All posts by jansen_kleton_claudia

Overgangsrecht Brexit aangekondigd

Op 29 maart 2019 stapt het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de EU. Gezien de verwerping van het met de EU gesloten akkoord door het Britse Lagerhuis moet rekening worden gehouden met een no-deal Brexit. Het vertrek uit de EU heeft tot gevolg dat het VK een derde land wordt. Dat heeft fiscale gevolgen in een groot aantal situaties. Deze gevolgen treden in zodra het vertrek uit de EU een feit is. De staatssecretaris heeft aangekondigd dat hij die gevolgen wil opvangen met een vorm van overgangsrecht ingeval van een no-deal. De staatssecretaris denkt aan een regeling waarin het VK voor een aantal belastingwetten gedurende het lopende belastingjaar wordt beschouwd als onderdeel van de EU. Dat betekent dat het huidige fiscale regime de rest van het belastingjaar van toepassing blijft en pas met ingang van het nieuwe belastingjaar wijzigt.

Per belastingsoort wordt bekeken of overgangsrecht nodig is. Het beleidsbesluit, waarin het overgangsrecht wordt vastgelegd, zal pas definitief worden vastgesteld als duidelijk is, dat het VK de EU verlaat zonder akkoord.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2019-0000017605 | 07-02-2019

Opzegging arbeidsovereenkomst

Voor de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer is een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist, gericht op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Deze strenge maatstaf moet de werknemer behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband kan hebben, zoals het verlies van ontslagbescherming en van het recht op een werkloosheidsuitkering.

Volgens de kantonrechter mocht een werkgever de mededeling van een werkneemster dat zij minder wilde werken en op zoek was naar ander werk niet opvatten als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. De werkgever deelde de werkneemster mee dat hij vervanging had geregeld en dat zij niet meer hoefde te komen werken. De werkneemster mocht daaruit afleiden dat de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd. Vanwege het ontbreken van een schriftelijke beëindigingsovereenkomst was van een beëindiging in onderling overleg of van een geldige instemming van de werkneemster met de beëindiging geen sprake. De werkneemster had recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. De toegekende vergoeding was gelijk aan het bedrag van het loon over de periode vanaf de datum van opzegging tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO2019646, 7346297 / AO 18-106 (SJ) | 06-02-2019

Geen recht op bonus door vroegtijdig vertrek

Een werkgever kende een bonusregeling voor zijn personeel. Om in aanmerking te komen voor een bonus moest de werknemer bepaalde doelstellingen hebben behaald en op het moment van uitbetaling van de bonussen in dienst van de werkgever zijn.

Een werknemer die voor het tijdstip van uitbetaling van de bonussen op eigen verzoek uit dienst was gegaan, vorderde bij de rechter uitbetaling van de bonus. Dat de werknemer de gestelde doelstellingen had gehaald was niet in geschil. De werknemer meende dat het in strijd was met de redelijkheid en billijkheid wanneer hij geen bonus zou ontvangen, omdat de bonus een vaste en overeengekomen looncomponent was. De werkgever bestreed dat en voerde aan dat de werknemer in eerdere jaren steeds een bonus had gekregen omdat hij had voldaan aan de voorwaarden om de bonus te ontvangen. Hof Den Bosch was van oordeel dat de voorwaarde van een lopend dienstverband ten tijde van de uitbetaling een redelijk doel diende, namelijk om een werknemer voor de organisatie te behouden.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE201986, 200.221.236/01 | 31-01-2019

Door opschortende voorwaarde geen omzetting arbeidsovereenkomst

Een werkgever deed aan een werkneemster het aanbod van een vast dienstverband na afloop van het lopende tijdelijke dienstverband. Het aanbod was gedaan op voorwaarde van gelijkblijvend functioneren en bij gelijkblijvende omstandigheden. Voordat het tijdelijke dienstverband was verstreken deed zich een aantal incidenten voor waarbij de werkneemster was betrokken.
De werkgever besloot daarom het dienstverband van de werkneemster niet om te zetten in een dienstverband voor onbepaalde tijd. Volgens de werkgever was niet voldaan aan de voorwaarde van gelijkblijvend functioneren van de werkneemster.

Volgens Hof Den Bosch was tussen partijen geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen. Anders dan de werkneemster meende was geen sprake van een ontbindende voorwaarde, maar van een opschortende voorwaarde van gelijkblijvend functioneren. De werkgever mocht deze voorwaarde stellen zonder in strijd te komen met de eisen van goed werkgeverschap. De brief waarin het aanbod werd gedaan was een standaardbrief. Door eerdere ervaringen had de werkgever ervoor gekozen om de voorwaarde op te nemen, omdat er tussen het aanbod en de ingangsdatum van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde altijd iets kan gebeuren waardoor de werkgever gaat twijfelen over de geschiktheid van een werknemer.

Het hof was van oordeel dat de opschortende voorwaarde was vervuld voordat de arbeidsovereenkomst was ingegaan. Door de incidenten op de werkvloer was geen sprake van gelijkblijvend functioneren en gelijkblijvende omstandigheden.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE2019159, 200.243.579/01 | 31-01-2019

Kamerbrief regulering van cryptovaluta

De minister van Financiën heeft een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over de regulering van cryptovaluta. De AFM en DNB concluderen dat cryptovaluta significante risico’s meebrengen op het gebied van witwassen, terrorismefinanciering en cybercriminaliteit. De toezichthouders zien de potentie van bepaalde functionele toepassingen van cryptovaluta en de achterliggende technologieën voor de financiële sector. Volgens de toezichthouders levert nationale regelgeving geen significante bijdrage aan het verminderen van de risico’s voor consumenten in Nederland.

Naar aanleiding van aanbevelingen van de AFM en DNB wil de minister een vergunningsplicht invoeren voor aanbieders van omwisseldiensten tussen cryptovaluta en fiat geld en bewaarportemonnees voor cryptovaluta. Deze vergunningsplicht is onderdeel van het wetsvoorstel ter implementatie van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn, dat op 11 december 2018 ter openbare consultatie is voorgelegd. De vergunning is specifiek gericht op de aanpak van witwassen en terrorismefinanciering. DNB wordt aangewezen als toezichthouder.

De minister gaat met de toezichthouders bezien welke aanpassingen van de Europese regels nodig zijn om meer ruimte te bieden voor toepassingen van de techniek achter de meeste cryptovaluta. Het gaat met name om toepassingen bij de kleinschalige verhandeling en de clearing en settlement van effecten.

De toezichthouders stellen voor het Nederlandse effectenbegrip in lijn te brengen met de definitie in de richtlijn Markten voor financiële instrumenten II (MiFID II). De minister gaat onderzoeken of het mogelijk is dat financieringsvormen waarbij cryptovaluta gebruikt worden onder het bereik van de huidige regels komen te vallen. Wel merkt de minister op dat goed naar de eventuele consequenties van het uitbreiden van het effectenbegrip voor andere financiële producten en andere wetten en besluiten moet worden gekeken.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2019-0000002987 | 31-01-2019

Maatregelen knelpunten loondoorbetaling bij ziekte

Werkgevers zijn wettelijk verplicht om het loon van een arbeidsongeschikte werknemer gedurende twee jaar door te betalen. In het regeerakkoord zijn voorstellen gedaan om de knelpunten rondom loondoorbetaling bij ziekte te verzachten. In een brief aan de Tweede Kamer gaat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daar nader op in. Zo maakt hij bekend dat er per 1 januari 2020 een MKB-verzuim-ontzorgverzekering komt, waardoor kleine werkgevers optimaal ontzorgd worden.

De meeste kleine werkgevers hebben zich verzekerd tegen de financiële risico’s van de loondoorbetalingsverplichting. De minister heeft met werkgeversorganisaties en het Verbond van Verzekeraars afspraken gemaakt over een MKB-verzuim-ontzorgverzekering. Naast dekking van het financiële risico moet deze verzekering de kleine werkgever helpen bij de verplichtingen en taken rond de loondoorbetaling bij ziekte, inclusief een goed en betaalbaar dienstverleningspakket voor die twee jaar. De verzekering is ‘Poortwachterproof’, waardoor een eventuele loonsanctie niet voor rekening van de werkgever komt.

Verder komt er per 2021 een premiekorting voor de kosten van loondoorbetaling in het tweede jaar. Deze korting zal bestaan uit een vast bedrag per inhoudingsplichtige werkgever. De korting zal voornamelijk neerslaan bij kleine werkgevers. De minister wil de korting uiterlijk in 2024 vervangen door een gedifferentieerde Aof-premie.

Met ingang van 2021 wordt het medisch advies van de bedrijfsarts bij de toets op re-integratie-inspanningen leidend. Op basis van dit advies richten werkgever en werknemer het re-integratietraject in. Op dit moment kan de verzekeringsarts van het UWV een eigen medisch oordeel vormen, dat kan afwijken van het medisch advies van de bedrijfsarts. Dat kan de oorzaak zijn van het opleggen van een loonsanctie door het UWV aan de werkgever. De minister wil dat voorkomen door de verzekeringsarts van het UWV het medisch advies van de bedrijfsarts niet langer te laten beoordelen, maar de toets volledig uit te laten voeren door arbeidsdeskundigen van het UWV.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2018-0000818469 | 31-01-2019

Wetsvoorstel aanpassing Pensioenwet

De dekkingsgraad van een pensioenfonds geeft aan in welke mate er bezittingen staan tegenover de verplichtingen van het fonds. De dekkingsgraad bepaalt of een fonds nu en in de toekomst de pensioenen kan uitbetalen. Zolang een pensioenfonds een actuele dekkingsgraad heeft van 100% beschikt het fonds over voldoende middelen om aan zijn verplichtingen te voldoen. De wet schrijft voor dat een pensioenfonds daarboven een buffer van ten minste 4,3% moet aanhouden. De minimale dekkingsgraad is dus 104,3%.

Wanneer de dekkingsgraad van een pensioenfonds vijf jaar onder de 104,3% uitkomt, dan moet het pensioenfonds korten op de uitkeringen van gepensioneerden en op de aanspraken van deelnemers. De aanhoudend lage rente heeft geleid tot een sterke stijging van de contante waarde van de verplichtingen van pensioenfondsen. Door de gestegen verplichtingen is de dekkingsgraad gedaald. In veel gevallen tot onder de vereiste 104,3%. De aanspraken en rechten op pensioenen dreigen daardoor te worden gekort.

Tweede Kamerlid Van Rooijen heeft een wetsvoorstel ingediend om de periode van vijf jaar te verlengen tot zeven jaar. Dat moet pensioenkortingen op korte termijn voorkomen. Het wetsvoorstel past daartoe de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling aan. Uiteraard moet het wetsvoorstel nog door beide Kamers worden aangenomen voordat de aanpassing een feit is.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | wetsvoorstel | 35 113 | 31-01-2019

Opzegging arbeidsovereenkomst door werkgever

Voor opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever is vereist dat er een redelijke grond is voor de opzegging en dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn in een passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Het Burgerlijk Wetboek kent acht gronden voor de beëindiging van een arbeidsovereenkomst. Naar hun rangschikking in het betreffende wetsartikel worden deze gronden aangeduid met de letters a tot en met h. De h-grond wordt in de wet als volgt omschreven: andere omstandigheden dan onder a tot en met g genoemd, die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Een werknemer, wiens arbeidsovereenkomst op de h-grond was ontbonden, klaagde in cassatie dat het gerechtshof ten onrechte die grond aanwezig heeft geacht omdat de werkgever zijn verzoek had gebaseerd op feiten en omstandigheden die tot de a-grond behoren. Dat zou betekenen dat de werkgever aan het UWV toestemming voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst had moeten vragen in plaats van een verzoek tot ontbinding bij de kantonrechter in te dienen. De a-grond heeft betrekking op het vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfsbeëindiging of reorganisatie.

Volgens het gerechtshof is in deze casus voldaan aan de h-grond wanneer blijkt dat herplaatsing in een andere passende functie binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Het betrof een werknemer die steeds tijdelijk werd ingezet in banen in diverse landen binnen het concern van de werkgever. In een dergelijke situatie vallen de toets van de redelijke grond en die van de herplaatsing samen volgens het hof. De Hoge Raad is het daarmee eens. De h-grond is een algemeen geformuleerde restcategorie. Daardoor kan onder omstandigheden de andere grond zijn de enkele omstandigheid dat herplaatsing niet in de rede ligt. De werknemer had naar vijftien functies binnen het concern van de werkgever gesolliciteerd en een aangeboden passende functie geweigerd.

De in de wet opgenomen herplaatsingsverplichting is geen resultaatverplichting voor de werkgever, maar een inspanningsverplichting tot herplaatsing. Volgens de Hoge Raad gaat het om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevraagd.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR201964, 17/06025 | 24-01-2019

Vaststelling hoogte AOW-uitkering

Ingezetenen zijn verzekerd voor de AOW. Een ingezetene is iemand die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt naar omstandigheden beoordeeld. Om te bepalen waar iemand woont moet worden gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden. Doorslaggevend is of deze omstandigheden van dien aard zijn dat er een duurzame persoonlijke band bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met een ander land. Dat betekent dat het niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt om te concluderen dat hij in Nederland woont. Het belang van de woonplaatsbepaling is dat voor ieder jaar dat iemand niet verzekerd is geweest, de uitkering met 2% wordt gekort.

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had iemand niet de maximale AOW-uitkering toegekend omdat hij gedurende enkele jaren niet in Nederland zou hebben gewoond. De SVB baseerde dat op gegevens van de bevolkingsadministratie. De belanghebbende stelde zich op het standpunt dat hij in de betreffende periode in Nederland heeft gewoond. Dat onderbouwde hij met een opgave van het woonbedrijf en een huurovereenkomst. Op de huurovereenkomst stonden de belanghebbende en zijn echtgenote vermeld. Het standpunt van de belanghebbende werd ondersteund door een getuigenverklaring op de zitting. Bij gebreke van informatie die de gegevens van de bevolkingsadministratie ondersteunt, ging de Centrale Raad van Beroep uit van een woonplaats in Nederland. Voor dat oordeel was mede van belang dat destijds ook anderen dan de belanghebbende zelf iemand konden uitschrijven uit het bevolkingsregister.

Bron: Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLINLCRVB2019103, 171423 AOW | 23-01-2019

Hogere bijtelling auto van voor 2017 geen discriminatie

Per 1 januari 2017 is de standaardbijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak verlaagd van 25 naar 22% van de cataloguswaarde van de auto. Deze verlaging geldt alleen voor auto’s die op of na deze datum op kenteken zijn gezet. Voor auto’s die voor 1 januari 2017 op kenteken zijn gezet geldt op grond van het overgangsrecht de oude standaardbijtelling van 25%. Het verschil in bijtelling geldt ook als de fabrikant aan de auto niets heeft gewijzigd en een in 2017 of later op kenteken gezette auto gelijk is aan een voor 2017 op kenteken gezette auto van hetzelfde type. Door het overgangsrecht worden gelijke gevallen ongelijk behandeld.

Volgens de Hoge Raad houdt iedere wetswijziging in, dat onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen die zich hebben voorgedaan vóór en gevallen die zich hebben voorgedaan nà het tijdstip van wijziging. Dat onderscheid is in beginsel geen discriminatie, omdat anders de wetgever de mogelijkheid niet heeft om wetten in te voeren of te wijzigen. Ook als de wetgever een wetswijziging voorziet van overgangsrecht is de wijziging in beginsel geen discriminatie. Niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen is verboden. Dat geldt alleen voor die gevallen waarin een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. De Hoge Raad vindt in de totstandkomingsgeschiedenis voldoende rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20191, Nr. 17/04934 | 17-01-2019