All posts by jansen_kleton_claudia

Ontbindingsverzoeken van werkgever en werknemer

Het Burgerlijk Wetboek bevat een opsomming van de gronden waarop een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter kan worden ingediend. Naar hun plaats in het betreffende wetsartikel worden deze aangeduid met de letters a tot en met h. De h-grond wordt omschreven als “andere dan de hiervoor genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De h-grond is een vangnetbepaling voor omstandigheden die niet vallen onder de andere ontslaggronden, maar mag niet worden gebruikt om enkele onvoldoende onderbouwde andere ontslaggronden samen als h-grond aan te merken.

Een werkgever baseerde zijn verzoek om ontbinding van een arbeidsovereenkomst op de zogenaamde h-grond. De door de werkgever in zijn verzoekschrift aangehaalde voorbeelden van verstoring van de arbeidsrelatie pasten als onderbouwing voor de ontslaggrond disfunctioneren. Die was echter niet aangevoerd in het verzoekschrift. De kantonrechter mag niet ambtshalve een andere ontslaggrond hanteren. De kantonrechter oordeelde dat er geen redelijke grond was voor de gevraagde ontbinding en wees het ontbindingsverzoek af.

De werkneemster had ook een verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden ingediend. Dat verzoek was gebaseerd op ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Na een hooglopende discussie tussen werkgever en werkneemster had de werkgever niets gedaan om de onderlinge verhouding te herstellen. In plaats daarvan had hij direct aangestuurd op beëindiging van de arbeidsrelatie en de werkneemster uit haar functie ontheven. De toegang van de werkneemster tot haar zakelijke e-mailaccount werd direct geblokkeerd. De werkgever communiceerde het (nog niet formeel geregelde) vertrek van de werkneemster aan het personeel in een WhatsAppbericht en via een out-of-officebericht.

De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkneemster en kende haar een billijke vergoeding toe. Die was opgebouwd uit zes maanden salaris tot een bedrag van € 75.000, een bedrag van € 12.000 bruto als vergoeding voor imagoschade en een bedrag van € 15.600 bruto ter compensatie van het salaris dat de werkneemster door onregelmatige opzegging misloopt. Door de korte duur van het dienstverband had de werkneemster geen recht op een transitievergoeding.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA201810399, 7009358 RP VERZ 18-50356 | 05-09-2018

Opzegging voor aanvang dienstbetrekking

De vrijheid van arbeidskeuze is een belangrijk recht van de werknemer. In verband met deze fundamentele vrijheid geldt voor een werknemer geen andere opzegbelemmering dan het in acht nemen van een relatief korte opzegtermijn. De vraag in een procedure bij de kantonrechter was op welk moment de opzegtermijn gaat lopen.

De procedure bij de kantonrechter had betrekking op een opzegging van de arbeidsovereenkomst voordat deze was aangevangen. De werkgever meende dat de opzegtermijn pas gaat lopen op het moment van indiensttreding. De kantonrechter oordeelde anders, aangezien de wet niet uitdrukkelijk voorschrijft dat de opzegtermijn pas bij indiensttreding begint. De werknemer had ruim een maand voor de overeengekomen datum van indiensttreding schriftelijk laten weten van indiensttreding af te zien. De voor hem geldende opzegtermijn was een maand. Volgens de kantonrechter was van onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst geen sprake.

Ten overvloede merkte de kantonrechter op dat, indien ervan uitgegaan zou worden dat de opzegtermijn pas begint te lopen vanaf de dag van indiensttreding, het in dit geval niet redelijk zou zijn om de werknemer te houden aan een verplichting tot opzegging op de eerste dag van het nieuwe dienstverband en om hem te veroordelen tot betaling van een vergoeding. Door ruim voor de datum van indiensttreding op te zeggen heeft de werknemer de werkgever de kans geboden om tijdig een andere kandidaat te vinden. Dat is volgens de kantonrechter de ratio van de opzegtermijn voor de werknemer.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBLIM20187281, 6955894 AZ VERZ 18-52 | 30-08-2018

Geen boete op overtreding geheimhoudingsbeding vaststellingsovereenkomst

Zowel in arbeidsovereenkomsten als in andere overeenkomsten kan een geheimhoudingsbeding worden opgenomen. Een in de arbeidsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding heeft vaak betrekking op een verbod op mededeling omtrent handelwijze of productiemethoden van de werkgever. In andere overeenkomsten, bijvoorbeeld in vaststellingsovereenkomsten bij de beëindiging van een dienstbetrekking, gaat het er meestal om dat geen mededeling wordt gedaan over de in dat kader gemaakte afspraken. Het geheimhoudingsbeding is een niet in de wet geregeld beding. Dat betekent ook dat het niet schriftelijk behoeft te worden overeengekomen.

In een procedure bij de kantonrechter was in geschil of de werkgever terecht bij de eindafrekening een boete had verrekend wegens een vermeende schending van het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding. De kantonrechter was van oordeel dat een werknemer die tegen een collega zegt dat hij in het kader van een afspraak met de werkgever tot het einde van zijn dienstverband zal blijven werken en geen vakantiedagen zal opnemen, een geheimhoudingsbeding in de vaststellingsovereenkomst niet heeft overtreden. Volgens de kantonrechter is dat pas het geval wanneer de werknemer een bedrijfsgeheim prijsgeeft of voor de onderneming essentiële gevoelige informatie met derden deelt. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet snel het geval als het gaat om de doorbetaling van loon tot het einde van het dienstverband en de uitbetaling van vakantiedagen bij het einde van de dienstbetrekking.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE20183964, 6736459 UC EXPL 18-2944 – 1111 | 30-08-2018

Te laat ingezette re-integratie tweede spoor

De werkgever is verplicht om het loon van een werknemer die wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet in staat is om zijn werk te verrichten door te betalen. Deze loondoorbetalingsverplichting geldt in eerste instantie voor maximaal 104 weken. Het UWV kan de werkgever echter bij wijze van sanctie een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting opleggen. Dat gebeurt wanneer er niet voldoende inspanningen zijn verricht om de werknemer te re-integreren in het arbeidsproces.

In eerste instantie is de re-integratie gericht op terugkeer van de werknemer in de eigen functie. Mocht dat niet mogelijk zijn, dan wordt gekeken naar ander passend werk binnen het bedrijf. Is hervatting van werkzaamheden in de eigen functie of in passend ander werk binnen het bedrijf niet mogelijk, dan komen hervattingsmogelijkheden bij een andere werkgever aan de orde. Volgens het beoordelingskader van het UWV moet bij de zogenaamde eerstejaarsevaluatie keuzes worden gemaakt voor re-integratie in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.

Volgens de Centrale Raad van Beroep heeft het UWV terecht een loonsanctie opgelegd aan een werkgever die te lang vasthield aan re-integratie in de eigen functie van een arbeidsongeschikte werknemer. De bedrijfsarts had in de eerstejaarsevaluatie aangegeven dat er goede hoop was op volledige terugkeer in het eigen werk, maar geen zekerheid. Daarna verstreken enkele maanden voordat werd begonnen met re-integratie bij een andere werkgever. Volgens het UWV had dat eerder moeten gebeuren. De Centrale Raad van Beroep deelt die opvatting.

Bron: Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLINLCRVB20182596, 17 2684 WIA | 29-08-2018

Wetsvoorstel bevriezing eigen risico Zorgverzekeringswet

De minister voor Medische Zorg en Sport heeft de nota naar aanleiding van het verslag inzake het voorstel tot wijziging van de Zorgverzekeringswet (Zvw) naar de Eerste Kamer gestuurd. De wijziging betreft het ongewijzigd laten van het verplichte eigen risico voor de zorgverzekering tot en met het jaar 2021.

Omdat de hoogte van het verplichte eigen risico vooral een politieke keuze is, heeft het kabinet de bevriezing beperkt tot het jaar 2021. Een nieuw kabinet zal zijn eigen afweging daarin maken. De uitgaven in het kader van de Zvw worden gedekt uit de nominale premie, het eigen risico, de eigen bijdragen, de inkomensafhankelijke bijdrage en de rijksbijdrage voor verzekerden tot 18 jaar. Wettelijk is vastgelegd dat de inkomensafhankelijke bijdrage de helft van de uitgaven dekt en de overige bronnen de andere helft. Dat betekent dat de verminderde opbrengsten door de bevriezing van het eigen risico gecompenseerd zullen worden door hogere nominale premies. Verzekerden, die hun eigen risico niet volmaken, gaan door de stijging van de nominale premie meer betalen voor zorg.

Bron: Overig | wetsvoorstel | 1298600-173576-WJZ | 24-08-2018

Beëindiging arbeidsovereenkomst bij AOW-gerechtigde leeftijd

In de cao voor het verzekeringsbedrijf is bepaald dat een arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen maar uiterlijk op de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Met die bepaling kan een arbeidsovereenkomst worden beëindigd voor de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, wanneer die datum later valt dan de datum waarop de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt.

Wanneer de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd hoeft de werkgever geen transitievergoeding te betalen. Dat is bepaald in het Burgerlijk Wetboek. Volgens de Hoge Raad is deze bepaling niet in strijd is met Richtlijn 2000/78/EG. Deze Richtlijn geeft een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. Er is geen sprake van verboden leeftijdsdiscriminatie wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE20183780, 6979138 AE VERZ 18-59 pvt/1299 | 24-08-2018

Geen aanleiding voor verlaging AOW-leeftijd

Naar aanleiding van een artikel in het Financieel Dagblad zijn Kamervragen gesteld aan de minister van Sociale Zaken over de verhoging van de AOW-leeftijd. In het artikel wordt beschreven dat de AOW-leeftijd tot 2021 sneller stijgt dan de toename van de levensverwachting van 65-jarigen. Daarom zou volgens actuarissen de AOW-leeftijd pas vijf jaar later, dus in 2026 hoeven te stijgen naar 67 jaar. Volgens de minister is de geleidelijke verhoging naar 67 jaar bedoeld als inhaalslag voor de sinds de invoering van de AOW gestegen levensverwachting. Na 2021 is de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Om te voorkomen dat de AOW-leeftijd bij elke wijziging van de resterende levensverwachting moet worden aangepast, is in de wet opgenomen dat de AOW-leeftijd pas stijgt bij een stijging van de levensverwachting van meer dan drie maanden.

Volgens recente prognoses van het CBS stijgt de toekomstige levensverwachting minder snel dan eerder was geraamd. Het is echter nog te vroeg om te spreken van een trendbreuk in de stijgende lijn voor de levensverwachting, hoewel in het buitenland de levensverwachting ook minder snel stijgt. Het CBS gaat vooralsnog uit van een verdere stijging van de levensverwachting. De minder snelle stijging van de levensverwachting is geen aanleiding voor aanpassing van de AOW-leeftijd. Om onzekerheid te voorkomen wordt een eenmaal vastgestelde verhoogde AOW-leeftijd niet later gewijzigd. De aanpassing wordt vijf jaar van tevoren vastgelegd om meer zekerheid te bieden.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2018-0000111385 | 23-08-2018

Schenking aandelen aan bestuurder vormde loon uit dienstbetrekking

Het loonbegrip van de Wet op de loonbelasting is ruim en omvat alle voordelen die iemand uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking geniet. Om een voordeel tot het loon te kunnen rekenen moet er een verband bestaan met de dienstbetrekking. Dat betekent niet dat het voordeel van de werkgever afkomstig moet zijn.

De Belastingdienst merkte de schenking van aandelen door een grootaandeelhouder aan een bestuurder van de vennootschap aan als loon uit dienstbetrekking. De bestuurder was de beoogde opvolger van de grootaandeelhouder. Naar het oordeel van de rechtbank was voldoende aannemelijk dat de schenking van aandelen haar grond vond in de door de bestuurder uitgeoefende dienstbetrekking. Niet aannemelijk was dat er tussen de grootaandeelhouder en de bestuurder zodanige persoonlijke betrekkingen bestonden dat de schenking overwegend berustte op sympathie.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA20189041, SGR 17/7314 | 22-08-2018

Geen ruime uitleg van concurrentiebeding

Bij de uitleg van een concurrentiebeding moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen, maar kan ook de betekenis die partijen aan het beding toekennen en wat zij ten aanzien daarvan van elkaar mogen verwachten, van belang zijn. Een concurrentiebeding beperkt het grondwettelijk recht op vrije arbeidskeuze. Dergelijke beperkingen moeten niet ruim worden uitgelegd. Eventuele onduidelijkheden in een concurrentiebeding mogen niet in het nadeel van de werknemer worden uitgelegd, maar zijn voor risico van de werkgever.

Een procedure in kort geding betrof de vraag of de indiensttreding bij een nieuwe werkgever werd verhinderd door het in de arbeidsovereenkomst met de oude werkgever opgenomen concurrentiebeding. Bij aanvang van het eerdere dienstverband is niet gesproken over het in het arbeidscontract opgenomen concurrentiebeding. De kantonrechter beperkte zich daarom tot een tekstuele uitleg van het concurrentiebeding. Uit de bewoordingen van het concurrentiebeding volgde dat het de werknemer verboden was om in dienst te treden of betrokken te zijn bij een onderneming die een zaak drijft gelijk of gelijksoortig aan die van de oude werkgever. De omschrijvingen van de bedrijfsactiviteiten van de oude en de nieuwe werkgever in het handelsregister verschilden van elkaar. De oude werkgever bouwde, onderhield en repareerde machines voor de cacao-industrie. De nieuwe werkgever verwerkte cacao. Het enkele feit dat beide ondernemingen met de cacao-industrie te maken hebben, betekende niet dat de ondernemingen gelijk of gelijksoortig waren. Het met de oude werkgever overeengekomen concurrentiebeding verhinderde indiensttreding bij de nieuwe werkgever daarom niet.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO20187029, 6939641 VV EXPL 18-45 | 16-08-2018

Bewijs van beperkt privégebruik auto

Wanneer door de werkgever een auto aan een werknemer ter beschikking wordt gesteld, gaat de wet ervan uit dat de auto ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld. Dat betekent dat er een bijtelling bij het inkomen moet plaatsvinden, tenzij blijkt dat op jaarbasis met de auto niet meer dan 500 privékilometers zijn gereden. Het bewijs kan worden geleverd met behulp van een rittenregistratie. Op verzoek geeft de Belastingdienst aan een werknemer een verklaring geen privégebruik af. Die verklaring ontslaat de werknemer niet van de bewijslast, maar ontslaat de werkgever wel van de verplichting om de bijtelling bij het loon van de werknemer te doen. In de Uitvoeringsregeling loonbelasting is aangegeven aan welke eisen een rittenregistratie moet voldoen om als bewijs te kunnen dienen. Het gaat om de volgende gegevens:

  1. merk, type en kenteken van de auto;
  2. periode van terbeschikkingstelling van de auto;
  3. per rit:
    a. datum;
    b. beginstand en eindstand van de kilometerteller;
    c. beginadres en eindadres;
    d. de gereden route, indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke; en
    e. het karakter (zakelijk of privé) van de rit.

Een rittenregistratie moet sluitend zijn en nauwkeurig worden bijgehouden. Garagenota’s van onderhoud en reparatie kunnen dienen als aanvullend bewijs, ter onderbouwing van de rittenregistratie.

De rechtbank Den Haag accepteerde een achteraf opgestelde rittenregistratie niet. Volgens de rechtbank was de rittenregistratie te onnauwkeurig om als overtuigend bewijs te kunnen dienen. De overgelegde registratie gaf geen volledig beeld van de gereden ritten, routes en afstanden. Ander bewijs dan de rittenregistratie had de werknemer niet. Zijn verklaring dat hij pertinent niet privé met de auto heeft gereden is geen bewijs, evenmin als de omstandigheid dat de werknemer ook een eigen auto had.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA20184365, SGR 17/6126, SGR 17/6128 en SGR 17/6132 | 16-08-2018