All posts by jansen_kleton_claudia

Opzegging tijdens proeftijd ingetrokken

Het opnemen van een proeftijdbeding in een arbeidsovereenkomst is toegestaan als de overeenkomst langer duurt dan zes maanden. De proeftijd mag maximaal één maand bedragen als de arbeidsovereenkomst korter duurt dan twee jaar. Een proeftijd is alleen rechtsgeldig als deze schriftelijk is overeengekomen. Een proeftijd kan zelfs na het ingaan van de arbeidsovereenkomst overeengekomen worden. De periode wordt dan verkort met de tijd dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd.

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een duur van zeven maanden omvatte een proeftijdbeding. De eerste maand van de overeenkomst gold als proeftijd. De arbeidsovereenkomst was ingegaan op 1 mei 2019. Op 29 mei 2019 ontving de werknemer een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Op 30 mei 2019 deelde de werkgever de werknemer schriftelijk mee dat de arbeidsovereenkomst met inachtneming van het overeengekomen proeftijdbeding per direct werd beëindigd. De werknemer bestreed de geldigheid van het proeftijdbeding in een procedure bij de kantonrechter. Opmerkelijk was dat de werknemer na de opzegging nog heeft gewerkt voor de werkgever op 30 mei en 2 juni. Voor 3 juni was de werknemer ingeroosterd voor werk, maar heeft hij zich ziekgemeld. De ziekmelding is door de werkgever geaccepteerd.

De kantonrechter oordeelde dat het proeftijdbeding rechtsgeldig was. Dat oordeel was gebaseerd op de ondertekening door de werknemer van de pagina met de essentialia van de arbeidsovereenkomst. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst binnen het geldende proeftijdbeding beëindigd. Omdat de werknemer daarna nog heeft gewerkt, ging de kantonrechter ervan uit dat de werkgever het tijdens de proeftijd gegeven ontslag heeft ingetrokken. De kantonrechter heeft de gevraagde vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst toegewezen. De werkgever moest het salaris van de werknemer over de resterende periode van de arbeidsovereenkomst betalen. De salarisbedragen zijn door de kantonrechter verhoogd met de wettelijke verhoging wegens te late betaling en met de wettelijke rente.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT2020754, 8252504 / VZ VERZ 20-124 | 13-02-2020

Toelichting fiscale gevolgen Brexit

In een besluit heeft de staatssecretaris van Financiën een toelichting gegeven op de fiscale gevolgen van de Brexit gedurende de overgangsperiode van 1 februari 2020 tot en met 31 december 2020. Tijdens deze overgangsperiode blijft het gemeenschapsrecht voor het grootste deel gelden en is nationaal overgangsrecht niet nodig. De inwoners van het Verenigd Koninkrijk (VK) worden tijdens de overgangsperiode beschouwd als inwoners van een EU-lidstaat. Dit betekent onder andere het volgende:

  • Inwoners van het VK kunnen het gehele belastingjaar 2020 kwalificerende buitenlandse belastingplichtige zijn.
  • Inwoners van het VK behouden onder voorwaarden het recht op het belastingdeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
  • Werkgevers kunnen de regelingen met betrekking tot het anoniementarief en de identificatieplicht ongewijzigd uitvoeren voor onderdanen van het VK.
  • De afdrachtvermindering zeevaart bedraagt voor een zeevarende, die in het VK woont, 40% van de loonsom.
  • De regeling afdrachtvermindering S&O blijft van toepassing op werkzaamheden die in het VK worden verricht.
  • De deelnemingsvrijstelling geldt ongewijzigd voor een deelneming in het VK.
  • Voor fiscale eenheden met een top- of tussenmaatschappij in het VK verandert de regeling niet.
  • In het kader van voorkoming van dubbele belasting kan een in Nederland woonachtige werknemer in dienst van een in het VK gevestigde werkgever, gedurende het belastingjaar 2020, gebruik blijven maken van de onderworpenheidsfictie als aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan.
  • Bij het opleggen van een conserverende aanslag inkomstenbelasting bij emigratie naar het VK behoeft tot en met 31 december 2020 geen zekerheid te worden gesteld.
  • Een betalingsregeling voor exitheffingen inkomsten- of vennootschapsbelasting blijft tot en met 31 december 2020 mogelijk voor inwoners van het VK.

Ook voor de indirecte belastingen geldt dat het VK tot en met 31 december 2020 wordt behandeld als ware het een lidstaat van de EU.

Bron: Ministerie van Financiƫn | besluit | 2020-20786, Staatscourant 2020 nr. 6891 | 06-02-2020

Uitstel verplicht gebruik eHerkenning

In verband met de ophef over het verplichte gebruik van eHerkenning geeft de Belastingdienst ondernemers die zelf aangifte loonheffing doen uitstel tot 1 juli 2020. Dit in verband met het nieuwe inlogmiddel eHerkenning. Het uitstel betreft zowel het doen van aangifte als de betaling. Het uitstel wordt automatisch verleend. De Belastingdienst zal de groep ondernemers voor wie dit geldt binnenkort per brief informeren.

Bron: Belastingdienst | publicatie | 06-02-2020

Evaluatie wettelijk minimumloon

Naar aanleiding van een evaluatie van het wettelijk minimumloon over de periode 2011-2018 komt er geen aanpassing van het minimumloon. Dat schrijft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer. Uit de evaluatie blijkt dat het wettelijk minimumloon de ontwikkeling van de cao-contractlonen heeft bijgehouden en dat de koopkracht van werkenden met een minimumloon in de onderzochte periode is toegenomen. Het Centraal Planbureau doet nader onderzoek naar de werkgelegenheidseffecten van aanpassing van het minimumloon. Het kabinet heeft het Centraal Planbureau gevraagd onderzoek te doen naar de bredere economische doorwerking van aanpassing van het minimumloon.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000183379 | 06-02-2020

Schadevergoeding na onterechte loonsanctie

Een werkgever is verplicht het loon van een arbeidsongeschikte werknemer door te betalen. Deze verplichting eindigt in beginsel na 104 weken van arbeidsongeschiktheid. Het UWV kan de werkgever bij wijze van sanctie opleggen om het loon langer door te betalen, wanneer onvoldoende inspanningen zijn verricht om de werknemer te laten re-integreren. Als het UWV ten onrechte een loonsanctie heeft opgelegd kan de werkgever om schadevergoeding vragen. De bestuursrechter is bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit van het bestuursorgaan.

Een procedure voor de Centrale Raad van Beroep spitste zich toe op de hoogte van de door een werkgever geleden schade. De werkgever berekende de geleden schade op het totale door hem aan loon betaalde bedrag. Het UWV meende dat de schade niet meer bedroeg dan 70% daarvan. Voor vergoeding is vereist dat de schade verband houdt met een onrechtmatig besluit. Alleen die schadeposten,  die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan kunnen worden toegerekend, komen voor vergoeding in aanmerking.

De wettelijke regeling van de loonsanctie verplicht de werkgever het loon door te betalen. Er bestaat een rechtstreeks verband met de opgelegde loonsanctie voor zover het gaat om betalingen waartoe de werkgever uit hoofde van de arbeidsovereenkomst gedurende het derde ziektejaar verplicht was. Voor zover de werkgever in het derde ziektejaar betalingen heeft gedaan waartoe hij niet verplicht was of die niet rechtstreeks voortvloeien uit zijn re-integratieverplichtingen zijn dat geen bedragen die bij een ten onrechte opgelegde loonsanctie op het UWV te verhalen zijn.

Het Burgerlijk Wetboek verplicht de werkgever om 70% van het loon door te betalen. Gedurende de eerste 52 weken moet ten minste het voor de werknemer geldende wettelijke minimumloon worden doorbetaald. De werkgever in de procedure was op grond van de cao verplicht om in het tweede ziektejaar 100% van het loon door te betalen omdat de werkneemster arbeidsongeschikt was geraakt door een bedrijfsongeval. De werkgever meende dat hij daarom ook in het derde ziektejaar meer dan 70% van het loon aan de werkneemster moest betalen. De geldende cao bevatte geen bepaling die is gewijd aan de loondoorbetaling in een derde ziektejaar.

De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat het UWV 70% van het gedurende het derde ziektejaar betaalde loon als schade moest vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag.

Bron: Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLINLCRVB2020197, 17/3559 WIA-S | 06-02-2020

Geen kinderbijslag door mini-job in Duitsland

Binnen de Europese Unie geldt het beginsel dat de socialezekerheidswetgeving van slechts één van de lidstaten van toepassing is. Een van de uitgangspunten van de EU-regelgeving is dat de wetgeving van toepassing is van de lidstaat waar iemand in loondienst werkt, zelfs als deze persoon in een andere lidstaat woont. Volgens het Hof van Justitie EU mag een lidstaat afwijken van dit beginsel door onder bepaalde voorwaarden aan een migrerende werknemer gezinsbijslagen of een ouderdomspensioen toe te kennen. De lidstaat is daartoe niet verplicht.

Volgens de Nederlandse wetgeving is een ingezetene hier niet verzekerd voor de sociale verzekeringen als hij in een andere lidstaat werkt. Dat geldt ook als deze migrerende werknemer in geen recht heeft op uitkering op grond van de wetgeving van de werklidstaat.

De Hoge Raad heeft, na beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie EU, geoordeeld dat een inwoonster van Nederland met een beperkte dienstbetrekking in Duitsland (een zogeheten mini-job) geen recht heeft op kinderbijslag. De uitsluiting van de sociale verzekering in Nederland is niet in strijd met het recht van de EU. Op grond van de mini-job was de socialezekerheidswetgeving van Duitsland van toepassing. Volgens de Duitse wetgeving heeft iemand met een mini-job geen recht op uitkering van toeslagen als de kinderbijslag.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR202018, 16/03747 bis | 30-01-2020

Aan transitievergoeding gelijkwaardige cao-voorziening

Bij ontbinding van een arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever heeft de werknemer recht op een transitievergoeding. De werkgever hoeft echter geen transitievergoeding te betalen wanneer in de geldende cao een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening is getroffen.

In een procedure voor Hof Den Bosch was in geschil of de in de cao opgenomen voorziening bij ontslag gelijkwaardig was aan de transitievergoeding. De ontslagen werkneemster had in aanvulling op het recht WW op grond van de cao aanspraak op een bovenwettelijke uitkering, een aansluitende uitkering en een extra aansluitende uitkering. Het totaal van deze voorzieningen kon oplopen tot 3,5 keer de hoogte van de transitievergoeding. Het hof was van oordeel dat de in de cao opgenomen voorzieningen gelijkwaardig zijn aan de wettelijke transitievergoeding. Het feit dat de werkgever in het kader van een minnelijke regeling aan de werkneemster en haar directe collega’s heeft aangeboden een transitievergoeding te betalen, welke regeling door de collega’s wel en door de werkneemster niet is geaccepteerd, maakt volgens het hof niet dat de voorzieningen uit de cao niet gelijkwaardig aan de wettelijke transitievergoeding zijn.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE2020203, | 30-01-2020

Belastingheffing verzilvering optierechten

Het verstrekken van optierechten op aandelen aan werknemers leidt tot belastingheffing bij de werknemer. De wijze van belastingheffing is door de jaren heen gewijzigd. Tegenwoordig wordt niet de waarde van het optierecht belast, maar alleen hetgeen de werknemer bij de uitoefening of vervreemding van dat recht geniet, onder aftrek van het voor de verkrijging van het optierecht betaalde bedrag. In het verleden was de waarde van het optierecht bij verstrekking belast. Daarbij had de werknemer de keuze om de verwachtingswaarde van het optierecht al dan niet in de heffing te betrekken. Indien de verwachtingswaarde niet als loon werd aangemerkt, was het latere voordeel bij uitoefening van de opties belast. Het voordeel bij uitoefening was ook belast wanneer uitoefening binnen drie jaar na de toekenning van het optierecht plaatsvond. 

Een werknemer ontving in 2004 optierechten van zijn werkgever. In verband hiermee werd in 2004 loonheffing ingehouden en afgedragen over de waarde van de optierechten. In 2005 werd de arbeidsovereenkomst met de werknemer ontbonden. De werkgever wilde niet meewerken aan uitoefening van de optierechten. Er volgde een gerechtelijke procedure, waarin de werkgever werd veroordeeld om een bedrag van € 4,7 miljoen aan de werknemer te betalen in verband met de opties. In 2012 werd dit bedrag betaald onder inhouding van loonheffing. De werknemer verwerkte in zijn aangifte IB 2012 wel de ingehouden loonheffing, maar niet de ontvangen vergoeding. De Belastingdienst heeft de aangifte op dat punt gecorrigeerd.

In de procedure over de aanslag inkomstenbelasting 2012 was niet in geschil dat de optierechten in civielrechtelijke zin in 2005 zijn uitgeoefend. De werknemer bestreed dat ook fiscaalrechtelijk sprake was van uitoefening van zijn optierechten. Hof Den Bosch deelde dit standpunt niet. Uitoefenen van een optie is een eenzijdige handeling van de optiehouder, waarbij hij gebruik maakt van het recht om tegen betaling van de uitoefenprijs de aandelen waarop het optierecht ziet te verkrijgen. Dit betekent dat door de wilsuiting van de optiehouder een verbintenis tot stand komt op grond waarvan de optieverlener gehouden is tot levering van aandelen en de optiehouder tot betaling van de uitoefenprijs. Wanneer de optieverlener zijn verplichting tot levering niet nakomt, betekent niet dat er geen sprake is van de uitoefening van het optierecht. Het genietingsmoment van de uitoefening van de optierechten lag in 2012, aangezien in dat jaar de werkgever de vergoeding betaalde. Wel moest de aanslag IB 2012 verminderd worden omdat geen rekening was gehouden met het feit dat in 2004 al een bedrag in de heffing was betrokken bij de toekenning van de optierechten.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE2020136, 19/00226 | 30-01-2020

Gebruikelijkloonregeling niet van toepassing door omvang werkzaamheden

Een werknemer met een aanmerkelijk belang in de vennootschap waarvoor hij werkt, moet voor zijn werkzaamheden ten minste een gebruikelijk loon ontvangen. Dat is het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • het hoogste loon van de andere werknemers van de vennootschap;
  • € 46.000.

De gebruikelijkloonregeling is niet van toepassing als de werkzaamheden voor de vennootschap beperkt van omvang zijn en het loon daarvoor niet hoger zou zijn dan € 5.000.

De Belastingdienst legde een aanslag inkomstenbelasting op aan de dga van een bv voor een gebruikelijk loon van € 15.000. De dga bestreed de aanslag. Omdat de dga geen aangifte had gedaan, werd de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De rechtbank merkte daarbij op dat ter zake van niet of onvoldoende gemotiveerd betwiste feiten geen bewijs geleverd hoeft te worden. Volgens de rechtbank is de dga in de verzwaarde bewijslast geslaagd. Voor zover de dga al werkzaamheden heeft verricht voor de bv waren deze zo beperkt van omvang dat het loon daarvoor niet meer dan € 5.000 zou hebben bedragen. De bv werd feitelijk bestuurd door de vader van de dga, die zelfstandig bevoegd bestuurder van de bv was. De dga was zelf student en verbleef voor de studie in het buitenland. De bv exploiteerde enkele onroerende zaken. De huurders correspondeerden rechtstreeks met werknemers van het vastgoedconcern van de vader van de dga. In het dossier ontbraken concrete aanknopingspunten dat de dga meer werkzaamheden zou hebben verricht dan enkele formele bestuurshandelingen. De rechtbank heeft de aanslag inkomstenbelasting verminderd tot nihil.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBZWB20195523, BRE 18/2848 en BRE 18/2849 | 23-01-2020

Kamervragen effectiviteit lage-inkomensvoordeel

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Kamervragen over de effectiviteit van het lage-inkomensvoordeel (LIV) beantwoord. Het LIV is een tegemoetkoming voor werkgevers die werknemers in dienst hebben met een loonniveau van 100 tot 125% van het wettelijk minimumloon. Uit onderzoek is gebleken dat het aantal werkenden op dit loonniveau na de invoering van het LIV licht is gestegen. Het gaat om tussen de 3.000 en 23.000 extra werkende personen. In de jaren 2018 en 2019 is ongeveer € 1 miljard uitbetaald aan het LIV. Hoewel de regeling van het LIV niet alleen bedoeld is om extra mensen aan het werk te krijgen, maar ook om banen te behouden, kan een berekening worden gemaakt van de gemiddelde uitgave per extra werkende. Die komt uit op € 76.000. De minister is in gesprek met werkgevers over een effectievere invulling van de instrumenten uit de Wet tegemoetkoming loondomein, waaronder het LIV. In het voorjaar van 2020 zal de minister de Kamer over de resultaten van deze gesprekken informeren.

Het jeugd-LIV is een tegemoetkoming voor de verhoging van het wettelijk minimumloon voor 18- tot en met 22-jarigen. Doel van deze regeling is het beperken van mogelijke negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid van de verhoging van het minimumjeugdloon. Het jeugd-LIV kost ongeveer € 125 miljoen per jaar. De verhoging van het minimumjeugdloon heeft volgens onderzoek nauwelijks invloed gehad op de arbeidsparticipatie van jongeren. Het jeugd-LIV is met ingang van 2020 gehalveerd en wordt in 2024 afgeschaft.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000184546 | 23-01-2020