De onbelaste reiskostenvergoeding is een gerichte vrijstelling in de loonbelasting. Op basis van deze vrijstelling kan een werkgever aan werknemers een vergoeding toekennen voor zakelijke kilometers, inclusief woon-werkkilometers, zonder dat de werknemer hierover loonbelasting hoeft te betalen. Het kabinet stelt voor om het maximale onbelaste bedrag per 1 januari 2024 te verhogen naar € 0,23 per zakelijke kilometer. Dit bedrag gaat ook gelden voor de aftrek van reiskosten door IB-ondernemers en resultaatgenieters, die gebruikmaken van een vervoermiddel dat behoort tot het privévermogen. Ook gaat dit bedrag gelden voor de aftrek van specifieke zorgkosten voor reiskosten ziekenbezoek, de kilometervergoeding voor weekenduitgaven van gehandicapten en de giftenaftrek in het geval een vrijwilliger afziet van reiskostenvergoeding.
All posts by jansen_kleton_claudia
Algemeen btw-tarief op agrarische goederen en diensten
Voor de leveringen van bepaalde agrarische goederen geldt het verlaagde tarief van de omzetbelasting. De toepassing van het verlaagde tarief hangt samen met de destijds geldende landbouwregeling. De landbouwregeling is per 1 januari 2018 afgeschaft. Voorgesteld wordt om het verlaagde tarief op deze leveringen per 1 januari 2025 te vervangen door het algemene tarief.
Aanpassingen kindgebonden budget
Het kabinet stelt een aantal aanpassingen van het kindgebonden budget voor:
- Het maximumbedrag voor het eerste kind wordt verhoogd met € 750 per jaar.
- Het maximumbedrag voor het tweede en volgende kinderen gaat met € 883 per jaar omhoog.
- Het extra kindgebonden budget voor kinderen van 12 tot 18 jaar stijgt met € 400 per jaar.
- Het extra kindgebonden budget voor alleenstaande ouders wordt verlaagd met € 619 per jaar.
- De inkomensdrempel voor de berekening van een korting op het kindgebonden budget voor ouderparen wordt verlaagd met € 11.111 per jaar.
De aanpassingen van de genoemde (maximum)bedragen in het kindgebonden budget vinden plaats nadat de bedragen van het kindgebonden budget uit 2023 zijn aangepast op grond van eerder beleid en zijn geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor. Deze factor bedraagt voor 2024 1,099.
Zelfstandigenaftrek en mkb-winstvrijstelling 2024
Voor ondernemers is er geen goed nieuws. De zelfstandigenaftrek daalt van € 5.030 in 2023 naar € 3.750 in 2024. De mkb-winstvrijstelling daalt van 14 naar 12,7% van de winst.
Fiscale beleggingsinstelling
Een fiscale beleggingsinstelling (fbi) is subjectief belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. De winst van een fbi wordt belast tegen een tarief van 0% voor zover deze wordt uitgekeerd aan de beleggers. De regeling voor de fbi wordt aangepast door invoering van de zogenoemde vastgoedmaatregel. Daardoor is het vanaf 1 januari 2025 niet langer mogelijk voor een fbi om direct in Nederlands vastgoed te beleggen. Een beleggingsinstelling, die wel direct in Nederlands vastgoed belegt, wordt regulier belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Een fbi mag wel direct beleggen in vastgoed dat in het buitenland is gelegen.
Er komt een voorwaardelijke en tijdelijke vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2024 voor herstructureringen van bestaande fbi’s die beleggen in Nederlands vastgoed.
Ontbindingsverzoek arbeidsovereenkomst afgewezen
De kantonrechter kan op verzoek van de werkgever een arbeidsovereenkomst ontbinden als daar een redelijke grond voor is. In het Burgerlijk Wetboek is bepaald welke gronden aanleiding voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst kunnen zijn. Voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is verder vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
Een werkgever diende een ontbindingsverzoek in op meerdere gronden. Primair betrof het verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Voor zover deze grond niet zou leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, beriep de werkgever zich op disfunctioneren van de werknemer en op een verstoorde arbeidsverhouding. Tot slot deed de werkgever een beroep op de zogenaamde cumulatiegrond.
Het verwijtbare handelen van de werknemer betrof volgens de werkgever de houding en het gedrag van de werknemer, en dan met name de wijze van communiceren en conflicthantering. De door de werkgever aan de werknemer verweten gedragingen kwalificeerden volgens de kantonrechter niet als verwijtbaar handelen. Voor zover ter zake de werknemer al iets te verwijten valt, zijn de gedragingen niet zo ernstig dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
Het disfunctioneren van de werknemer baseerde de werkgever eveneens op de manier van communiceren en de wijze van conflicthantering. Het inhoudelijke functioneren van de werknemer stond niet ter discussie. Voor zover al sprake van disfunctioneren zou zijn, had de werkgever de werknemer eerst een deugdelijk verbetertraject moeten aanbieden. Zonder een dergelijk traject kan de arbeidsovereenkomst niet wegens disfunctioneren worden ontbonden.
Om als ontbindingsgrond te dienen moet de arbeidsverhouding dermate ernstig en duurzaam verstoord zijn, dat in redelijkheid niet van de werkgever gevraagd kan worden om het dienstverband te laten voortbestaan. De kantonrechter moet dat aan de hand van feiten en omstandigheden kunnen vaststellen. Vervolgens moet blijken dat de werkgever zich zonder resultaat heeft ingespannen om de verstoring van de arbeidsverhouding te herstellen. Aan deze voorwaarden is naar het oordeel van de kantonrechter niet voldaan. Twee van de drie door de werkgever aangehaalde voorvallen hielden verband met een inmiddels vertrokken collega. De werknemer heeft onweersproken gesteld met geen enkele andere collega problemen te hebben. Ten aanzien van het derde voorval heeft de kantonrechter vastgesteld dat de werknemer daarvan geen ernstig verwijt te maken valt. De werkgever heeft niet onderbouwd dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord.
Kamerbrief arbeidsmigratie
De minister van SZW heeft een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over arbeidsmigratie. De brief is een reactie op een motie waarin het kabinet wordt opgeroepen om voorgestelde maatregelen over arbeidsmigratie uit te werken. De minister benadrukt dat het kabinet over deze maatregelen, als onderdeel van het bredere pakket aan migratiebeperkende maatregelen, geen overeenstemming heeft bereikt.
Sommige maatregelen beogen het aantal arbeidsmigranten in Nederland te verminderen. Andere maatregelen leiden tot het faciliteren van gerichte arbeidsmigratie naar Nederland. Het gaat dan onder meer over het gericht inzetten van subsidies en fiscale faciliteiten en om het aanpassen van de kennismigrantenregeling.
De minister wijst erop dat de maatregelen nog niet uitgebreid zijn getoetst op haalbaarheid en budgettaire gevolgen. Veel maatregelen vragen om nadere uitwerking en keuzes. Ter uitvoering van de motie zijn de maatregelen en bijbehorende uitwerkingen, zoals deze binnen het kabinet zijn besproken, aan de Tweede Kamer voorgelegd.
Geen tijdsevenredige herleiding premie-inkomen in jaar van overlijden
In de ministeriële regeling Wet financiering sociale verzekeringen is opgenomen dat het maximum premie-inkomen in geval van overlijden niet tijdsevenredig wordt herleid. De ministeriële regeling is gebaseerd op een delegatiebepaling in de Wet financiering sociale verzekeringen. Het is de rechter niet toegestaan om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. Dat geldt in beginsel ook voor de ministeriële regeling, omdat deze haar grondslag vindt in de wet. Wel kan de ministeriële regeling onverbindend worden verklaard als duidelijk is dat zij leidt tot een heffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad of als die regeling in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel of met een verdragsbepaling.
Hof Den Bosch constateert dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om overlijden uit te sluiten van de tijdsevenredige herleiding van het maximum premie-inkomen. Dat betekent dat de minister niet buiten de grenzen van zijn bevoegdheid is getreden in de regeling. Volgens het hof is geen sprake van strijdigheid met enig algemeen rechtsbeginsel. Evenmin is sprake van discriminatie. De door de belanghebbenden in de procedure getrokken vergelijking met een emigrerende werknemer gaat niet op. De situatie van een emigrerende werknemer is niet vergelijkbaar met die van een overledene.
Kamerbrief inhoud Belastingplan 2024
De staatssecretaris van Financiën heeft een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over de inhoud van het Belastingplan 2024. Vanwege de demissionaire status heeft het kabinet ervoor gekozen om maatregelen zoveel mogelijk als zelfstandig wetsvoorstel in dienen. Gevolg is dat het pakket naar verwachting uit twaalf wetsvoorstellen zal bestaan. Het gaat om de volgende wetsvoorstellen:
- Belastingplan 2024;
- Belastingplan BES Eilanden 2024;
- Overige fiscale maatregelen 2024;
- Fiscale klimaatmaatregelen glastuinbouw;
- Fiscale klimaatmaatregelen elektriciteit en industrie;
- Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling;
- Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling;
- Fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen;
- Wet compensatie selectie aan de poort;
- Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm;
- Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2024;
- Wet tijdelijke regeling herzien aangifte Inkomstenbelasting.
1. Wetsvoorstel Belastingplan 2024
Dit wetsvoorstel bevat zoals gebruikelijk fiscale maatregelen met budgettaire gevolgen, waaronder koopkrachtmaatregelen.
2. Wetsvoorstel Belastingplan BES Eilanden 2024
Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de BES-eilanden) hebben sinds de wijziging van hun staatsrechtelijke positie binnen het Koninkrijk op 1 januari 2011 een afzonderlijk fiscaal stelsel. Het fiscale stelsel op de BES-eilanden bevat een aantal bepalingen en onderdelen die moeten worden verbeterd. Dit wetsvoorstel omvat aanpassingen en verbeteringen.
3. Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2024
De maatregelen in dit wetsvoorstel hebben geen gevolgen voor het budgettaire beeld, maar zijn bedoeld om fouten in wetgeving te herstellen en gerechtelijke uitspraken te codificeren.
4. Wetsvoorstel Fiscale klimaatmaatregelen glastuinbouw
Het kabinet streeft naar een reductie van de uitstoot van broeikasgassen. Dit wetsvoorstel omvat een pakket maatregelen dat ervoor moet zorgen dat de uitstoot van de glastuinbouwsector in 2030 is beperkt tot 4,3 Megaton.
5. Wetsvoorstel Fiscale klimaatmaatregelen elektriciteit en industrie
Dit wetsvoorstel omvat maatregelen om de vrijstellingen voor metallurgische en mineralogische procedés en de vrijstelling duaal en non-energetisch gebruik van kolen in de kolenbelasting af te schaffen en de hoogte van de minimum CO2-prijs voor de elektriciteitssector en de industrie aan te passen.
6. Wetsvoorstel Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling
Dit wetsvoorstel past de definitie van het fonds voor gemene rekening en de regeling voor de vrijgestelde beleggingsinstelling in de vennootschapsbelasting aan. Het voorstel is om deze wijzigingen per 1 januari 2025 in werking te laten treden. Per 1 januari 2024 wordt voorzien in overgangsrecht.
7. Wetsvoorstel Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling
Dit wetsvoorstel past de regeling voor de fiscale beleggingsinstelling in de vennootschapsbelasting aan. Door de aanpassing zal het vanaf 1 januari 2025 niet meer mogelijk zijn voor een fiscale beleggingsinstelling om direct te beleggen in Nederlands vastgoed.
8. Wetsvoorstel Fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen
Dit wetsvoorstel bevat aanpassingen van het kwalificatiebeleid voor (buitenlandse) rechtsvormen voor Nederlandse fiscale doeleinden.
9. Wetsvoorstel Wet compensatie selectie aan de poort
Bij het proces Selectie aan de Poort werden aangiften inkomstenbelasting onder meer beoordeeld op mogelijke systeemfraude. Mogelijk was de selectie meer gericht op kenmerken van de belastingplichtige dan op fiscale risico’s. Deze aangiften zullen opnieuw worden beoordeeld. Als de selectie op niet-fiscale gronden heeft plaatsgevonden, wil het kabinet de betreffende burger compenseren.
10. Wetsvoorstel Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
Met het wetsvoorstel wordt beoogd de financiële prikkel voor ‘no-cure-no-pay’-bedrijven om procedures te starten en voort te zetten met als voornaamste reden het verkrijgen van een proceskostenvergoeding te beperken.
11. Wetsvoorstel Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2024 (de BOR en de DSR)
Dit wetsvoorstel bevat vijf maatregelen om de fiscale bedrijfsovergangsfaciliteiten aan te passen, plus de op Prinsjesdag 2022 aangekondigde maatregel om aan derden verhuurd vastgoed wettelijk aan te merken als beleggingsvermogen.
12. Wetsvoorstel Wet tijdelijke regeling herzien aangifte inkomstenbelasting
De Belastingdienst hanteert een werkwijze die ervoor zorgt dat belastingplichtigen en de Belastingdienst niet onnodig juridisch en formeel hoeven te communiceren over aanpassing van de aanslag inkomstenbelasting. Voor deze werkwijze is een wettelijke grondslag nodig.
Prejudiciële vraag over berekening premiedeel ouderenkorting
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag voorgelegd. De vraag van de rechtbank is hoe voor een buitenlands belastingplichtige, die premieplichtig is in Nederland, het premiedeel van de ouderenkorting moet worden berekend.
Volgens de Wet IB 2001 wordt de omvang van het belastbare inkomen van een binnenlandse en een buitenlandse belastingplichtige principieel anders bepaald. Van een binnenlandse belastingplichtige wordt het wereldinkomen belast. Voor buitenlandse belastingplichtigen is in de Wet IB 2001 gedefinieerd welke inkomensbestanddelen behoren tot het belastbare inkomen uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen. Het inkomen uit werk en woning is daarin gedefinieerd als het inkomen uit werk en woning in Nederland. Uitgaande van die tekst van de Wet IB 2001 zou geoordeeld kunnen worden dat het begrip verzamelinkomen voor de berekening van de heffingskortingen moet worden uitgelegd als het in Nederland belastbare inkomen uit werk en woning, vermeerderd met het inkomen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en belegen.
Het belastbare inkomen van de buitenlandse belastingplichtige bestond uit een AOW-uitkering van € 7.991. Zijn niet in Nederland belastbare inkomsten bedroegen € 47.762. De rechtbank overweegt dat de belanghebbende geen recht heeft op het premiedeel van de ouderenkorting als wordt uitgegaan van zijn wereldwijde inkomen. Dat is anders wanneer wordt uitgegaan van het in Nederland belastbare inkomen. De rechtbank vraagt zich af of voor de toepassing van de ouderenkorting het begrip verzamelinkomen moet worden uitgelegd als de som van het in Nederland belastbare inkomen. Als dat het geval is, zou de belanghebbende een ouderenkorting krijgen, die is gebaseerd op een beperkte draagkracht, terwijl hij veel meer draagkracht heeft.
