Category Archives: Sociale verzekeringen

AOW-leeftijd blijft 67 jaar en drie maanden in 2025

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer meegedeeld dat de AOW-leeftijd in het jaar 2025 67 jaar en drie maanden zal bedragen. Dat is gelijk aan de AOW-leeftijd in de jaren 2022 tot en met 2024. De AOW-leeftijd voor 2025 is berekend aan de hand van de raming van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd voor 2025 en 2031. Het CBS gaat uit van een gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd in 2025 van 20,75 jaar en van 21,43 jaar in 2031.

Op basis van de prognose van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd in 2031 blijft de pensioenrichtleeftijd tot en met 2021 68 jaar.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 2019-0000151204 | 07-11-2019

Wijziging besluit Wet financiering sociale verzekeringen

De premiesystematiek van de Werkhervattingskas (Whk) voor startende werkgevers wordt per 1 januari 2020 aangepast. Dat is het gevolg van een arrest van de Hoge Raad. De Hoge Raad was van oordeel dat de bestaande uitvoeringspraktijk niet in overeenstemming is met de regelgeving.

De premiedifferentiatie in de publieke verzekering voor de Whk werkt als volgt. Werkgevers worden onderverdeeld in drie grootteklassen: klein, middelgroot of groot. Kleine werkgevers zijn werkgevers met een loonsom tot en met tien maal de gemiddelde loonsom per werknemer per jaar. Middelgrote werkgevers hebben een loonsom tussen 10 en 100 maal de gemiddelde loonsom per werknemer per jaar. Grote werkgevers hebben een loonsom die groter is dan 100 maal de gemiddelde loonsom per werknemer per jaar. De indeling wordt gemaakt op basis van de loonsom van de werkgever twee jaar eerder en is bepalend voor de wijze waarop de gedifferentieerde premie wordt berekend. Voor kleine werkgevers is de gedifferentieerde premie gelijk aan de sectoraal bepaalde premie. Voor grote werkgevers wordt een individuele premie bepaald op basis van hun individuele lasten en loonsom. Voor middelgrote werkgevers wordt een gewogen gemiddelde bepaald van de sectoraal bepaalde premie en de individuele premie.

In de eerste drie jaren van het werkgeverschap gelden andere regels voor het vaststellen van de gedifferentieerde premie. In de eerste twee jaar worden startende werkgevers aangemerkt als kleine werkgever, tenzij sprake is van de overgang van een onderneming. In deze periode geldt de sectoraal bepaalde premie. In het derde jaar kan worden vastgesteld in welke grootteklasse de werkgever valt. Grote werkgevers betalen in het derde jaar het gemiddelde percentage zonder opslagen of kortingen. Middelgrote werkgevers betalen in het derde jaar een premie die een gewogen gemiddelde is van de sectorale premie en het gemiddelde percentage.

Is sprake van de overgang van een onderneming, dan worden de loonsommen en de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen daarvan toegerekend aan de verkrijgende werkgever. De nieuwe formulering van het besluit stemt overeen met de tot 2018 feitelijk bestaande uitvoeringspraktijk. Het gewijzigde besluit treedt in werking op 1 januari 2020 en heeft directe werking voor werkgevers die korter dan twee jaar bestaan.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | Staatsblad 2019, 380 | 07-11-2019

Onderzoek naar vrijwillig eigen risico zorgverzekering

In antwoord op Kamervragen heeft de minister voor Medische Zorg en Sport gezegd dat het afschaffen van het vrijwillig eigen risico voor de zorgverzekering leidt tot een toename van de totale zorguitgaven met circa € 3 per volwassene. Afschaffing van het vrijwillig eigen risico leidt niet tot een lastendaling voor mensen zonder vrijwillig eigen risico, maar wel tot een lastenstijging voor mensen die nu een vrijwillig eigen risico hebben. Dat volgt uit een recent onderzoek van het Centraal Planbureau. Volgens dat onderzoek betalen mensen zonder vrijwillig eigen risico ongeveer € 3 per persoon mee aan de premiekorting voor mensen met een vrijwillig eigen risico.

Bron: Overig | publicatie | 1586300-195401-Z | 10-10-2019

Ziekmelding niet vereist voor toepassing no-riskpolis

De Belastingdienst stelt het gedifferentieerde premiepercentage Werkhervattingskas voor een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vast. Het premiepercentage wordt beïnvloed door de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die worden betaald aan arbeidsongeschikte werknemers van de werkgever. Uitkeringen aan arbeidsgehandicapte werknemers, op wie een no-riskpolis van toepassing is, beïnvloeden de hoogte van de premie niet. De werkgever, die een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst neemt, kan bij uitval van de werknemer wegens ziekte het doorbetaalde loon aan het UWV terugvragen met een beroep op de no-riskpolis. Een werknemer heeft gedurende vijf jaar na de beëindiging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering de status van arbeidsgehandicapte.

Een werkgever met een arbeidsgehandicapte werknemer heeft de werknemer na diens hernieuwde uitval niet ziek gemeld bij het UWV. De werkgever heeft het loon van de werknemer gedurende de wachttijd doorbetaald en geen beroep gedaan op de no-riskpolis. Het UWV heeft daardoor geen ziekengeld aan de werknemer betaald en heeft de loondoorbetaling ook niet aan de werkgever gecompenseerd. De aan de werknemer betaalde WGA-uitkering is naar het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden ten onrechte ten laste van de Werkhervattingskas gebracht.

De inspecteur had het standpunt ingenomen dat een uitkering alleen dan niet ten laste van de Werkhervattingskas komt als er een uitkering op basis van een no-riskpolis aan vooraf is gegaan. Dat standpunt is in strijd met de duidelijke wettekst.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL20197008, 18/00169 | 12-09-2019

Beoordeling premieplicht

In een A1-verklaring wordt aangegeven in welk land iemand is onderworpen aan de sociale verzekeringen. Een A1-verklaring wordt afgegeven door de bevoegde instantie. In Nederland is dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

Nadat eerdere A1-verklaringen door de SVB waren ingetrokken, besliste de SVB dat op de belanghebbende van 1 februari 2013 tot en met 30 april 2014 de Belgische socialeverzekeringswetgeving van toepassing was. De SVB heeft ten aanzien van januari 2013 geen besluit genomen. In een procedure voor Hof Den Bosch bepleitte de Belastingdienst dat het aan de belastingrechter is om een oordeel te vellen over de verzekerings- en premieplicht van de belanghebbende over januari 2013. Het hof is van oordeel dat er voor de belastingrechter geen plaats is om te beoordelen of de belanghebbende materieel premieplichtig was voor de volksverzekeringen over januari 2013.

Het hof vindt het onaanvaardbaar dat een in twee of meer lidstaten werkzame belanghebbende voor de beoordeling van zijn verzekerings- en premieplicht zowel de bestuursrechtelijke als de fiscaalrechtelijke kolom zou moeten doorlopen, terwijl een alleen in Nederland werkzame en wonende belanghebbende alleen de fiscale kolom moet doorlopen. De SVB is vanaf 4 januari 2013 tot en met 21 juni 2019 bezig geweest om te beoordelen hoe het zat met de verzekerings- en premieplicht van de belanghebbende voor het jaar 2013. In deze periode heeft de belanghebbende tweemaal bij de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de SVB inzake zijn verzekerings- en premieplicht in 2013 aan de orde moeten stellen. Het hof vindt het te ver gaan om dan alsnog als belastingrechter te beoordelen of de belanghebbende over januari 2013 premieplichtig was. Uit het ontbreken van een besluit over januari 2013 leidt het hof af dat de SVB in ieder geval niet heeft willen concluderen tot premieplicht in Nederland over januari 2013.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20193139, 16/03797bis | 05-09-2019

Kamervragen vervroegde AOW zware beroepen

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Kamervragen over een vervroegde ingang van de AOW-uitkering voor mensen met zwaar werk beantwoord. Al eerder in de discussie over verandering van het pensioenstelsel is geconcludeerd dat een generieke regeling voor zware beroepen niet is uit te werken. Er kan geen sluitende definitie geformuleerd worden van wat onder zware beroepen moet worden verstaan. Het principeakkoord over het pensioenstelsel geeft werkgevers en werknemers de ruimte om specifieke groepen werknemers de mogelijkheid te bieden om vervroegd uit te treden.

De minister ziet er niets in om de premieplicht voor de AOW te laten vervallen voor mensen met een zwaar beroep die eerder met pensioen zijn gegaan. Mensen, die in Nederland wonen of werken, zijn verzekerd voor de AOW tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Gedurende de verzekeringsperiode wordt AOW opgebouwd en AOW-premie betaald. Verzekering, opbouw en premieplicht zijn aan elkaar gekoppeld en stoppen bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Door een generieke vrijstelling van de AOW-premie bij vervroegd pensioen zou iemand nog wel verzekerd zijn en AOW opbouwen maar niet meer bijdragen aan de AOW. Dit past niet in een volksverzekering als de AOW.

Wel is in het principeakkoord afgesproken de mogelijkheid te onderzoeken om het moment van uittreden te koppelen aan het aantal dienstjaren. Dit onderzoek moet volgend jaar worden afgerond.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000105436 | 29-08-2019

Toepassing no-riskpolis

De verplichte loondoorbetaling gedurende de eerste 104 weken van arbeidsongeschiktheid geldt niet wanneer voor de werknemer een no-riskpolis is afgegeven. De no-riskpolis houdt in dat een werknemer recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet wanneer hij in de eerste vijf jaar van een nieuwe dienstbetrekking ziek wordt. De no-riskpolis geldt voor werknemers die vanuit een positie van arbeidsongeschiktheid aan het werk gaan. Met de invoering van de no-riskpolis in de Ziektewet heeft de wetgever onder meer beoogd om het aantrekkelijk te maken voor werkgevers om werknemers, die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn aan het einde van de wachttijd, in dienst te nemen. De no-riskpolis geldt voor deze groep werknemers wanneer zij binnen vijf jaar na het einde van de wachttijd in dienst treden bij een andere werkgever. De no-riskpolis geldt ook als de werknemer al voor het einde van de wachttijd een proeftijd heeft doorgebracht bij de werkgever, mits het dienstverband met die werkgever na het einde van de wachttijd wordt aangegaan.

Het UWV weigerde de afgifte van een no-riskpolis omdat tussen het einde van de wachttijd en de aanvang van de nieuwe dienstbetrekking een dag zou moeten liggen. De Centrale Raad van Beroep is van oordeel dat die eis in de wet niet wordt gesteld. Ook als de dienstbetrekking direct aansluitend op de wachttijd begint, is er recht op een no-riskpolis als is voldaan aan de overige voorwaarden.

Bron: Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLINLCRVB20192682, 17/3170 ZW | 22-08-2019

Toepasselijke wetgeving sociale zekerheid

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd over de toepassing van de socialezekerheidswetgeving. De vragen betroffen een inwoner van Letland met de Letse nationaliteit die in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever als zeevarende werkte aan boord van een schip onder de vlag van de Bahama’s. De werknemer verrichte zijn werkzaamheden aan boord van het schip buiten het grondgebied van de Europese Unie.

De Hoge Raad heeft deze vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie EU. Volgens het Hof van Justitie EU is in een dergelijke situatie de wetgeving van het woonland van de werknemer van toepassing. Door de aanwijzing van de Letse nationale wetgeving als toepasselijke wetgeving hoeft niet te worden onderzocht of deze wetgeving in deze situatie voorziet in aansluiting bij enig stelsel van sociale zekerheid. Met de beantwoording van de vragen kan de rechtbank de zaak nu verder afhandelen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20191201, 17/01041 | 08-08-2019

Kartelverbod zzp‘ers

Het is verboden voor ondernemingen om onderling prijsafspraken te maken. Het maken van prijsafspraken staat haaks op het streven naar betere concurrentie.

Voor zzp‘ers geldt dit zogenaamde kartelverbod niet meer. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) komt met een leidraad, een richtlijn voor tariefafspraken. Om zich te verzekeren van een minimuminkomen kunnen zzp'ers voortaan gezamenlijk afspraken maken.

Het kabinet voert per 2021 een wettelijk minimumtarief voor zzp’ers in van € 16 per uur. Tot die tijd zal de ACM geen boetes opleggen als zzp’ers afspraken maken om dit minimumtarief nu al te realiseren.

Doel van de maatregel is om de markt beter te laten werken. Markten werken volgens de ACM niet goed als zzp’ers door lage uurtarieven onder het bestaansminimum komen.

Bron: Overig | overig | 25-07-2019

Kamerbrief arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over zelfstandigen en verzekeringen bij arbeidsongeschiktheid. In het pensioenakkoord zijn afspraken gemaakt over de invoering van een wettelijke verzekeringsplicht voor het arbeidsongeschiktheidsrisico van zelfstandigen. De sociale partners zullen in overleg met zelfstandigenorganisaties een voorstel uitwerken dat zowel betaalbaar als toegankelijk is.

De minister is een onderzoek gestart naar de gevolgen van de verhoging van de AOW-leeftijd voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. In dat onderzoek wordt ook gekeken naar mogelijkheden voor oudere zelfstandigen in specifieke beroepen om zich te verzekeren als dit via private verzekeraars niet mogelijk is. Naar verwachting kan de minister de uitkomsten van dit onderzoek pas na de zomer aan de Kamer aanbieden.

De belangenorganisatie ZZP-Bouw heeft een alternatief ontwikkeld voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De zelfstandige betaalt maandelijks een vast bedrag en bij ziekte ontvangt hij maandelijks een vast bedrag gedurende een periode van maximaal twee jaar of vijf jaar. Dit alternatief werkt op een vergelijkbare manier als broodfondsen: beide werken met schenkingen, waardoor geen sprake is van een verzekering. Een ander alternatief is het Tulpenfonds. Dit is een verzekering die werkt met solidariteitsgroepen en een vaste premie. De verzekering heeft een uitkeringsduur van maximaal zeven jaar en vult het inkomen aan tot het wettelijk minimumloon.

Hoewel de minister de ontwikkeling van zulke initiatieven met belangstelling volgt, ziet hij geen aanleiding om deze producten financieel te steunen.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000090147 | 18-07-2019