All posts by jansen_kleton_claudia

Conceptwetsvoorstel tegen discriminatie op arbeidsmarkt

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een conceptwetsvoorstel ter consultatie gepubliceerd. Het wetsvoorstel is bedoeld om discriminatie op de arbeidsmarkt tegen te gaan. De in het wetsvoorstel opgenomen maatregelen bestrijden discriminatie in sollicitatieprocedures en bij zwangerschap.

Het wetsvoorstel is een onderdeel van een breed pakket aan maatregelen en activiteiten van de regering om te bevorderen dat iedereen die tot de arbeidsmarkt wil toetreden of op de arbeidsmarkt actief is gelijke kansen krijgt om een loopbaan op te bouwen en eerlijk wordt beoordeeld op basis van zijn kennis en vaardigheden. Deze maatregelen en activiteiten zijn gericht op drie thema’s, namelijk toezicht en handhaving, onderzoek en instrumenten en kennis en bewustwording.

Het wetsvoorstel wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). De Inspectie SZW krijgt de bevoegdheid om toe te zien op een discriminatievrij wervings- en selectiebeleid van werkgevers en intermediairs. Bij niet-naleving van deze norm kan de Inspectie SZW sancties opleggen.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken Thu, 10 Oct 2019 05:00:00 +0100

Opleidingskosten in mindering op transitievergoeding

Het kabinet wil dat werkgevers de opleidingskosten van medewerkers voor een andere functie binnen hetzelfde bedrijf in mindering kunnen brengen op de transitievergoeding bij vertrek. Een daartoe strekkend voorstel van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is voor advies naar de Raad van State gestuurd. Het is de bedoeling dat deze regeling op 1 januari 2020 in zal gaan. De opleidingskosten voor een functie bij een andere werkgever zijn nu al aftrekbaar van de transitievergoeding. Opleidingskosten die betrekking hebben op de huidige functie van een werknemer komen niet in mindering op de transitievergoeding.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken Thu, 03 Oct 2019 05:00:00 +0100

Kamervragen overdracht kleine pensioenen

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Kamervragen beantwoord over de waardeoverdracht van kleine pensioenen. Een pensioenuitvoerder heeft na beëindiging van de deelneming onder voorwaarden recht op automatische waardeoverdracht van opgebouwd pensioen. De voorwaarden zijn dat het opgebouwde pensioen van de gewezen deelnemer onder de afkoopgrens ligt en de gewezen deelnemer is toegetreden tot een pensioenregeling van een nieuwe werkgever. Er is geen recht op waardeoverdracht als de arbeidsverhouding met de werknemer in stand blijft en de werkgever een andere pensioenuitvoerder kiest. In die gevallen bestaat er ook geen recht op individuele waardeoverdracht.

De minister kan niet zeggen hoe vaak sinds de ingang van de Wet waardeoverdracht klein pensioen succesvol een klein pensioen is overgedragen naar een andere pensioenuitvoerder. De evaluatie van de wet is voorzien voor 2021. Volgens de minister zijn er sinds 1 augustus jl. daadwerkelijk kleine pensioenen automatisch overgedragen.

Bij de overstap naar een andere pensioenuitvoerder heeft de werkgever de keuze tussen wel of geen collectieve waardeoverdracht. Bij de keuze om niet over te dragen blijven de opgebouwde pensioenen bij de oude pensioenuitvoerder. Verdere opbouw van pensioen vindt plaats bij de nieuwe pensioenuitvoerder. Kiest de werkgever voor collectieve waardeoverdracht, dan gaan in beginsel alle opgebouwde pensioenen over naar de pensioenregeling bij de nieuwe pensioenuitvoerder.

Het hoofddoel van de Wet waardeoverdracht klein pensioen is het behouden van de pensioenbestemming van kleine pensioenen. De mogelijkheid van tussentijdse afkoop is in het belang van de deelnemers ingeperkt. Het systeem van automatische waardeoverdracht tussen pensioenuitvoerders is bedoeld om pensioenadministraties niet te veel te belasten.

De Stichting van de Arbeid, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars hebben de minister verzocht om het recht op automatische waardeoverdracht uit te breiden met achtergelaten kleine pensioenen vanwege het niet collectief overdragen aan een nieuwe pensioenuitvoerder. Er zijn pensioenuitvoerders die kennelijk moeite hebben met het onderscheiden van de verschillende soorten achtergelaten kleine pensioenen in hun administraties. De minister staat welwillend tegenover dat verzoek, maar heeft meer informatie nodig om een beslissing te kunnen nemen.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000121299 | 26-09-2019

Bronbelasting op royalty en dividend

Om te voorkomen dat Nederland nog langer wordt gebruikt voor belastingontwijking stelt het kabinet de invoering per 2021 voor van een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen. Deze bronbelasting zal van toepassing zijn bij een rente-of royaltybetaling door een in Nederland gevestigd lichaam aan een in een laagbelastende jurisdictie gevestigd gelieerd lichaam en in misbruiksituaties. Er komt in de regeling geen uitzondering voor bedrijven met reële aanwezigheid in Nederland. De regeling geldt dus niet alleen voor brievenbusfirma’s. Er komt ook geen uitzondering voor gevallen waarin de rente- of royaltybetaling onder een bestaande of een toekomstige aftrekbeperking in de vennootschapsbelasting valt.

Er is sprake van gelieerdheid als de ontvanger een kwalificerend belang heeft in de betaler of andersom. Ook is sprake van gelieerdheid als een derde een kwalificerend belang heeft in zowel de ontvanger als de betaler. Onder laagbelastende jurisdictie wordt verstaan een bij ministeriële regeling aangewezen jurisdictie die lichamen niet of naar een tarief van minder dan 9% onderwerpt aan een belasting naar de winst of die is opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

De bronbelasting zal worden geheven door inhouding door het betalende lichaam. Het voordeelgerechtigde lichaam is de belastingplichtige. De inhoudingsplichtige moet binnen een maand na afloop van het kalenderjaar aangifte doen en de ingehouden belasting afdragen. Het tarief van de bronbelasting is gelijk aan het hoogste tarief in de vennootschapsbelasting. Per 2021 is dit tarief 21,7%.

In de Invorderingswet 1990 wordt een nieuwe aansprakelijkheidsbepaling opgenomen voor de bronbelasting.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 19-09-2019

Wijzigingen belastingen van rechtsverkeer

Overdrachtsbelasting

Het tarief van de overdrachtsbelasting voor niet-woningen gaat omhoog van 6 naar 7%. Niet-woningen zijn bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, bedrijfsruimten en grond.

Assurantiebelasting

Er komt een vrijstelling van assurantiebelasting voor verzekeringen die de financiële verplichtingen afdekken die een werkgever heeft bij de verplichte doorbetaling van loon tijdens ziekte, bij arbeidsongeschiktheid en overlijdensuitkeringen. Ook komt er een vrijstelling voor de brede weersverzekering. Dit is een verzekering die voor landbouwers voorheen onverzekerbare weersrisico’s afdekt.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 19-09-2019

Maatregelen autobelastingen

Bpm

Het nihiltarief in de bpm voor emissievrije auto’s wordt verlengd tot en met 2024. Vanaf 2025 geldt voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer de vaste voet van € 360 (prijzen 2019).

Dieseltoeslag

Benzineauto’s met compressieontsteking worden uitgezonderd van de zogenaamde dieseltoeslag in de bpm, omdat deze auto’s niet profiteren van het lagere accijnstarief van diesel.

Mrb

Het nihiltarief in de mrb voor een personenauto met een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer wordt verlengd tot en met 2024. In 2025 wordt dat een kwarttarief. Vanaf 2026 geldt het reguliere tarief.

In de mrb geldt een halftarief voor een personenauto met een CO2-uitstoot van meer dan 0 maar niet meer dan 50 gram per kilometer. Dit halftarief in de mrb wordt verlengd tot en met 2024. In 2025 wordt dit halftarief omgezet in een driekwarttarief. Per 2026 vervalt het driekwarttarief en geldt het volledige tarief.

De huidige correctiefactor voor de massa van een PHEV (plug-in hybride) wordt verlengd tot en met 2025. Deze correctiefactor bestaat vanwege het hogere gewicht door de in het voertuig aanwezige batterij.

Voor bestelauto’s van ondernemers geldt voor de mrb een verlaagd tarief. In het Klimaatakkoord is overeengekomen deze tarieven geleidelijk te laten oplopen met gemiddeld € 24 per jaar vanaf 2021 tot en met 2024. In 2025 wordt het tarief verlaagd met gemiddeld € 24 (op jaarbasis). Deze verhogingen en verlaging worden bewerkstelligd door de tarieven procentueel te verhogen dan wel te verlagen. De tariefaanpassingen moeten jaarlijks worden geïndexeerd.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 19-09-2019

Wijzigingen milieubelastingen

Afvalstoffenbelasting

Om dubbele belastingheffing te voorkomen wordt geregeld dat het verwijderen van verbrandingsresten van afval in de eigen inrichting buiten de heffing van afvalstoffenbelasting valt. Dit geldt slechts voor zover de verbrandingsresten zijn ontstaan door het verbranden van afval waarover afvalstoffenbelasting is geheven. In andere situaties blijft de verwijdering van verbrandingsresten binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan een belastbaar feit.

Uit het buitenland afkomstige afvalstoffen, die hier worden verbrand, worden voortaan in de heffing van afvalstoffenbelasting betrokken. Ongeveer 25% van de afvalstoffen die in Nederland worden verbrand komt uit het buitenland.

Verschuiving energiebelasting van elektriciteit naar aardgas

De belastingvermindering op de energiebelasting wordt met € 55 verhoogd. De energiebelasting in de eerste schijf op aardgas wordt in 2020 verhoogd met 4 cent per m3. In de zes jaren na 2020 wordt dit tarief jaarlijks verder verhoogd met telkens 1 cent per m3. Ook het tarief voor de glastuinbouw in de eerste schijf voor aardgas wordt verhoogd, met 0,642 cent per m3 in 2020 en met 0,161 cent per m3 in de zes jaar daarna. Het tarief van de energiebelasting op elektriciteit in de eerste schijf blijft in 2020 gelijk. Vanaf 2021 daalt het tarief licht.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 19-09-2019

Wijzigingen formeel belastingrecht

Keuzeregeling elektronisch berichtenverkeer

Er wordt een keuzeregeling ingevoerd waardoor de burger kan kiezen of hij berichten van de Belastingdienst elektronisch of per post toegezonden wil krijgen. De keuzeregeling geldt niet voor de douanewetgeving. Het keuzerecht betreft berichten die de Belastingdienst naar de burger verzendt, zoals een aanslag inkomstenbelasting. De gemaakte keuze geldt in beginsel voor alle uitgaande berichten van de Belastingdienst. Voor berichten aan de Belastingdienst stelt de Belastingdienst voor steeds meer berichten op termijn zowel een digitale als een papieren weg open.

Voor bepaalde berichten, groepen personen en omstandigheden gelden uitzonderingen op het keuzerecht. De datum van inwerkingtreding zal bij Koninklijk Besluit worden vastgesteld.

Aanpassen inkeerregeling

De inkeerregeling wordt aangepast. Boetevrije inkeer wordt uitgesloten voor inkomen uit aanmerkelijk belang. De uitsluiting van boetevrije inkeer voor inkomen in box 3 geldt niet langer alleen voor inkomen dat in het buitenland is opgekomen, maar ook voor inkomen dat in het binnenland is opgekomen.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 19-09-2019

Maatregelen belastingrente

Aanpassen belastingrente vennootschapsbelasting

Een aangifte voor de vennootschapsbelasting is tijdig wanneer deze wordt ingediend voor de eerste dag van de zesde maand na afloop van het aangiftejaar. Onder de huidige regeling wordt bij een aanslag vennootschapsbelasting die wordt vastgesteld conform een tijdig ingediende aangifte belastingrente in rekening gebracht als die aangifte na de eerste dag van de vierde maand wordt ingediend. Dat is onwenselijk. Daarom wordt voorgesteld geen belastingrente in rekening te brengen als de aangifte vennootschapsbelasting tijdig wordt ingediend en de aanslag conform de aangifte wordt vastgesteld.

Aanpassen belastingrente erfbelasting

De aangiftetermijn voor de erfbelasting vangt aan op de dag van overlijden van de erflater. Met ingang van 1 januari 2019 wordt, als binnen de aangiftetermijn voor de erfbelasting aangifte wordt gedaan of om een voorlopige aanslag wordt verzocht, geen belastingrente in rekening gebracht als de aanslag wordt vastgesteld conform de aangifte of het verzoek. Voorgesteld wordt om ook geen belastingrente in rekening te brengen als de aangiftetermijn op een ander moment is gaan lopen dan het overlijden, mits het verzoek om een voorlopige aanslag of de aangifte is ontvangen binnen de in de betreffende situatie geldende aangiftetermijn en de aanslag erfbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig dat verzoek of die aangifte.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 19-09-2019