde premie Whk is opgebouwd uit twee premiecomponenten: Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) voor alle dienstbetrekkingen en Ziektewet (ZW) voor flexibele dienstbetrekkingen. Voor iedere premiecomponent wordt een gemiddeld percentage vastgesteld. Voor 2024 is de gemiddelde premie voor de WGA 0,77% en voor de ZW 0,45%.

Op grond van het Besluit Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) stelt het UWV de parameters vast die dienen voor de berekening van de individuele premie WGA en de individuele premie ZW.

Het gemiddelde premieplichtige loon dient als basis voor het onderscheid tussen kleine, middelgrote en grote werkgevers. Het gemiddelde premieplichtige loon is vastgesteld op € 37.700. De grens tussen kleine en middelgrote werkgevers ligt bij 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon, dat is € 942.500. De grens tussen middelgrote en grote werkgevers ligt bij 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon of € 3.770.000.

Het besluit treedt in werking op 1 januari 2024.

Bron: Overig | besluit | Staatscourant 2023, Nr. 23223 | 31-08-2023