All posts by jansen_kleton_claudia

Memorie van antwoord overige fiscale maatregelen 2020

De staatssecretaris van Financiën heeft de memories van antwoord inzake de tot het pakket Belastingplan 2020 behorende wetsvoorstellen naar de Eerste Kamer gestuurd. Een van de voorstellen is de Wet overige fiscale maatregelen 2020.

Een van de vragen is of overwogen is om aanvragen voor de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) continu in plaats van vier keer per jaar mogelijk te maken. Het is op ieder gewenst moment mogelijk om een S&O-aanvraag in te dienen. Een aanvraag moet betrekking hebben op een tijdvak van minimaal drie maanden. Perioden waarop aanvragen betrekking hebben mogen elkaar niet overlappen. Dat betekent dat het niet mogelijk is om meer dan vier aanvragen per jaar te doen.

Ten aanzien van de aanpassing van de inkeerregeling is het kabinet van mening dat mensen, die zelf tot inkeer komen, beter moeten worden behandeld dan belastingontduikers die ervoor kiezen om af te wachten. Dat komt tot uitdrukking in de wettelijke bepaling dat inkeer een boetematigende omstandigheid is.

De earningsstrippingmaatregel verandert door de voorgestelde aanpassingen niet inhoudelijk. Ter verbetering van de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid wordt voor de regeling van de earningsstrippingbeschikking aansluiting gezocht bij de regeling voor verliesverrekening, waarbij gebruik wordt gemaakt van beschikkingen. In dit wetsvoorstel wordt geregeld dat een beschikking kan worden herzien vanwege een nieuw feit, kwade trouw of een kenbare fout. Verder wordt geregeld dat een beschikking wordt gegeven indien het voortgewentelde saldo aan renten van een eerder jaar in aftrek komt bij het bepalen van de winst van een later jaar. De beschikking geeft zekerheid over het saldo aan renten dat in latere jaren in aftrek kan worden gebracht.

In verband met de voorgestelde aanpassing van de regeling van de belastingrente is gevraagd of het niet logischer zou zijn om alleen belastingrente in rekening te brengen voor zover de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting conform de ingediende aangifte. De staatssecretaris ziet geen aanleiding om de belastingrenteregeling op dit punt aan te passen. In de praktijk wordt eerst een voorlopige aanslag conform aangifte vastgesteld. Eventuele correcties worden verwerkt in de definitieve aanslag. Dat zal er in veel gevallen toe leiden dat belastingrente wordt berekend op de wijze die de vragensteller heeft bedoeld. In antwoord op de vraag om het tarief van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting gelijk te trekken met de overige belastingrentes zegt de staatssecretaris dat de budgettaire derving daarvan op € 120 miljoen uitkomt. Het budget daarvoor ontbreekt.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2019-0000201124 | 05-12-2019

Memorie van antwoord wetsvoorstel bronbelasting

De staatssecretaris van Financiën heeft de memories van antwoord inzake de tot het pakket Belastingplan 2020 behorende wetsvoorstellen naar de Eerste Kamer gestuurd. Een van de voorstellen is het wetsvoorstel ter invoering van een bronbelasting op renten en royalty’s. Dit wetsvoorstel moet op 1 januari 2021 in werking treden. De staatssecretaris deelt de opvatting van enkele vragenstellers dat een eenzijdige maatregel zoals de bronbelasting niet voorkomt dat andere landen de rol van Nederland zullen overnemen. Internationale belastingontwijking moet internationaal en gecoördineerd worden bestreden. Om te voorkomen dat Nederland blijft fungeren als toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties, is er bewust voor gekozen de internationale ontwikkelingen niet af te wachten, maar dit wetsvoorstel in te dienen, aldus de staatssecretaris.

Het tarief van de bronbelasting komt overeen met het hoge Vpb-tarief. Daarvoor is gekozen om aan te sluiten bij een al in de Nederlandse winstsfeer bekend percentage. Door deze keuze is er geen voordeel te behalen met rente- en royaltybetalingen aan een laagbelastende jurisdictie, ook al zouden deze betalingen tegen het hoge Vpb-tarief aftrekbaar zijn.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2019-0000201124 | 05-12-2019

Afvloeiingsregeling bij reorganisatie

Onder een regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die voorziet in een reeks van uitkeringen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van de pensioen- of AOW-uitkering of ter aanvulling van het pensioen. Uitkeringen uit een regeling voor vervroegde uitkering worden aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 52%.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding zijn de motieven van de werkgever om de uitkeringen te doen of de intenties van werknemers om voor de regeling te opteren niet van belang.

De rechtbank Den Haag merkte een vrijwillige ontslagregeling aan als een regeling voor vervroegde uitdiensttreding. Onderdeel van de regeling waren betalingen vanaf de datum van uitdiensttreding tot aan de pensioendatum. Van de 45 werknemers die gebruik hebben gemaakt van de afvloeiingsregeling waren er 43 ouder dan 60 jaar. Volgens de rechtbank maakte de doorbetaling van salaris gedurende de opzegtermijn deel uit van de regeling. De werknemers waren tot het moment van uitdiensttreding vrijgesteld van werk met behoud van salaris, vakantietoeslag en overige emolumenten. Ook de loonbetalingen gedurende de opzegtermijn vielen onder de eindheffing voor regelingen voor vervroegde uittreding.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA201911233, : SGR 18/3414 | 28-11-2019

Onderzoek effecten Lage-inkomensvoordeel

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft onderzoek laten doen naar de effecten van het Lage-inkomensvoordeel (LIV) op de arbeidsparticipatie. Het LIV is een tegemoetkoming voor werkgevers die werknemers in dienst hebben met een loonniveau van 100 tot 125% van het wettelijk minimumloon. Uit het onderzoek blijkt dat de netto arbeidsparticipatie van het aantal werkenden op de loonniveaus na de invoering van het LIV in 2017 licht is gestegen. Het gaat om 3.000 tot 23.000 extra werkende personen. Het CPB verwachtte een toename van de netto arbeidsparticipatie van 7.000 banen. Het aantal banen tussen 100 en 125% van het wettelijk minimumloon is sinds de invoering van het LIV harder gestegen dan het totaal aantal banen.

Volgens de minister is er op basis van dit onderzoek geen aanleiding om aan te nemen dat werkgevers de lonen bewust laag houden om in aanmerking te komen voor het LIV. Ook betalen werkgevers niet vaker lonen tussen de 100 en 110% van het minimumloon om in aanmerking te komen voor het hoge LIV van € 2.000.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000163754 | 28-11-2019

Vierde voortgangsbrief werken als zelfstandige

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Financiën hebben de vierde voortgangsbrief over de maatregelen op het gebied van werken als zelfstandige naar de Tweede Kamer gestuurd. In de periode tussen de derde en de vierde voortgangsbrief zijn conceptwetsvoorstellen voor een minimumbeloning voor zelfstandigen en de zelfstandigenverklaring gepubliceerd ter internetconsultatie. In de vierde voorgangsbrief ligt de nadruk op de te ontwikkelen webmodule, die duidelijkheid moet bieden over de aard van een arbeidsrelatie. De webmodule bevindt zich in de testfase. De bewindslieden verwachten dat het eerste kwartaal van 2020 nodig is om de conceptvragenlijst en de beslisboom te vervolmaken en inzicht te krijgen in foutmarges. De conceptvragenlijst wordt uitgezet onder circa 10.000 opdrachtgevers om een actueel bestand van praktijkgevallen te verkrijgen. Deze gevallen zullen in het kader van de verdere ontwikkeling van de webmodule beoordeeld worden door deskundigen om tot een definitieve vragenlijst te komen.

De bewindslieden zullen de Tweede Kamer in het eerste kwartaal van 2020 informeren over de definitieve vragenlijst, de beslisboom en de uitkomsten van de webmodule.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000168412 | 28-11-2019

Verzoek gedeeltelijke transitievergoeding te laat ingediend

In de zogenaamde Kolombeschikking heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onder omstandigheden een werknemer bij een gedeeltelijk ontslag recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding. De Hoge Raad overwoog in deze beschikking onder meer dat de wet niet voorziet in gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, aangezien een arbeidsovereenkomst slechts in haar geheel kan worden opgezegd of ontbonden. Bij de regeling van de transitievergoeding is bij dit wettelijk stelsel aangesloten en is een transitievergoeding alleen verschuldigd als de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. De Hoge Raad is van oordeel dat bij een door omstandigheden gedwongen substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd de werknemer recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding.

Hoewel de wettelijke regeling de gedeeltelijke transitievergoeding niet kent, is Hof Den Bosch van mening dat voor het overige de wettelijke regeling wel van toepassing is. Dat betekent dat de vervaltermijn van drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd voor de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen van kracht blijft. De transitievergoeding waarop een werknemer op grond van de Kolombeschikking in bepaalde gevallen aanspraak kan maken is volgens het hof geen andere dan de transitievergoeding als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad heeft in de Kolombeschikking geen zelfstandige grondslag voor de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding heeft gecreëerd, maar een uitleg gegeven van de wettelijke regeling.

In de door het hof behandelde zaak was de arbeidstijd van de werknemer met ingang van 25 april 2017 verminderd. De bevoegdheid tot het indienen van een verzoek tot een transitievergoeding voor het deel van de arbeidsovereenkomst dat is geëindigd, verviel drie maanden later, dus op 26 juli 2017. Het verzoekschrift is op 12 december 2018 ontvangen door de griffie van de rechtbank. Het hof was van oordeel dat het beroep van de werkgever op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.

Het hof heeft de werknemer niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot een gedeeltelijke transitievergoeding, omdat dit verzoek niet is ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst (gedeeltelijk) is geëindigd.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20194187, 200.261.974/01 | 28-11-2019

Premiepercentages Zvw 2020 bekend

De minister voor Medische Zorg heeft de premiepercentages en het maximum bijdrage-inkomen voor de Zorgverzekeringswet voor het jaar 2020 vastgesteld. De hoge premie daalt van 6,95% naar 6,7%. Het hoge percentage is verschuldigd door inhoudingsplichtigen over het loon dat zij betalen. De lage premie daalt van 5,7% naar 5,45%. Het lage percentage geldt voor verzekeringsplichtigen zoals zelfstandigen en dga’s. Het maximale bijdrage-inkomen stijgt in 2020 van € 55.927 naar € 57.232.

Bron: Overig | besluit | Staatscourant nr. 63513, 22 november 2019 | 28-11-2019

Werkgever levert bewijs voor ontslag op staande voet niet

In een procedure naar aanleiding van een ontslag op staande voet gaf de kantonrechter aan de werkgever de opdracht om het bewijs te leveren dat het ontslag onverwijld was gegeven. De werkgever koos er om proceseconomische redenen voor om af te zien van de bewijslevering. Dat had tot gevolg dat het ontslag op staande voet niet overeind bleef. Omdat het een arbeidscontract voor bepaalde tijd betrof, concludeerde de kantonrechter dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd op de einddatum, per 31 december 2018. De werknemer had de kantonrechter niet verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen maar om hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toe te kennen. De arbeidsovereenkomst was aangegaan voor de duur van vijf maanden en na het verstrijken van deze periode met vijf maanden stilzwijgend verlengd. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kon niet tussentijds worden opgezegd. De werkgever had uiterlijk 30 november 2018 aan de wettelijke aanzegverplichting moeten voldoen. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst bevatte een aanzegbepaling. Daarin stond dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet. Deze bepaling heeft zijn werking verloren door de stilzwijgende verlenging van de arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter oordeelde dat de opzegging onregelmatig was en kende de werknemer een vergoeding toe van drie maandsalarissen. De werkgever moest naast achterstallig loon en vakantiegeld ook een billijke vergoeding van € 3.000 betalen voor de materiële en immateriële schade die de werknemer had geleden. Alle bedragen werden vermeerderd met de wettelijke rente.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA201912005, 7527710 RP VERZ 19-50082 | 21-11-2019

Tweede Kamer heeft Belastingplan 2020 aangenomen

De Tweede kamer heeft de wetsvoorstellen, die samen het pakket Belastingplan 2020 vormen, aangenomen. Ook het wetsvoorstel implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2) en het wetsvoorstel implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (DAC6) zijn aangenomen.

De Tweede Kamer heeft via amendementen enkele wijzigingen aangebracht. Zo wordt in de tonnageregeling het winstplafond voor niet-vervoerswerkzaamheden vervangen door een bruto-omzetplafond en wordt de heffingsvermindering in de verhuurderheffing uitgebreid naar meer regio’s dan alleen schaarstegebieden. Verder heeft de Tweede Kamer afgedwongen dat het Koninklijk Besluit dat de inwerkingtreding van de Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven regelt, vooraf zal worden voorgelegd aan de Tweede en de Eerste Kamer.

De Tweede Kamer heeft bij de behandeling van het Belastingplan 2020 ook een aantal moties aangenomen. Het gaat onder meer om de volgende moties:

  • Een motie waarin gevraagd wordt ervoor te zorgen dat de glastuinbouw een beroep kan doen op de SDE+-regeling voor de verduurzaming van kassen, voor de aanschaf van zonnepanelen en voor geothermie.
  • Een motie waarin gevraagd wordt onderzoek te doen naar de effecten van verstoringen in het globaal evenwicht binnen de inkomstenbelasting.
  • Een motie waarin gevraagd wordt onderzoek te doen naar modernisering van de reiskostenvergoeding.
  • Een motie waarin gevraagd wordt om een onafhankelijke toetsing van de budgettaire gevolgen van de omzetting van NEDC1 naar NEDC2 en van NEDC2 naar WLTP voor de bpm.
  • Een motie om bij de bouwstenen voor een nieuw belastingstelsel ook mogelijkheden voor hogere belastingen op vermogens boven € 1 miljoen te onderzoeken.
  • Een motie om de Algemene Rekenkamer op te dragen te onderzoeken welk rendement in box 3 in de jaren 2013 tot en met 2016 zonder te veel risico’s haalbaar was.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2019-0000191778 | 21-11-2019

Eigenwoningforfait 0,6% in 2020

De staatssecretaris van Financiën heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de indexering van het eigenwoningforfait per 1 januari 2020. De wettelijke indexering daarvan vindt plaats aan de hand van de ontwikkeling van het indexcijfer van de woninghuren (stijging van 2,58%) en de ontwikkeling van de woningwaarden (stijging van 8,6%). Het op basis daarvan berekende eigenwoningforfait wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van 0,05%-punt. Deze indexering leidt voor 2020 niet tot een wijziging. Op grond van het Belastingplan 2019 wordt het eigenwoningforfait per 1 januari 2020 verlaagd met 0,05%-punt tot 0,6%.

In dezelfde brief heeft de staatssecretaris de hoogte van de arbeidskorting na indexering meegedeeld. De indexering van de arbeidskorting wordt niet alleen door de tabelcorrectiefactor bepaald, maar ook door de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon. Voor het jaar 2020 is het verloop van de arbeidskorting na indexatie en voorgestelde beleidsmatige wijzigingen als volgt.

 Arbeidsinkomen  Arbeidskorting  Maximaal
 Tot € 9.921  2,812% van arbeidsinkomen  € 279
 Van € 9.921 tot € 21.430  € 279 + 28,812% van het meerdere  € 3.595
 Van € 21.430 tot € 34.954  € 3.595 + 1,656% van het meerdere  € 3.819
 Van € 34.954 tot € 98.604  € 3.819 – 6,0% van het meerdere  –
 Vanaf € 98.604  nihil  
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2019-0000191778 | 21-11-2019