All posts by jansen_kleton_claudia

Non-concurrentiebeding in tijdelijk contract

Een non-concurrentiebeding moet op straffe van nietigheid schriftelijk worden overeengekomen tussen werkgever en werknemer. Volgens het Burgerlijk Wetboek mag een non-concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd alleen worden opgenomen als er zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen voor zijn. Deze belangen en de motivering waarom die belangen het opnemen van een non-concurrentiebeding noodzakelijk maken moeten worden opgenomen in het beding. De werkgever moet per geval motiveren welke zwaarwegende belangen een concurrentiebeding vereisen. De motivering voor een non-concurrentiebeding kan zijn gelegen in specifieke kennis of bedrijfsinformatie die de werknemer opdoet in de functie.

Hof Den Bosch heeft onlangs geoordeeld dat de tekst van een non-concurrentiebeding, dat door een werkgever voor alle commerciële functies binnen zijn bedrijf werd gebruikt, niet voldeed aan de voorwaarde van een specifieke afweging en motivering per geval. Het was de werkgever daarom niet toegestaan om het non-concurrentiebeding op te nemen in arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Volgens het hof had de motivering van het concurrentiebeding specifieker toegesneden kunnen en moeten worden op de werkzaamheden die de betrokken werknemer feitelijk vervulde.

Omdat er geen rechtsgeldig non-concurrentiebeding tussen partijen was overeengekomen wees het hof de vordering van de werkgever tot nakoming daarvan af.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20191692, 200.248.942/01 | 15-05-2019

Te late aanvraag AOW-uitkering

Een AOW-uitkering moet worden aangevraagd. Volgens de wet kan de uitkering niet vroeger ingaan dan één jaar voor de dag waarop de aanvraag is ingediend. Wel kan de Sociale Verzekeringsbank in bijzondere gevallen hiervan afwijken. Er is sprake van een bijzonder geval:

  • als iemand door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen; of
  • als iemand onbekend was met zijn mogelijke recht op uitkering en deze onbekendheid verschoonbaar was.

De Sociale Verzekeringsbank maakt in een vastgesteld bijzonder geval alleen gebruik van de bevoegdheid om de uitkering met meer dan 12 maanden terugwerkende kracht toe te kennen als het netto inkomen van de betrokkene door het niet tijdig aanvragen van de uitkering onder de voor hem geldende minimumnorm is gedaald. De Sociale Verzekeringsbank hoeft betrokkenen niet te informeren over het belang van het tijdig aanvragen van een AOW-uitkering. Dat volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Volgens de Centrale Raad van Beroep is geen sprake van een bijzonder geval bij iemand die in het jaar waarin zij 65 jaar werd tweemaal een aanvraagformulier kreeg toegestuurd door de Sociale Verzekeringsbank, maar geen aanvraag indiende. Dat gebeurde pas acht jaar later. De Sociale Verzekeringsbank heeft er in 2007 op gewezen dat de betrokkene een aanvraag moest indienen alvorens een uitkering kon worden toegekend. De betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was tijdig een aanvraag in te (laten) dienen. Terecht is aan haar een uitkering met niet meer dan een jaar terugwerkende kracht toegekend.

Bron: Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLINLCRVB20191480, 167509 AOW | 08-05-2019

Test

De kantonrechter kan op verzoek van de werknemer diens arbeidsovereenkomst direct of op korte termijn ontbinden als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Tot die omstandigheden behoort een achterstand in de loonbetaling.

De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst van een werknemer wiens werkgever hem zeven maandsalarissen schuldig was. De werkgever moest ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rent over het achterstallige salaris betalen. Daarnaast veroordeelde de kantonrechter de werkgever tot het betalen van een transitievergoeding. Bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer is voor het recht op een transitievergoeding vereist dat de werkgever zicht schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Het niet betalen van loon is daar een voorbeeld van. Aan de voorwaarde dat het dienstverband 24 maanden of langer heeft geduurd, moet uiteraard ook zijn voldaan.

testtest

Bron: Overig | jurisprudentie | 04-05-2019

Directe ontbinding arbeidsovereenkomst

De kantonrechter kan op verzoek van de werknemer diens arbeidsovereenkomst direct of op korte termijn ontbinden als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Tot die omstandigheden behoort een achterstand in de loonbetaling.


De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst van een werknemer wiens werkgever hem door onregelmatige loonbetaling in totaal zeven maandsalarissen schuldig was. De werkgever moest ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het achterstallige salaris betalen. Daarnaast veroordeelde de kantonrechter de werkgever tot het betalen van een transitievergoeding. Bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer is voor het recht op een transitievergoeding vereist dat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Het niet betalen van loon is daar een voorbeeld van. Aan de voorwaarde dat het dienstverband 24 maanden of langer heeft geduurd, moet uiteraard ook zijn voldaan.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA20191632,7433163/18-50697 | 02-05-2019

Voortzetting arbeidsovereenkomst na bereiken AOW-leeftijd

Een arbeidsovereenkomst kan eindigen door het overlijden van de werknemer, op een overeengekomen tijdstip of na verloop van een zekere tijd of door opzegging.

Een cao bevatte de bepaling dat de arbeidsovereenkomst van een medewerker van rechtswege eindigt op de dag waarop de medewerker de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. De cao bepaalde dat een medewerker het verzoek kan doen om na de AOW-gerechtigde leeftijd door te werken. Volgens de cao kan de werkgever een dergelijk verzoek alleen afwijzen als het bedrijfsbelang zich tegen voortzetting van de arbeidsovereenkomst verzet. Een werknemer, wiens verzoek om na de AOW-gerechtigde leeftijd door te mogen werken was afgewezen, vorderde toelating tot het werk bij de kantonrechter. De werknemer wilde doorwerken tot het bereiken van de latere pensioengerechtigde leeftijd. De geschillencommissie van de werkgever had na de eerste afwijzing van het verzoek een positief advies gegeven om de arbeidsovereenkomst voort te zetten. De werkgever negeerde dat advies.

De kantonrechter wees de vordering om tot het werk toegelaten te worden toe. Bepalend daarvoor was dat uit de cao volgt dat een verzoek om na de AOW-gerechtigde leeftijd te mogen doorwerken in beginsel moet worden toegewezen. De werkgever had, zowel op grond van de geschillenregeling als op grond van het beginsel van goed werkgeverschap, moeten motiveren waarom het advies van de geschillencommissie niet werd gevolgd. Dat heeft de werkgever onvoldoende gedaan naar het oordeel van de kantonrechter. Het door de werkgever aangehaalde argument van verjonging van het personeelsbestand vond de kantonrechter niet plausibel om het doorwerken van één werknemer onmogelijk te achten. De werkgever moest de werknemer binnen zeven dagen na het vonnis toelaten om de werkzaamheden tot de pensioendatum te hervatten.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE20191602, 7518380 UV EXPL 19-26 SV/40160 | 01-05-2019

Transitievergoeding en ontbinding slapend dienstverband

Het Burgerlijk Wetboek geeft de werkgever de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst met een langdurig arbeidsongeschikte werknemer op te zeggen nadat de periode van verplichte loondoorbetaling is verstreken. Aan de mogelijkheid tot opzegging zijn voorwaarden verbonden. Aannemelijk moet zijn dat binnen 26 weken geen herstel zal optreden en dat binnen die periode de bedongen arbeid ook niet in aangepaste vorm kan worden verricht. Er is geen wettelijke verplichting voor de werkgever om een zogenaamd slapend dienstverband op te zeggen. Een belangrijke reden voor werkgevers om geen gebruik te maken van de bevoegdheid tot opzegging van een slapend dienstverband is de verplichting om een transitievergoeding aan de werknemer te betalen.

De vordering van een werknemer met een slapend dienstverband tot ontbinding met toekenning van een transitievergoeding is door de kantonrechter afgewezen. De kantonrechter wees erop dat de werkgever niet verplicht is om de arbeidsovereenkomst na de loondoorbetalingsperiode op te zeggen. Ook is de werknemer met een slapend dienstverband niet gedwongen om in dienst van zijn werkgever te blijven, omdat hij zelf de arbeidsovereenkomst kan opzeggen. De werknemer doet dat in het algemeen niet omdat hij dan geen recht heeft op een transitievergoeding.

De kantonrechter ziet in de per 1 april 2020 in werking tredende Wet Compensatie Transitievergoeding (WCT) geen aanleiding om werkgevers te verplichten om slapende dienstverbanden te beëindigen. De WCT voert een dergelijke verplichting niet in. Ook na de invoering van de WCT houdt de werkgever een belang bij de instandhouding van een slapend dienstverband, omdat de werkgever niet volledig zal worden gecompenseerd voor de betaalde transitievergoeding en deze compensatie zal worden betaald uit het Algemeen werkloosheidsfonds. Dit fonds wordt gefinancierd uit werkgeverspremies.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBLIM20193211, 7573438 AZ VERZ 19-30 | 01-05-2019

Kamerbrief bouwstenen nieuw belastingstelsel

In een uitgebreide brief informeert de staatssecretaris van Financiën de Tweede Kamer over het proces om de zogenaamde bouwstenen en voorstellen voor verbeteringen en vereenvoudigingen van het belastingstelsel te verzamelen. De brief gaat vooral over lopende en nog te starten onderzoeken. In de binnenkort te verwachten Fiscale beleidsagenda 2019 zal de staatssecretaris aandacht besteden aan mogelijkheden om het belastingstelsel nog in deze kabinetsperiode te vereenvoudigen. Voor de bouwstenen put de staatssecretaris uit de onderzoeksrapporten van de commissies Van Weeghel, Van Dijkhuizen en de Studiegroep Duurzame Groei. Op dit moment lopen onderzoeken naar de regulering van werk, naar toeslagen en een evaluatie van de eigen woningregeling. Later dit jaar wordt gestart met zes nieuwe onderzoeken. Het betreft:

  • een toekomstbestendige belastingmix,
  • het belasten van inkomsten uit digitale platforms,
  • het belasten van kapitaalinkomsten van aanmerkelijkbelanghouders,
  • de toekomst van de vennootschapsbelasting,
  • milieubelastingen en grondslagerosie,
  • vereenvoudiging vanuit het perspectief van de uitvoering.

De staatssecretaris wil begin 2020 de bouwstenen voor een nieuw belastingstelsel kunnen presenteren, waarna de politiek de keuzes maakt om het stelsel vorm te geven.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2019-0000062470 | 24-04-2019

Beëindiging slapende dienstverbanden

De kantonrechter Limburg heeft prejudiciële vragen voorgelegd aan de Hoge Raad over de beëindiging van slapende dienstverbanden. Wanneer een werknemer na twee jaar wegens arbeidsongeschiktheid niet te hebben gewerkt recht krijgt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, eindigt het dienstverband niet. Door de invoering van de transitievergoeding is er voor werkgevers een belemmering gekomen om een slapend dienstverband te beëindigen. Wanneer de werknemer zelf het slapende dienstverband opzegt, heeft hij geen recht op een transitievergoeding. Vanaf 1 april 2020 kunnen werkgevers een verzoek indienen bij het UWV tot vergoeding van de transitievergoeding die zij hebben betaald bij de beëindiging van een slapend dienstverband.

In het arrest Stoof/Mammoet uit 2008 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een werknemer verplicht kan zijn om een voorstel van de werkgever tot wijziging van de arbeidsovereenkomst te aanvaarden in verband met gewijzigde omstandigheden op het werk. Een van de vragen is nu of dit arrest ook geldt in de spiegelbeeldige situatie waarin de werknemer in verband met gewijzigde omstandigheden een wijzigingsvoorstel doet aan de werkgever. Wanneer deze vraag bevestigend beantwoord wordt, is de vraag of het ook kan gaan om een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. De vervolgvraag is of de combinatie van langdurige arbeidsongeschiktheid en de verwachting dat binnen 26 weken geen herstel zal optreden een gewijzigde omstandigheid opleveren, die voor de werknemer aanleiding kan zijn om een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te doen, welk voorstel de werkgever moet accepteren.
De laatste vraag die de kantonrechter in dit verband heeft voorgelegd aan de Hoge Raad is of de werkgever dan een transitievergoeding moet betalen ter hoogte van het bedrag dat hij kan claimen bij het UWV.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBLIM20193331, 7567109 \ CV EXPL 19-1150 | 17-04-2019

Premiedeel heffingskorting naar tijdsgelang

De algemene heffingskorting bevat een inkomstenbelasting- en een premiecomponent. De verschuldigde premie voor de volksverzekeringen wordt verminderd met de voor de premieplichtige toepasselijke heffingskorting. De premieplicht eindigt bij vertrek uit Nederland. Het premiedeel van de heffingskorting wordt in het jaar van vertrek uit Nederland naar tijdsgelang van de periode van premieplicht berekend. Wie niet premieplichtig is, heeft geen recht op het premiedeel van de heffingskorting.

Het Hof van Justitie EU heeft op vragen van de Hoge Raad geantwoord dat de toekenning naar tijdsgelang niet in strijd is met het Europese recht. De vragen werden gesteld in de procedure van een Poolse vrouw die in het eerste halfjaar van 2013 in Nederland woonde en werkte. Daarna vertrok zij naar Polen. In de rest van het jaar 2013 heeft de vrouw geen betaalde arbeid verricht.

De Hoge Raad wilde weten of een werknemer die zijn volledige jaarinkomen heeft verworven in een land waar hij niet meer woont, niet recht zou moeten hebben op het volledige premiedeel van de heffingskorting ondanks het einde van de verzekeringsplicht in de loop van het jaar. Dat is dus niet het geval. Na beantwoording van de vragen door het Hof van Justitie EU heeft de Hoge Raad de zaak afgedaan. De klacht van de Poolse vrouw, dat de algemene heffingskorting aan haar moet worden toegekend zonder toepassing van de tijdsevenredige vermindering van het premiedeel, is ongegrond verklaard.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2019588, Nr. 15/04545bis | 17-04-2019

Overzicht moties en toezeggingen Tweede Kamer

De staatssecretaris van Financiën heeft de Tweede Kamer een overzicht gestuurd van de status van diverse moties en toezeggingen op fiscaal terrein. Onderstaand volgt een selectie uit dit overzicht.

Letselschadevergoedingen

De Tweede Kamer heeft gevraagd om te onderzoeken of het mogelijk is letselschadevergoedingen uit te zonderen van de belastingheffing in box 3. Onderzocht wordt of er gegevens over de omvang van en het aantal letselschadevergoedingen voor handen zijn en of het mogelijk is om deze gegevens te relateren aan het box 3-vermogen. De staatssecretaris wil de Kamer hierover voor het zomerreces informeren.

Inkeerregeling

De staatssecretaris heeft toegezegd in te gaan op de vraag hoe bij belastingplichtigen, die een fout in hun aangifte hebben gemaakt, de vrees voor beboeting kan worden weggenomen. Voor het opleggen van een vergrijpboete is grove schuld of opzet van de belastingplichtige een vereiste. Aan dat vereiste is bij een oprechte fout niet voldaan. Het heeft dus geen toegevoegde waarde om wettelijk te bepalen dat een oprechte fout niet tot een vergrijpboete leidt. De staatssecretaris ziet andere manieren om iets te doen aan de vrees voor beboeting bij een oprechte fout, zoals goede voorlichting. De Belastingdienst gaat dat verzorgen, bijvoorbeeld op de website of tijdens de jaarlijkse aangiftecampagne.

Studietoelage fonds werkgevers

Op dit moment worden de mogelijkheden die er zijn om een studietoelage te verstrekken aan studerende kinderen van werknemers onderzocht en uitgewerkt. Deze zullen in de eerstvolgende versie van het Handboek Loonheffingen 2019 worden opgenomen

Onderzoek naar gerichte aanpassing van het vastgoed-fbi-regime

Er loopt een onderzoek naar een gerichte aanpassing van het vastgoed-fbi-regime. Op Prinsjesdag 2019 zal de staatssecretaris de uitkomst van het onderzoek aan de Tweede Kamer meedelen.

Fiscale aftrekbaarheid dwangsommen

De staatssecretaris laat onderzoek doen naar een fiscaal aftrekverbod voor bestuursrechtelijke dwangsommen. Uiterlijk op Prinsjesdag 2019 wordt de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek geïnformeerd. Mogelijk wordt een aftrekverbod op bestuursrechtelijke dwangsommen meegenomen in het Belastingplan 2020.

Belastingrente Vpb-aangifte

Een belastingplichtige die tijdig en correct zijn aangifte vennootschapsbelasting heeft ingediend kan toch met belastingrente worden geconfronteerd. Dat kan zich voordoen als de aangifte na 1 april maar voor 1 juni wordt ingediend. De staatssecretaris wil dit veranderen, op voorwaarde dat voor de ontvangstenderving elders dekking wordt gevonden worden en de regeling uitvoerbaar is. Op dit moment worden de uitvoeringsgevolgen onderzocht en wordt gewerkt aan de definitieve raming.

Onderzoek toepassing culturele btw-vrijstelling voor denksporten

Bij de behandeling van het Belastingplan 2019 is toegezegd dat de btw-vrijstelling voor denksporten voorlopig blijft gelden. Het onderzoek naar toepassing van de vrijstelling is gaande en wordt naar verwachting in het tweede kwartaal van dit jaar afgerond.

Verduurzaming

De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen waarin wordt verzocht om zonnepanelen standaard buiten de grondslag van de onroerendezaakbelasting te houden en om te onderzoeken hoe voorkomen kan worden dat vormen van verduurzaming in de toekomst ontmoedigd worden door hogere lokale lasten. Omdat de Gemeentewet op het beleidsterrein ligt van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, heeft de staatssecretaris dit verzoek overgedragen.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2019-0000057531 | 10-04-2019