All posts by jansen_kleton_claudia

Kamervragen Belastingplan 2021

De vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën gevraagd om aan te geven welke maatregelen in het pakket Belastingplan 2021 zullen worden opgenomen. De commissie wil weten of het kabinet mogelijkheden ziet om deze maatregelen in aparte wetsvoorstellen op te nemen. Daarnaast vraagt de commissie of het mogelijk is om het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2021 en enkele andere wetsvoorstellen eerder in te dienen dan in de maand juli van dit jaar.

De staatssecretaris is voornemens om het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2021 al in april in te dienen. Het wetsvoorstel ter beperking van de liquidatie- en stakingsverliesregeling in de vennootschapsbelasting zal uiterlijk in juli worden ingediend. Wanneer het wetsvoorstel gegevensverwerking Belastingdienst kan worden ingediend is nog onzeker. De staatssecretaris wil dit wetsvoorstel voor de zomer voor internetconsultatie publiceren. In september wordt het wetsvoorstel CO2-heffing voor de industrie ingediend.

Het streven is om het Belastingplan zo veel mogelijk in omvang te beperken. In verband met de motie over aanpassing van het toeslagenstelsel zal het komende Belastingplan de eerste verbeteringen daarvan bevatten. De fiscale maatregelen in het Belastingplan vloeien voort uit het regeerakkoord, besluitvorming over de begroting en/of jurisprudentie. Het betreft maatregelen die per januari in werking moeten treden of op dat moment voor de uitvoering door de Belastingdienst bekend moeten zijn. Een van de maatregelen zal zijn de vorig jaar op Prinsjesdag aangekondigde verhoging van het tarief in de innovatiebox.

Bron: Ministerie van Financiƫn | publicatie | 2020-0000003280 | 27-02-2020

Relatiebeding verbiedt indiensttreding bij concurrent werkgever niet

De arbeidsovereenkomst van een werknemer bevatte een concurrentie- en een relatiebeding. Op grond van het concurrentiebeding was het de werknemer verboden om tot een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst binnen een straal van 40 kilometer van de vestigingsplaats van de werkgever concurrerende activiteiten te verrichten. Het relatiebeding verbood de werknemer om binnen een tijdvak van een jaar na de beëindiging van het dienstverband zaken te doen met of activiteiten te ontplooien voor relaties van de werkgever. Daaronder werden uitdrukkelijk medewerkers en ex-medewerkers van de werkgever begrepen.

Na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ging de werknemer aan de slag bij een nieuw opgerichte concurrent van de oude werkgever. De concurrent was gevestigd op minder dan 40 km van de vestigingsplaats van de werkgever. Bij de nieuwe werkgever trad ook een andere ex-werknemer van de oude werkgever in dienst. De ex-werkgever beriep zich op het concurrentie- en het relatiebeding. De kantonrechter beperkte het geografische bereik van het concurrentiebeding tot een straal van 25 kilometer vanaf het centrum van de vestigingsplaats van de werkgever en verklaarde voor recht dat het de werknemer was toegestaan om bij de nieuwe werkgever werkzaam te zijn.

In hoger beroep voerde de werkgever aan dat de werknemer vanwege het overeengekomen relatiebeding niet in dienst mocht treden bij de nieuwe werkgever. De werkgever meende dat het de werknemer verboden was om gedurende één jaar na uitdiensttreding op welke wijze dan ook met oud-collega’s samen te werken. Dat hield in dat hij niet bij de nieuwe werkgever in dienst mocht treden omdat daar een oud-collega werkzaam was.

Hof Den Bosch overwoog dat een relatiebeding in het algemeen een andere strekking heeft dan een concurrentiebeding. Een relatiebeding is een variant van het concurrentiebeding en verbiedt de werknemer om met relaties of ex-relaties van de werkgever zaken te doen. Gelet op de tekst van het relatiebeding en de omstandigheid dat een specifiek concurrentiebeding was overeengekomen, kon het hof niet inzien waarom de werknemer ervan moest uitgaan dat hij vanwege het relatiebeding niet in dienst mocht treden bij de nieuwe werkgever omdat daar een oud-collega werkzaam was of werd.

De werkgever bestreed de door de kantonrechter aangebrachte geografische beperking van het concurrentiebeding. Het hof vond die klachten terecht. Het concurrentiebeding beperkte het recht op vrijheid van arbeidskeuze niet zo ingrijpend dat de werknemer daardoor onbillijk werd benadeeld. De omstandigheid dat de werknemer, voordat hij bij de werkgever in dienst trad, zijn gehele werkzame leven in de vestigingsplaats van de werkgever had gewerkt vond het hof niet van belang.

Het hof wees het beroep van de werkgever op het concurrentiebeding echter af. De werknemer toonde aan dat zijn vroegere manager expliciet heeft toegestaan dat de werknemer in de vestigingsplaats van de nieuwe werkgever ging werken. Het verweer van de werkgever dat de manager niet bevoegd was om een dergelijke toezegging te doen wees het hof af. De werkgever had ten minste de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van de manager gewekt.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE2020587, 200.224.830/01 | 27-02-2020

Onderzoek naar concurrentiebeding

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Tweede Kamer een onderzoek toegezegd naar de werking van het concurrentiebeding. In dat onderzoek zal worden gekeken naar de mogelijkheid om extra voorwaarden te verbinden aan het concurrentiebeding. De afweging tussen het gerechtvaardigde belang van de werkgever bij bescherming van diens informatie en klantgegevens en het recht op vrijheid van arbeidskeuze van de werknemer zal worden meegenomen in het onderzoek. Over de concrete invulling van het onderzoek naar de werking van het concurrentiebeding wordt nog nagedacht.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2020-0000011483 | 20-02-2020

Ontslag tijdens proeftijd

Wanneer in een arbeidsovereenkomst een proeftijd is bedongen, geldt dat zowel de werkgever als de werknemer bevoegd is de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen zolang de proeftijd nog niet is verstreken. De in het Burgerlijk Wetboek opgenomen opzegverboden zijn gedurende de proeftijd niet van toepassing. Opzegging tijdens de proeftijd is niet toegestaan als de opzegging in strijd is met het verbod op discriminatie.

Het is de werkgever niet toegestaan de arbeidsovereenkomst te beëindigen vanwege het feit dat een zwangere werkneemster niet beschikbaar is voor het verrichten van arbeid. Daaronder valt ook de afwezigheid door ziekte samenhangend met de zwangerschap. Als de werkneemster gemotiveerd stelt dat sprake is van discriminatie vanwege zwangerschap, moet de werkgever bewijzen dat de opzegging niet samenhangt met de zwangerschap.

In een procedure over ontslag tijdens de proeftijd oordeelde de kantonrechter dat de werkneemster voldoende feiten en omstandigheden had gesteld voor het vermoeden dat haar zwangerschap de reden was voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst. De werkneemster deelde de werkgever mee dat zij vanwege aan de zwangerschap gerelateerde klachten langere tijd niet zou kunnen werken. In reactie daarop heeft de werkgever de werkneemster uitgenodigd voor een gesprek. Tijdens dat gesprek, dat enkele dagen later plaatsvond, is de werkneemster ontslagen. Het tijdsbestek tussen de bekendmaking van de langdurige afwezigheid en het ontslag was zeer kort. De kantonrechter heeft de werkgever in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat niet in strijd met het discriminatieverbod is gehandeld.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20201001, 8152906 VZ VERZ 19-19906 | 20-02-2020

Aan transitievergoeding gelijkwaardige voorziening

Bij ontslag op initiatief van de werkgever moet deze aan de werknemer een transitievergoeding betalen. Dat hoeft niet wanneer in de cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen.

In een procedure voor Hof Den Bosch speelde de vraag of de in de cao opgenomen premievrije opbouw van pensioen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens arbeidsongeschiktheid een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening is.

De Hoge Raad heeft eerder in een arrest in deze zaak overwogen, dat bij de beoordeling op gelijkwaardigheid een vergelijking moet worden gemaakt tussen de op het tijdstip van beëindiging van de arbeidsovereenkomst gekapitaliseerde potentiële waarde van de voorziening waarop de werknemer volgens de cao recht heeft en de transitievergoeding waarop de werkneemster volgens de wettelijke regeling recht zou hebben.

De cao-regeling hield in dat de werkneemster tot haar pensioendatum de werknemersbijdrage in de pensioenpremie niet hoefde te betalen. De volledige pensioenpremie van 33% van de pensioengrondslag per jaar tot de pensioendatum van 67 jaar kwam ten laste van de werkgever. Per jaar kostte dit de werkgever € 6.061 aan premie. In totaal ging het ten behoeve van de verdere opbouw van het ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen om een bedrag van € 90.915. De werkgever heeft dit bedrag bij de beëindiging van het dienstverband ineens afgestort. De transitievergoeding voor de werkneemster zou € 24.673 hebben bedragen.

Het hof was van oordeel dat, ook als het partnerpensioen niet in de vergelijking wordt betrokken, de gekapitaliseerde potentiële waarde van de cao-voorziening aanzienlijk hoger is dan de transitievergoeding. Verder is van belang of de cao-partijen een voorziening als gelijkwaardig hebben aangemerkt. In dit geval was in de tekst van de cao opgenomen dat de regeling wordt aangemerkt als een gelijkwaardige voorziening.

Naar het oordeel van het hof is de premievrije opbouw van het pensioen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens arbeidsongeschiktheid te beschouwen als een compensatie voor de gevolgen van het ontslag. Volgens een arrest van de Hoge Raad is voor gelijkwaardigheid niet vereist dat de in de cao opgenomen voorziening is gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE2020371, 200.259.191_01 | 20-02-2020

Opzegging tijdens proeftijd ingetrokken

Het opnemen van een proeftijdbeding in een arbeidsovereenkomst is toegestaan als de overeenkomst langer duurt dan zes maanden. De proeftijd mag maximaal één maand bedragen als de arbeidsovereenkomst korter duurt dan twee jaar. Een proeftijd is alleen rechtsgeldig als deze schriftelijk is overeengekomen. Een proeftijd kan zelfs na het ingaan van de arbeidsovereenkomst overeengekomen worden. De periode wordt dan verkort met de tijd dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd.

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een duur van zeven maanden omvatte een proeftijdbeding. De eerste maand van de overeenkomst gold als proeftijd. De arbeidsovereenkomst was ingegaan op 1 mei 2019. Op 29 mei 2019 ontving de werknemer een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Op 30 mei 2019 deelde de werkgever de werknemer schriftelijk mee dat de arbeidsovereenkomst met inachtneming van het overeengekomen proeftijdbeding per direct werd beëindigd. De werknemer bestreed de geldigheid van het proeftijdbeding in een procedure bij de kantonrechter. Opmerkelijk was dat de werknemer na de opzegging nog heeft gewerkt voor de werkgever op 30 mei en 2 juni. Voor 3 juni was de werknemer ingeroosterd voor werk, maar heeft hij zich ziekgemeld. De ziekmelding is door de werkgever geaccepteerd.

De kantonrechter oordeelde dat het proeftijdbeding rechtsgeldig was. Dat oordeel was gebaseerd op de ondertekening door de werknemer van de pagina met de essentialia van de arbeidsovereenkomst. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst binnen het geldende proeftijdbeding beëindigd. Omdat de werknemer daarna nog heeft gewerkt, ging de kantonrechter ervan uit dat de werkgever het tijdens de proeftijd gegeven ontslag heeft ingetrokken. De kantonrechter heeft de gevraagde vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst toegewezen. De werkgever moest het salaris van de werknemer over de resterende periode van de arbeidsovereenkomst betalen. De salarisbedragen zijn door de kantonrechter verhoogd met de wettelijke verhoging wegens te late betaling en met de wettelijke rente.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT2020754, 8252504 / VZ VERZ 20-124 | 13-02-2020

Geen gerechtvaardigd belang bij voortbestaan slapend dienstverband

Nadat de Hoge Raad op 8 november 2019 arrest heeft gewezen in een zaak van een slapend dienstverband, komt er veel lagere rechtspraak los.

Hof Den Haag heeft onlangs een zaak behandeld van een slapend dienstverband, dat was beëindigd doordat de werknemer inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. Het verzoek van de werknemer om betaling van een transitievergoeding werd om die reden afgewezen. Het hof wees het verzoek om een schadevergoeding wegens slecht werkgeverschap toe.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest een kleine opening gelaten voor de instandhouding van slapende dienstverbanden. De werkgever mag een slapend dienstverband in stand houden als hij daar een gerechtvaardigd belang bij heeft. Dat kan zijn het bestaan van reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer. De werkgever in de procedure voor het hof meende dat die mogelijkheden er waren. Die mogelijkheden baseerde de werkgever op het lage arbeidsongeschiktheidspercentage van de werknemer. Re-integratie was echter niet mogelijk bij de werkgever zelf. Om die reden oordeelde het hof dat de werkgever geen te respecteren belang bij instandhouding van het dienstverband had.

Opmerkelijk is dat de werknemer wegens zijn lage mate van arbeidsongeschiktheid geen arbeidsongeschiktheidsuitkering kreeg voor zijn pensionering, maar een WW-uitkering.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA2020146, 200.267.608/01 | 13-02-2020

Totstandkoming arbeidsovereenkomst

Inzet van een procedure voor de kantonrechter was of tussen twee partijen een arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen. De vermeende werkgever was een bedrijf dat zich bezighield met werving, selectie en detachering van personeel. Voor een opdrachtgever had de werkgever contact gelegd met de werkneemster. Er was overeenstemming bereikt over een arbeidsovereenkomst, met dien verstande dat nog niet was besloten of de werknemer in dienst zou treden bij de opdrachtgever of zou worden gedetacheerd via de werkgever. Voordat met de werkzaamheden werd begonnen trok de opdrachtgever zich terug.

De kantonrechter was van oordeel dat tussen de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Het aanbod van de werkgever bleek uit diverse e-mail- en whatsappberichten. Dat aanbod hield in dat de werknemer per 1 oktober 2019 bij de opdrachtgever zou gaan werken en dat de opdrachtgever mocht kiezen bij wie de werknemer formeel in dienst zou treden. De werknemer accepteerde beide opties. De werkgever heeft bij het aanbod geen voorbehoud gemaakt. De werknemer heeft met de werkgever en niet met de opdrachtgever afspraken gemaakt over de arbeidsvoorwaarden. Die afspraken betroffen niet alleen het salaris, maar ook bijkomende voorwaarden zoals een auto van de zaak. De werkgever heeft foto’s van de voor de werknemer bestemde auto naar hem geappt. De werknemer heeft bij de werkgever als werknemer ingeschreven gestaan. Op verzoek van de werkgever heeft de werknemer een formulier eerstedagsmelding ingevuld.

De werknemer had de kantonrechter verzocht om vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft dat verzoek afgewezen omdat niet is gebleken dat de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het overeengekomen salaris voor zover dit ten tijde van de procedure opeisbaar was. Dat ging om het salaris van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019. De kantonrechter veroordeelde de werkgever verder tot betaling van het salaris over de resterende maanden van de arbeidsovereenkomst. Omdat de werknemer sinds de aanvang van de arbeidsovereenkomst geen werkzaamheden heeft verricht, heeft de kantonrechter het verzoek om terbeschikkingstelling van de auto van de zaak afgewezen. De kantonrechter hield rekening met de omstandigheid dat het de werkgever niet zal lukken om op korte termijn werk voor de werknemer te vinden.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE2020256, 8135890 | 13-02-2020

Einde ingezetenschap voor AOW-verzekering

Voor de AOW zijn ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen, die binnen Nederland in dienstbetrekking werkzaam zijn, verzekerd. Oorspronkelijk gold de verzekering vanaf de leeftijd van 15 jaar tot de leeftijd van 65 jaar. Door de verhoging van de AOW-leeftijd is ook de leeftijd waarop de verzekering begint verhoogd.

Een ingezetene van Nederland is een persoon die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Om te bepalen waar iemand woont, moet volgens jurisprudentie van de Hoge Raad rekening worden gehouden met alle daarvoor in aanmerking komende omstandigheden. Deze omstandigheden moeten van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

De Centrale Raad van Beroep heeft onlangs geoordeeld dat het vertrek van een ingezetene naar de VS in augustus 1985 in verband met een opleiding niet direct als definitief kan worden aangemerkt. De duur van de opleiding stond niet vast. In die periode werd de woning in Nederland tijdelijk verhuurd, rekening houdend met een mogelijke terugkomst. Na haar afstuderen in 1988 heeft de betrokkene ervoor gekozen niet terug te keren naar Nederland en een vervolgstudie in de VS te volgen. De betrokkene heeft daarna wel een band met Nederland behouden, maar niet van dien aard dat deze kan worden aangemerkt als een duurzame band van persoonlijke aard. De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat de Sociale Verzekeringsbank de betrokkene ten onrechte niet verzekerd heeft geacht van 18 augustus 1985 tot 14 februari 1988. De SVB moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen met inachtneming van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Bron: Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLINLCRVB2020209, 16/7024 AOW | 13-02-2020

Niet meewerken aan re-integratie

Een arbeidsongeschikte werknemer moet meewerken aan zijn re-integratie in het arbeidsproces. Doet de werknemer dat niet, dan kan dat een grond opleveren voor het ontbinden van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter moet een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afwijzen als de werkgever de werknemer niet eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van zijn re-integratieverplichtingen of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt, of als de werkgever niet beschikt over een deskundigenverklaring van het UWV.

De kantonrechter stelde in een ontbindingsprocedure vast dat deze afwijzingsgronden zich niet voordeden. De werkgever had de werkneemster zowel schriftelijk gemaand tot nakoming van haar verplichtingen als de betaling van het loon gestaakt. Bovendien had de werkgever een deskundigenoordeel van het UWV verkregen en heeft hij dat in de procedure overgelegd.

De kantonrechter stelde verder vast dat de werkneemster geen gehoor heeft gegeven aan de oproepen van de werkgever om haar re-integratieverplichtingen na te komen. De werkgever, de bedrijfsarts en het UWV slaagden er niet in om contact met de werkneemster op te nemen. De kantonrechter was van oordeel dat er een redelijke grond voor ontbinding was. Het opzegverbod tijdens ziekte verhinderde ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet. Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang ontbonden.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA201914609, 8068477 \ EJ VERZ 19-86265 | 13-02-2020