All posts by jansen_kleton_claudia

Inspectie SZW controleert op aanwezigheid RI&E

De Arbowet bepaalt dat de werkgever moet zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van zijn werknemers en verplicht de werkgever om een beleid te voeren dat is gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden. De werkgever moet het arbeidsomstandighedenbeleid regelmatig toetsen aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan en zo nodig de op dat beleid gebaseerde maatregelen aanpassen. Onderdeel van het arbeidsomstandighedenbeleid is een inventarisatie en evaluatie van de risico's die voor de werknemers aan de arbeid zijn verbonden. De werkgever moet deze risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) schriftelijk vastleggen. De RI&E moet naast een beschrijving van de gevaren ook de risicobeperkende maatregelen bevatten die werkgever neemt. De RI&E is een dynamisch geheel, dat wil zeggen dat deze wordt aangepast zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden daartoe aanleiding geven.

RI&E

Voor het opstellen van de RI&E zijn instrumenten ontwikkeld door brancheorganisaties. Deze zijn afgestemd op veel voorkomende risico’s in de betreffende branche. Als alternatief kan gebruik gemaakt worden van het algemene MKB RI&E-instrument. Werkgevers die voor in totaal niet meer dan 40 uur per week arbeid laten verrichten kunnen gebruik maken van een verkorte versie van de RI&E, de checklist gezondheidsrisico’s. De werkgever moet de RI&E laten toetsen door een gecertificeerde persoon of arbodienst. De verplichte toetsing geldt niet voor de werkgever die niet meer dan 25 werknemers in dienst heeft, mits hij gebruik gemaakt heeft van een goedgekeurd RI&E-instrument.

Controle

De Inspectie SZW controleert op naleving van de Arbowetgeving. Onderdeel van die controle is de aanwezigheid van een RI&E met het bijbehorende plan van aanpak. Het ontbreken daarvan of het niet op orde hebben van de RI&E is een overtreding die kan worden beboet. De hoogte van de boete is afhankelijk van de grootte van het bedrijf. Het normbedrag voor het ontbreken van een RI&E is € 3.000. De op te leggen boete is een percentage van het normbedrag. Dat begint bij 10% voor werkgever met 1 tot 4 werknemers en loopt op tot 100% bij 500 of meer werknemers.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 03-04-2019

Kamervragen flexibele AOW-leeftijd

In 2017 is in opdracht van het ministerie van SZW onderzoek gedaan naar de meerwaarde van een flexibele AOW-ingangsdatum. De conclusie van dit onderzoek was dat een flexibele AOW-leeftijd om drie redenen niet veel toegevoegde waarde heeft.

De eerste reden is dat de meeste mensen voldoende pensioen hebben opgebouwd om hun aanvullend pensioen eerder te kunnen laten ingaan. De tweede reden is dat door een flexibele AOW-leeftijd mensen slechts vier maanden eerder met pensioen kunnen gaan. Uitgangspunt bij flexibilisering van de AOW-leeftijd is dat voor elk jaar dat mensen hun uitkering eerder laten ingaan een actuarieel neutrale korting wordt toegepast op de AOW-uitkering. Om te voorkomen dat mensen door het eerder laten ingaan van de AOW-uitkering onder het sociaal inkomensminimum zouden zakken, is de vervroeging beperkt tot vier maanden.

De derde reden is dat een flexibele AOW-leeftijd geen effect lijkt te hebben op de daadwerkelijke pensioenleeftijd. Uit een enquête is gebleken dat mensen een sterke voorkeur hebben voor vervroegd pensioen, vooral in deeltijd, maar dat zij tegelijk een hoger inkomen prefereren dan het sociaal minimum, gegeven hun uitgavenpatroon.

In een economisch vakblad is ingegaan op dit onderzoek en dan met name op de beperkte vervroeging van de ingangsdatum van de AOW. Door een lager kortingspercentage te hanteren, uit te gaan van een lager sociaal minimum en van de veronderstelling dat de overdraagbaarheid van de heffingskortingen in het sociaal minimum in 2035 volledig zal zijn afgebouwd, is de uitkomst dat in dat jaar de AOW ruim twee jaar naar voren kan worden gehaald zonder dat men door de actuariële korting onder het dan geldende sociaal minimum zakt. Over dit artikel zijn vragen gesteld aan de minister van Sociale Zaken. De minister is van mening dat de toegevoegde waarde van een flexibele AOW voor burgers beperkt blijft zelfs als andere uitgangspunten worden gehanteerd. Deze toegevoegde waarde weegt niet op tegen de toegenomen complexiteit van een flexibele AOW-leeftijd.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000026661 | 03-04-2019

Ritten naar golfclub deels privé

De dga van een bv had de beschikking over een auto van de bv. In het jaar 2011 had de dga een “verklaring geen privégebruik auto”. Volgens de bijgehouden rittenadministratie heeft de dga in dat jaar 326 privékilometers met de auto gereden. De rittenadministratie omvatte in 2011 79 ritten naar en van golfclubs. Volgens de rittenadministratie waren dit zakelijke ritten, omdat de dga tijdens deze bezoeken aan de golfclubs alleen zakelijke relaties heeft ontmoet op afspraak. De Belastingdienst merkte deze ritten aan als privé. Het aantal privékilometers in 2011 kwam daardoor uit op meer dan 500. De Belastingdienst legde daarom een naheffingsaanslag loonheffingen op aan de dga.

Volgens Hof Den Bosch hadden de ritten een gemengd, deels zakelijk en deels privékarakter. Volgens een door de dga ingebrachte rapportage over 2010 speelde een golfer gemiddeld zeventien rondjes per jaar. Het hof merkte dat aantal bezoeken aan niet als zakelijk. Omdat in deze procedure niet duidelijk was of de dga naast de in zijn kilometeradministratie opgenomen ritten ook nog met zijn privéauto naar de glofclub was gereden, merkte het hof de kilometers die samenhingen met 17 bezoeken aan de golfclubs aan als privékilometers. De minimale afstand voor een enkele reis naar een golfclub volgens de rittenadministratie bedroeg acht kilometer. Op basis daarvan bedroeg het aantal als privé aangemerkte kilometers minimaal 8 x 2 x 17 = 272. Dit aantal opgeteld bij het aantal in de rittenadministratie verwerkte privékilometers van 326 leidde tot een totaal aantal van 598 kilometers privé. Volgens het hof heeft de inspecteur terecht een naheffingsaanslag voor de bijtelling opgelegd.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof zonder nadere motivering ongegrond verklaard.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | 03-04-2019

Onzuivere pensioenregeling

Het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting met België kent de mogelijkheid dat het ene land een pensioenregeling van het andere land voor een periode van vijf jaar erkent, om het mogelijk te maken dat de pensioenopbouw wordt voortgezet wanneer een werknemer in het andere land gaat werken. De werknemer moet dan al hebben bijgedragen aan deze pensioenregeling voordat hij in de andere staat is gaan werken. In een besluit van het ministerie van Financiën uit 2008 is dat voor tijdelijke tewerkstellingen vanuit andere EU-lidstaten uitgewerkt in de vorm van erkenning onder voorwaarden van buitenlandse pensioenregelingen. De aanwijzing als erkende pensioenvoorziening geldt volgens het besluit voor de periode van tewerkstelling, maar niet langer dan vijf jaar.

Een Belgische pensioenregeling kende de mogelijkheid van een eenmalige kapitaaluitkering in plaats van een levenslange periodieke uitkering. Door deze mogelijkheid voldeed de pensioenregeling niet aan de voorwaarden van de Nederlandse Wet op de loonbelasting en gold de regeling als een onzuivere pensioenregeling. Als een pensioenvoorziening onzuiver is, heeft dat tot gevolg dat de aanspraak op pensioen tot het loon wordt gerekend en dat de betaalde pensioenpremie niet in mindering op het brutoloon komt. In dit geval gebeurde dat niet omdat de Belastingdienst voor een in Nederland gedetacheerde Belgische werknemer de Belgische pensioenregeling heeft aangewezen als een zuivere pensioenregeling voor een periode van vijf jaar, ingaande op 1 juli 2007 en eindigend op 1 juli 2012.

Bij voortzetting na die datum zou de pensioenregeling onzuiver worden en de aanspraak moeten worden belast. Omdat de Belastingdienst in de situatie van een in Nederland wonende grensarbeider, die in dienst van een in België gevestigde werkgever in beide landen werkt, de pensioenaanspraak niet belast, mocht dat in dit geval ook niet. Naar het oordeel van Hof Den Bosch gaat het om vergelijkbare situaties. Het verschil in behandeling van de pensioenregeling is niet gebaseerd op de wet, maar kennelijk op door de Belastingdienst gevoerd begunstigend beleid. Een rechtvaardiging voor deze begunstigende behandeling ontbrak. Daarom had de Belgische werknemer op grond van het gelijkheidsbeginsel recht op deze begunstigende fiscale behandeling.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE2019251, 17/00633 | 03-04-2019

Consultatie aanpassing Besluit Wet financiering sociale verzekeringen

De premiedifferentiatie voor de ZW en de WGA is afhankelijk van de grootteklasse van de werkgever. Er zijn drie grootteklassen, namelijk kleine, middelgrote en grote werkgevers. De indeling is afhankelijk van de loonsom twee jaar eerder (t-2). Voor kleine werkgevers is de gedifferentieerde WGA-premie gelijk aan de sectoraal bepaalde premie. Voor grote werkgevers wordt een individuele premie bepaald op basis van hun individuele lasten en loonsom. Voor middelgrote werkgevers wordt een gewogen gemiddelde bepaald van de sectoraal bepaalde premie en de individuele premie.

Voor startende werkgevers ontbreken gegevens van de loonsommen of zijn deze onvolledig, waardoor de grootteklasse niet te bepalen is. Daarom geldt in de eerste twee jaar de sectorale premie, die gebaseerd is op de lasten en loonsommen van soortgelijke werkgevers binnen dezelfde sector. Volgens de Hoge Raad is de huidige premievaststelling in de eerste twee werkgeversjaren in strijd met het Besluit Wet financiering sociale verzekeringen en moet de Belastingdienst ook voor startende werkgevers het rekenpercentage als uitgangspunt voor de premiedifferentiatie houden. Op die manier wordt een premie gehanteerd die volgens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid minder goed aansluit bij het ZW en WGA-risico van de betreffende werkgever. Het besluit wordt nu aangepast. Voor startende werkgevers is de premie voor de Werkhervattingskas gelijk aan de premie voor kleine werkgevers. Die premie is de som van de sectorale premiecomponenten op basis van de WGA-lasten en de ZW-lasten voor werknemers in de betreffende sector. Voor grote en middelgrote werkgevers in hun derde werkgeversjaar kan nog geen individueel werkgeversrisicopercentage worden berekend. Daarom wordt voor die werkgevers gerekend met het gemiddelde percentage. De aanpassing van het besluit treedt in werking op 1 januari 2020 en geldt vanaf dat moment ook voor startende werkgevers die korter dan twee jaar bestaan.

De aanpassing van het besluit ligt nu ter consultatie.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 03-04-2019

Ontbinding wegens verwijtbaar gedrag

De kantonrechter heeft op verzoek van een werkgever de arbeidsovereenkomst met een werkneemster wegens ernstig verwijtbaar gedrag ontbonden. Een van de taken van de werkneemster was het vervaardigen en de uitgifte van toegangspassen voor het bedrijfsterrein van de werkgever. Het bedrijfsterrein was gelegen in het Rotterdamse havengebied. De werkneemster had tegen betaling toegangspassen verstrekt aan criminelen, die daarmee in staat waren om drugs uit op het bedrijfsterrein aanwezige containers te halen. Vanwege het verwijtbare gedrag kon de kantonrechter de arbeidsovereenkomst eerder laten eindigen dan met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn het geval zou zijn. Daarnaast had de werkneemster geen recht op een transitievergoeding omdat de beëindiging aan haar gedrag was te wijten.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20191733, 7495907 VZ VERZ 19-1179 | 03-04-2019

Beoordeling arbeidsverhouding bestuurder met management-bv

Werknemer is de natuurlijke persoon die werkt in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Werknemers zijn verzekerd voor ziekte, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. De werkgever betaalt de premies voor de werknemersverzekeringen. Er bestaat een privaatrechtelijke dienstbetrekking als partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet voldaan zijn aan drie voorwaarden:

  • een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer;
  • de verplichting van de werknemer om arbeid persoonlijk te verrichten;
  • de verplichting van de werkgever om loon te betalen.

Volgens de Hoge Raad bestaat er een gezagsverhouding tussen de bestuurder van een vennootschap en de vennootschap als de bestuurder zich heeft verbonden om de bestuurderswerkzaamheden tegen loon te verrichten. Een bestuurder kan zich ook jegens de vennootschap hebben verbonden om werkzaamheden te verrichten op basis van een overeenkomst van opdracht. De beoordeling van de arbeidsverhouding vindt plaats met inachtneming van alle relevante omstandigheden. Een tweetal procedures voor de rechtbank Gelderland laat zien dat de uitkomst verschillend kan zijn.

In de eerste procedure negeerde de rechtbank het bestaan van managementovereenkomsten tussen drie beheervennootschappen en een werkvennootschap. De beheervennootschappen waren minderheidsaandeelhouders. De managementovereenkomsten bevatten bepalingen die meer wezen op een arbeidsovereenkomst dan op een overeenkomst van opdracht. Zo mochten de beheervennootschappen de werkzaamheden niet zonder voorafgaande toestemming van de werkvennootschap door een ander laten uitvoeren en was een vaste maandvergoeding afgesproken op basis van een 40-urige werkweek. Bij ziekte zou de vergoeding volgens de overeenkomst gedurende twaalf maanden worden doorbetaald. Verder omvatten de managementovereenkomsten een non-concurrentiebeding voor een periode van twee jaar na beëindiging van de werkzaamheden.

Omdat sprake was van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen waren de bestuurders verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen. De in de regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 opgenomen uitzonderingen op de verzekeringsplicht deden zich niet voor. De bestuurders bezaten samen niet alle aandelen van de werkvennootschap. De aandelen waren ook niet gelijk verdeeld onder de aandeelhouders.

In de tweede procedure was de uitkomst anders. Ook deze procedure betrof de kwalificatie van de arbeidsverhouding van bestuurders, die op basis van managementovereenkomsten werkzaam waren. Volgens de overeenkomsten moesten zij de arbeid persoonlijk verrichten. Hun beheervennootschappen hadden geen andere mensen in dienst. Beide beheervennootschappen waren minderheidsaandeelhouders in de vennootschap waarvoor de werkzaamheden werden verricht. De rechtbank zag aanknopingspunten voor het aannemen van arbeidsovereenkomsten, maar ook voor overeenkomsten van opdracht. De rechtbank besloot tot het laatste, omdat beide bestuurders hun persoonlijke kennis en expertise ook gebruikten voor de ontwikkeling van nieuwe concepten buiten de vennootschap waarvan zij bestuurder waren. Dat de bestuurders formeel gezien hun eigen ontslag niet konden tegenhouden vond de rechtbank niet doorslaggevend voor de beoordeling van de arbeidsverhouding. Wel belangrijk vond de rechtbank dat de managementovereenkomsten geen voorwaarden omvatten waaronder de opdracht moest worden uitgevoerd. Zo ontbraken afspraken over werktijden en vakantiedagen, auto’s en onkostenvergoedingen. Dergelijke voorwaarden stonden wel in de arbeidsovereenkomsten die de bestuurders met hun beheervennootschappen waren overeengekomen. Voor deze bestuurders gold geen verzekeringsplicht.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBGEL20191115, AWB 17/6839, 17/6842 en 17/6843 en ECLINLRBGEL2019918 | 27-03-2019

Auto van de zaak als arbeidsvoorwaarde

Volgens het Burgerlijk Wetboek mag een werkgever met een beroep op een tussen partijen geldend schriftelijk beding een arbeidsvoorwaarde van een werknemer eenzijdig wijzigen. De werkgever moet bij de wijziging van de arbeidsvoorwaarde een zwaarwegend belang hebben.

Een werkgever kende voor zijn werknemers een autoregeling. Criteria voor toekenning van een auto van de zaak waren een jaarlijks aantal zakelijke kilometers van ten minste 10.000 of een koppeling aan het functieniveau. Het niet meer voldoen aan de criteria was volgens de regeling aanleiding om deelname aan de regeling te beëindigen. De werkgever wilde de deelname aan de autoregeling van een werknemer beëindigen omdat hij in de twee voorgaande jaren minder dan 10.000 zakelijke kilometers had gereden. De werknemer mocht de auto na de kennisgeving nog enkele maanden gebruiken. De werkgever bood de werknemer ter compensatie een financiële vergoeding aan. De werknemer meende dat sprake was van een arbeidsvoorwaarde die de werkgever niet mocht beëindigen. Volgens de werkgever was de verstrekking van een auto geen arbeidsvoorwaarde.

De kantonrechter deelde de opvatting van de werknemer dat de verstrekking van een auto moet worden gezien als een arbeidsvoorwaarde. De werknemer had vanaf 2004 een auto van de werkgever ter beschikking, die hij ook privé mocht gebruiken. De brandstof voor het privégebruik werd door de werkgever betaald. Volgens de kantonrechter moet een dergelijk voordeel vanwege de aard en de duur worden aangemerkt als een arbeidsvoorwaarde.

Het in de autoregeling opgenomen beding gold als een eenzijdig wijzigingsbeding. De werkgever had, gezien de kosten van de auto, een voldoende zwaarwegend belang bij de beëindiging van de terbeschikkingstelling van de auto aan de werknemer. Wel moest de werkgever toestaan dat de werknemer de auto nog enkele maanden mag gebruiken en hem gedurende een zekere periode compenseren voor een deel van het optredende nadeel.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO20191698, | 27-03-2019

Conceptbesluit fiscaal overgangsrecht Brexit

De Brexit zou aanvankelijk op 29 maart 2019 plaatsvinden. Op verzoek van het VK is uitstel verleend tot in ieder geval 12 april. Mogelijk wordt het uitstel nog verlengd. Dat betekent dat het conceptbesluit met fiscaal overgangsrecht voor het geval van een Brexit zonder overeenkomst vooralsnog niet wordt vastgesteld en gepubliceerd. Mogelijk treedt het overgangsrecht niet in werking, aangezien een terugtrekkingsovereenkomst nog steeds tot de mogelijkheden behoort.

In reactie op vragen die in de Tweede Kamer zijn gesteld over het conceptbesluit heeft de staatssecretaris gezegd dat het overgangsrecht alleen geldt voor het boekjaar waarin de Brexit plaatsvindt. Het overgangsrecht is bedoeld om te voorkomen dat in hetzelfde boekjaar een verschillende fiscale behandeling plaatsvindt van hetzelfde feitencomplex.

Het niet hoeven stellen van zekerheid geldt voor de gehele looptijd van op 30 maart 2019 opgelegde conserverende belastingaanslagen waarvoor op die datum uitstel van betaling is verleend. Er wordt ook geen zekerheid gevraagd als de emigratie voor 30 maart 2019 heeft plaatsgevonden en er nog geen conserverende belastingaanslag is opgelegd. Voor op te leggen belastingaanslagen in verband met emigratie tussen 30 maart 2019 en 1 januari 2020 hoeft geen verzoek om uitstel te worden gedaan en zal eveneens geen zekerheid worden geëist.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2019-0000049657 | 27-03-2019

Transitievergoeding verschuldigd ondanks financiële problemen werkgever

In het Burgerlijk Wetboek staat dat een tussen partijen geldende regel niet van toepassing is als dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De rechter moet met een beroep op de redelijkheid en billijkheid terughoudend omgaan, zeker als het gaat om een regel van dwingend recht. Als in de wettelijke regel al een afweging van belangen is gemaakt door de wetgever, dan heeft een beroep op de redelijkheid en billijkheid alleen in uitzonderlijke gevallen kans van slagen.

Bij de regeling van de transitievergoeding heeft de wetgever een afweging van belangen gemaakt. Zo is de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd als hij failliet is verklaard, aan hem surseance van betaling is verleend of onder de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen valt. De transitievergoeding kan in termijnen worden betaald als betaling ineens tot onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering van de werkgever leidt.

Een werkgever wilde met een beroep op de redelijkheid en billijkheid de aan een ontslagen werknemer verschuldigde transitievergoeding niet betalen. Het beroep was gebaseerd op financiële problemen van de werkgever. Die problemen waren aanleiding voor het ontslag. Volgens de kantonrechter zijn financiële problemen niet heel uitzonderlijk. Wel honoreerde de kantonrechter het verzoek om betaling in zes termijnen. De kantonrechter vond dat de werkgever voldoende had aangetoond dat betaling ineens van de transitievergoeding tot problemen zou leiden.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO20192030, 7448538 \ AO VERZ 19-1 | 20-03-2019