De Europese Commissie heeft de regeling Klein Krediet Corona (KKC) goedgekeurd. De KKC is bedoeld voor ondernemers in het micro-, midden- en kleinbedrijf en voorziet in een garantie van 95% voor leningen van € 10.000 tot €50.000. De regeling is op 29 mei 2020 opengesteld. Leningen die vanaf 7 mei 2020 zijn verstrekt en voldoen aan de voorwaarden van de regeling kunnen worden geherfinancierd tegen de voorwaarden van de KKC. KKC-leningen hebben een maximale looptijd van vijf jaar. Financiers mogen maximaal 4% van het kredietbedrag in rekening brengen. Voor de garantie betalen ondernemers een eenmalige vergoeding van 2% aan de staat. De regeling staat open voor ondernemers met een omzet vanaf € 50.000, die voor de coronacrisis voldoende winstgevend waren en voldoende terugbetaalcapaciteit hebben.
All posts by jansen_kleton_claudia
Uitleg aanpassingen in noodpakket 2.0
De ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Financiën en Economische Zaken en Klimaat hebben in een gezamenlijke brief aan de Tweede Kamer een toelichting gegeven op de wijzigingen in de maatregelen van het noodpakket 2.0.
NOW
Het subsidietijdvak van de NOW 2.0 loopt van juni tot en met september 2020. Dat betekent dat de omzet over deze vier maanden minimaal 20% lager moet zijn dan een derde van de jaaromzet van 2019. Het tijdvak voor de omzetdaling sluit aan bij het tijdvak in de eerste tranche. Voor nieuwe aanvragers kan dit tijdvak starten op 1 juni, 1 juli of 1 augustus. Het UWV keert een voorschot op de NOW uit in twee termijnen. Een bedrijf of groep mag bij een beroep op de NOW geen dividend of bonussen uitkeren of eigen aandelen inkopen over 2020.
De werkgever committeert zich bij de aanvraag van de NOW om geen ontslag om bedrijfseconomische redenen aan te vragen voor zijn werknemers gedurende de subsidieperiode. Anders dan in de eerste tranche van de NOW bevat de regeling van de tweede tranche geen boete indien toch ontslag om bedrijfseconomische redenen wordt gevraagd. Alleen bij ontslagaanvragen voor 20 of meer werknemers zal een korting van 5% van de uiteindelijke NOW-subsidie worden toegepast, tenzij er een akkoord over de ontslagaanvraag is met de vakbonden of een vertegenwoordiging van werknemers of indien er om mediation is gevraagd bij de Stichting van de Arbeid.
Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB
De Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB zal lopen tot 1 oktober. Het maximumbedrag van deze regeling per ondernemer zal € 50.000 bedragen. De regeling moet nog worden uitgewerkt. In het debat over het noodpakket 2.0 op 28 mei 2020 heeft het kabinet toegezegd te zullen kijken naar de verrekening met de NOW-regeling. Volgens de ministers zal deze toezegging niet tot gevolg hebben dat de NOW-regeling wordt aangepast.
Fiscale maatregelen
De regeling voor uitstel van betaling van belastingaanslagen is verlengd tot 1 oktober 2020. De uitstelperiode blijft drie maanden met de mogelijkheid tot langer uitstel op verzoek. Uitstel voor langer dan drie maanden zou aanvankelijk niet eerder dan per 1 september 2020 worden ingetrokken. Met de verlenging van de maatregelen wordt ook deze datum opgeschoven naar 1 oktober. Ook de overige fiscale maatregelen zijn verlengd tot 1 oktober 2020.
Dringende reden voor ontslag op staande voet niet bewezen
Ontslag op staande voet vereist een dringende reden, die het de werkgever onmogelijk maakt om de dienstbetrekking met een werknemer te laten voortbestaan. Het ontslag en de dringende reden moeten de werknemer onverwijld worden meegedeeld. Ontslag op staande voet is een eenzijdige rechtshandeling, die slechts met toestemming van de werknemer kan worden ingetrokken. De werkgever kan daar dus niet zonder meer op terugkomen.
Een op staande voet ontslagen werknemer bestreed bij de kantonrechter het hem gegeven ontslag. Volgens de werknemer ontbrak de dringende reden. De werkgever had het ontslag gegeven wegens vermeend drugsgebruik van de werknemer maar bewijs daarvoor ontbrak. Om die reden deelde de werkgever tijdens de procedure mee dat hij het ontslag op staande voet introk. De werknemer heeft voor die intrekking geen toestemming gegeven. Omdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was aangegaan en korte tijd later zou aflopen, verklaarde de werkgever zich bereid om het loon van de werknemer over de resterende periode te betalen. De kantonrechter wees de vorderingen van de werknemer tot betaling van een billijke vergoeding en van de gefixeerde schadevergoeding af. De kantonrechter baseerde deze afwijzing op de intrekking van het verzoek om vernietiging van de opzegging van de dienstbetrekking van de werknemer.
In hoger beroep oordeelde Hof Den Bosch anders dan de kantonrechter. Wegens het ontbreken van bewijs voor de dringende reden was het ontslag op staande voet ten onrechte gegeven. De werkgever was de gefixeerde schadevergoeding, een bedrag gelijk aan het salaris van de werknemer over de periode van de datum van ontslag tot de datum waarop de dienstbetrekking is geëindigd, verschuldigd aan de werknemer.
Het hof wees ook de billijke vergoeding toe, zij het tot een lager bedrag dan de werknemer had gevorderd. De werknemer had gevraagd om € 10.000. Het hof vond een vergoeding van € 2.000 billijk, gezien het feit dat de werknemer inmiddels een andere baan had. Door het ontslag heeft de werknemer geen inkomensschade geleden. Het hof baseerde de hoogte van de vergoeding met name op het ontslag op staande voet wegens niet bewezen drugsgebruik. Daarmee heeft de werkgever ernstig verwijtbaar gehandeld. De werkgever heeft dit ontslag willen intrekken, maar heeft de werknemer geen financiële tegemoetkoming gegeven.
Uitleg bonusregeling
Bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst wordt de Haviltexnorm toegepast. Deze norm houdt in dat het aankomt op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard, wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mochten afleiden en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
In de rechtspraak is daarnaast de CAO-norm ontwikkeld. Aanvankelijk werd deze toegepast bij de uitleg van bepalingen in CAO’s. In de loop van de tijd is de reikwijdte van deze norm uitgebreid naar andere regelingen, zoals een sociaal plan en een pensioenreglement. De norm houdt in dat de bewoording van de betreffende bepaling, gelezen in het licht van de tekst waarin de bepaling staat, doorslaggevend is. De CAO-norm is bedoeld om derden te beschermen tegen een uitleg waarbij betekenis wordt toegekend aan de voor derden niet kenbare partijbedoeling. De Hoge Raad heeft bepaald dat tussen de Haviltexnorm en de CAO-norm geen tegenstelling bestaat maar een glijdende schaal: naarmate een overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie van derden te beïnvloeden, wint een uitleg van de tekst naar objectieve maatstaven aan belang.
De arbeidsovereenkomsten van een werkgever omvatten onder meer een bonusregeling. Deze bonusregeling was uitgewerkt in het handboek arbeidsvoorwaarden van de werkgever. Volgens het handboek is de bonus gekoppeld aan de jaarlijkse individuele beoordeling van een werknemer en aan het resultaat van de onderneming. De vraag in een procedure voor de kantonrechter was of de bonusregeling inhield dat werknemers ook bij een negatief resultaat recht hadden op een bonus indien hun individuele beoordeling voldoende was.
De kantonrechter nam bij de uitleg van de bonusregeling de CAO-norm als uitgangspunt vanwege de bedrijfsbrede toepassing van de regeling. Omdat de bonusregeling anders tot stand was gekomen dan een CAO zag de kantonrechter aanleiding om, in afwijking van de CAO-norm, ook de bedoeling van de ondernemingsraad en de werkgever te betrekken bij de uitleg. Strikt taalkundig zou ook bij een negatief resultaat een bonus van toepassing kunnen zijn, omdat dit niet uitdrukkelijk was uitgesloten in de tekst van de bonusbepaling. Naar het oordeel van de kantonrechter ligt het meer voor de hand dat er alleen een bonus wordt uitgekeerd bij een positief resultaat. Een bonus is immers een extra beloning voor prestaties die hebben bijgedragen aan een positief resultaat. Het uitkeren van een bonus bij een negatief resultaat zou de continuïteit van de onderneming in gevaar kunnen brengen. Volgens de kantonrechter kunnen daar afwijkende afspraken over worden gemaakt, maar het ligt voor de hand om dat dan expliciet vast te leggen. Bij de uitleg van de kantonrechter speelde mee dat in de oude bonusregeling van de werkgever het bonusbudget afhankelijk was van de netto winst. Indien er een bonusbudget beschikbaar was, werd de verdeling daarvan gerelateerd aan het beoordelingsniveau van een medewerker. Volgens de werkgever was de huidige bonusregeling een voortzetting van een eerdere bonusregeling en was alleen bedoeld de systematiek te vereenvoudigen. In de uitleg van de bonusregeling die de werkgever bij de invoering daarvan naar het personeel heeft gestuurd, was niets vermeld over een verruiming in die zin dat voortaan ook een bonus zou worden uitgekeerd bij een negatief resultaat. De kantonrechter vond niet aannemelijk dat het de bedoeling van de werkgever was om ook bij een negatief resultaat een bonus uit te keren.
Terugbetalingsverplichting studiekosten
In het Haviltexarrest uit 1981 heeft de Hoge Raad normen geformuleerd op de uitleg van een beding in een schriftelijk contract. Volgens de Haviltexnorm volstaat een zuiver taalkundige uitleg van het beding niet. Het komt aan op wat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan dit beding mochten toekennen en op wat ze redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval en met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
In een procedure voor Hof Den Bosch bestond een geschil over een studiekostenbeding in een arbeidsovereenkomst. Een van de vragen was of de werkgever op grond van dit beding ook de kosten terug kon vorderen die hij aan een eerdere werkgever had vergoed bij de indiensttreding van de werknemer. Volgens de studiekostenbepaling vergoedde de werkgever 100% van alle studiekosten van de opleiding van de werknemer. De terugbetalingsregeling betrof de door de werkgever in verband met de studie van de werknemer gedragen kosten. Op basis van een zuiver taalkundige uitleg vielen ook de aan de vroegere werkgever betaalde kosten onder de terugbetalingsregeling.
Bij de uitleg van het beding betrok het hof de omstandigheid dat de terugbetaling van studiekosten aan de vroegere werkgever kennelijk een belemmering opwierp voor de indiensttreding bij huidige werkgever. Partijen hebben in dat verband gesproken over de schuldoverneming door de nieuwe werkgever van de door de oude werkgever betaalde studiekosten, maar niet over de terugbetaling daarvan door de werknemer aan de nieuwe werkgever.
In het door de nieuwe werkgever gedane voorstel voor de indiensttreding bij hem stond dat de door de oude werkgever op de werknemer verhaalde studiekosten door de nieuwe werkgever zouden worden vergoed. Daaruit blijkt dat ook die kosten in dat voorstel moesten worden terugbetaald door de werknemer. De aan de oude werkgever betaalde opleidingskosten vormden het merendeel van de studiekosten van de werknemer Volgens het hof zou het niet logisch zijn dat de nieuwe werkgever een groot gedeelte van de studiekosten voor zijn rekening zou nemen zonder dat daarvoor een terugbetalingsregeling zou gelden. Het hof vond het evenmin logisch dat de terugbetalingsregeling uitsluitend betrekking zou hebben op de na indiensttreding nog te verwachten examen- en reiskosten.
Tijdelijk nultarief op mondkapjes
De eerder toegezegde toepassing van het nultarief voor de omzetbelasting op de verkoop van mondkapjes is vastgelegd in een wijziging van het Besluit noodmaatregelen coronacrisis. De maatregel geldt met ingang van 25 mei tot 1 september 2020 en houdt verband met de invoering van de verplichting om vanaf 1 juni een mondkapje te dragen in het openbaar vervoer. Toepassing van het nultarief betekent dat de verkoper het recht op aftrek van voorbelasting behoudt. Het nultarief geldt zowel voor medische als voor niet-medische mondkapjes.
Verzamelspoedwet Covid-19
De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel Verzamelspoedwet Covid-19 aangenomen. In het wetsvoorstel zijn meerdere onderwerpen opgenomen. Alle onderwerpen houden verband met de bestrijding van de coronacrisis. Het wetsvoorstel bevat onder meer een wijziging van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen en de Invorderingswet. De wijziging maakt het mogelijk dat de percentages van de belasting- en invorderingsrente in het vervolg bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden gewijzigd. Nu moet dat nog door middel van een wetswijziging gebeuren. De systematiek van de regeling van de belasting- en invorderingsrente blijft ongewijzigd. Er blijft worden aangesloten bij de wijze waarop de wettelijke rente voor handelstransacties en niet-handelstransacties wordt vastgesteld.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel is gevraagd waarom de verlaging van de belastingrente niet eerder mogelijk is dan per 1 juni voor de overige belastingmiddelen en per 1 juli voor de inkomstenbelasting. De reden voor de verschillende inwerkingtredingsmomenten is dat het aanpassen van de rentemodule voor de overige belastingmiddelen twee maanden kost en het aanpassen van de rentemodule voor de inkomstenbelasting drie maanden. Eerder dan 1 juni respectievelijk 1 juli was niet haalbaar. Daarnaast is gevraagd waarom het wel mogelijk is het percentage van de invorderingsrente te differentiëren terwijl dit niet kan met het percentage voor de belastingrente. Dat ligt aan de automatisering. De geautomatiseerde systemen kunnen geen tariefonderscheid maken tussen in rekening te brengen belastingrente en te vergoeden belastingrente.
Na afloop van de tijdelijke verlaging in verband met de COVID 19-crisis gaat de belastingrente terug naar de oorspronkelijke percentages van 8 voor de vennootschapsbelasting en 4 voor alle andere belastingen. Ook de invorderingsrente gaat na de tijdelijke verlaging weer terug naar 4%. De verlaging van de belasting- en de invorderingsrente geldt in beginsel tot 1 oktober 2020.
Derde wijziging eerste tranche NOW
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft enkele aanpassingen in de NOW-regeling aangebracht. Deze wijzigingen moeten ertoe leiden dat meer bedrijven een beroep op de regeling kunnen doen. De wijzigingen betreffen de eerste tranche van de NOW.
Seizoensbedrijven
Gericht op seizoensbedrijven wordt in de NOW een alternatieve rekenmethode voor de subsidiehoogte opgenomen. Als de loonsom van maart tot en met mei 2020 hoger is dan driemaal de loonsom van januari kan met de stijging van de loonsom rekening worden gehouden bij de vaststelling van de subsidie. De hoogte van de loonsom in de maanden april en mei wordt gemaximeerd op het niveau van maart.
Overgang van onderneming
De afwijking voor startende ondernemingen van de standaardregel voor de omzetbepaling kan ook worden toegepast op ondernemingen die een andere onderneming hebben overgenomen. Bij ondernemingen die (een deel van) een andere onderneming hebben overgenomen kan voor de omzetvergelijking de omzet over de periode vanaf de eerste kalendermaand na de dag van overgang tot en met 29 februari 2020 worden genomen, omgerekend naar een periode van drie maanden. De overname moet minimaal een kalendermaand voor 29 februari 2020 liggen om een relevante refertemaand over te houden. De loonsombepaling voor seizoensbedrijven kan ook worden toegepast bij een onderneming die een andere onderneming heeft overgenomen en daardoor in januari geen representatieve loonsom heeft.
Dertiende maand
In de eerste tranche van de NOW wordt de subsidie gebaseerd op een loonsom met januari als referentiemaand. Wanneer de werkgever in januari een dertiende maand heeft uitgekeerd, vertekent dat de representativiteit van de referentiemaand. Daarom worden dertiende maanden uit de loonsommen verwijderd door het UWV bij de vaststelling van de subsidie.
Aanvraagtijdvak
Het aanvraagtijdvak voor de eerste tranche van de NOW is verlengd tot en met 5 juni 2020. Ook werkgevers die meenden eerder geen recht te hebben op een tegemoetkoming op grond van de NOW hebben hierdoor voldoende tijd om alsnog een aanvraag in te dienen.
Accountantsverklaring
Voor de NOW wordt een accountantsverklaring verplicht gesteld voor bedrijven die een voorschot (80% van het verleende subsidiebedrag) hebben ontvangen van € 100.000 of meer. Ook bij een vast te stellen subsidie van € 125.000 of meer is een accountantsverklaring vereist. Ondernemingen die een voorschot van minder dan € 100.000 hebben ontvangen zijn zelf verantwoordelijk om in te schatten of de subsidie op € 125.000 of meer wordt vastgesteld en dus een accountantsverklaring nodig is.
Bij een verzoek om vaststelling van een subsidie met een voorschot boven € 20.000 of een subsidie boven € 25.000 is een verklaring van een derde vereist die de omzetdaling bevestigt. Dit kan een verklaring zijn van een administratiekantoor, een financieel dienstverlener of een brancheorganisatie.
Aanvraag vaststelling subsidie
Vaststelling van de eerste tranche van de subsidie kan worden aangevraagd vanaf 7 september. Indien er voor beide tijdvakken een NOW-aanvraag is of wordt ingediend, kan vaststelling pas aangevraagd worden na afloop van het tweede tijdvak. Voor die aanvragen om vaststelling waarvoor een accountantsverklaring vereist is, wordt de aanvraagtermijn verruimd van 24 naar 38 weken.
Tijdelijke beperking maximale kredietvergoeding
In Nederland is de totale kredietvergoeding (rente en kosten) voor consumptief krediet aan een maximum gebonden. De maximale kredietvergoeding op jaarbasis is gelijk aan de wettelijke rente met een opslag van 12 procentpunten. Er mogen geen aanvullende kosten worden berekend. De wettelijke rente bedraagt momenteel 2%. De maximale kredietvergoeding bedraagt derhalve op jaarbasis 14%. Dit maximum geldt voor alle soorten consumptief krediet, zoals rood staan, sociale kredieten van gemeentelijke kredietbanken, gespreid betalen met een creditcard of een persoonlijke lening.
De minister van Financiën heeft bekend gemaakt dat de opslag voor de maximale kredietvergoeding tijdelijk wordt verlaagd naar 8 procentpunten. De maximale kredietvergoeding komt daarmee tijdelijk uit op 10%. De verlaging geldt in ieder geval tot het einde van het jaar. De minister laat onderzoek doen naar een mogelijke structurele verlaging van de kredietvergoeding. Daarbij zal worden bezien of een differentiatie van de maximale vergoeding op basis van bijvoorbeeld de kredietvorm, de looptijd van het krediet of het kredietbedrag wenselijk is.
Overzicht verwachte maatregelen Belastingplan 2021
Op verzoek van de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer hebben de staatssecretarissen van Financiën een overzicht gegeven van de maatregelen en wetsvoorstellen die zullen worden opgenomen in het pakket Belastingplan 2021. Het betreft onder meer:
- het verhogen van het effectieve tarief voor de innovatiebox van 7 naar 9%;
- het aanscherpen van de renteaftrekbeperking om belastingontwijking in specifieke gevallen te voorkomen;
- aanpassing van het heffingsmoment bij aandelenoptierechten voor startups;
- aanpassing van de korting op de bijtelling voor zonnecelauto's;
- reparatie van een onbeoogde wijziging van het eigenwoningforfait bij uitzending;
- verduidelijking van de regeling kleinschaligheidsinvesteringsaftrek;
- vervroegen van het belastbaar feit in de bpm van moment van tenaamstelling naar moment van inschrijving;
- aanpassing van de schijfgrenzen en tarieven in de bpm voor 2021 tot en met 2025;
- aanpassing van de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad;
- vrijstelling van de tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS);
- fiscale coronareserve in de vennootschapsbelasting;
- de tijdelijke verhoging van de vrije ruimte in de werkkostenregeling.
Het pakket Belastingplan 2021 zal zoals gebruikelijk uit meerdere wetsvoorstellen bestaan. Naast de wetsvoorstellen Belastingplan 2021 en Overige fiscale maatregelen 2021 wordt een wetsvoorstel opgesteld voor een verbeterd toeslagenstelsel. Daarnaast worden diverse fiscale coronamaatregelen in een wetsvoorstel bij het pakket Belastingplan 2021 opgenomen. Tot slot is het streven om het wetsvoorstel CO2-heffing industrie op te nemen in het Belastingplan 2021.
