All posts by jansen_kleton_claudia

Werknemersverzoek ontbinding slapend dienstverband

De kantonrechter kan op verzoek van een werknemer diens arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst meteen of na korte tijd behoort te eindigen.


De kantonrechter heeft een verzoek tot ontbinding van een slapend dienstverband afgewezen. De werknemer was meer dan twee jaar arbeidsongeschikt en ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Volgens de kantonrechter heeft de werknemer geen omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan de arbeidsovereenkomst meteen of na korte tijd zou moeten eindigen. Tussen werkgever en werknemer bestond een geschil dat betrekking had op het verzoek van de werknemer om een eindafrekening op te maken. De werkgever stelde zich op het standpunt dat een eindafrekening alleen bij einde dienstverband kon worden opgemaakt. Daarom heeft de werkgever een vaststellingsovereenkomst opgesteld waarin staat dat de werknemer het initiatief tot beëindiging van het dienstverband heeft genomen. De kantonrechter vond van belang dat de werknemer op korte termijn de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken waardoor de arbeidsovereenkomst eindigt.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBLIM2019855, 7404233 AZ VERZ 18-197 | 27-02-2019

Te hoge loondoorbetaling in deel tweede ziektejaar

De werkgever is verplicht ten minste 70% van het loon van een arbeidsongeschikte werknemer door te betalen gedurende maximaal 104 weken. Gedurende de eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid is het doorbetaalde loon ten minste gelijk aan het wettelijk minimumloon. In de arbeidsovereenkomst, een cao of een arbeidsvoorwaardenregeling wordt vaak ten gunste van de werknemer afgeweken van de wettelijke verplichting.


Zo bevatte een arbeidsvoorwaardenregeling een bepaling dat gedurende het eerste ziektejaar 100% van het loon wordt doorbetaald en in het tweede ziektejaar 70%. In afwijking van deze bepaling werd aan een arbeidsongeschikte werknemer na het verstrijken van het eerste ziektejaar nog enige tijd 100% van het loon doorbetaald. Vervolgens betaalde de werkgever, na schriftelijke aankondiging daarvan aan de werknemer, 70% van het loon door. De werknemer vorderde betaling van 100% van het loon. De werknemer meende erop te mogen vertrouwen dat het loon gedurende het hele tweede ziektejaar voor 100% zou worden doorbetaald. De kantonrechter wees de vordering van de werknemer af. In hoger beroep heeft Hof Den Bosch het vonnis van de kantonrechter onderschreven.


Het hof merkt op dat de vraag, wanneer uit een door de werkgever gevolgde gedragslijn een aanvullende arbeidsvoorwaarde voortvloeit, zich niet in algemene zin laat beantwoorden. In dit geval was aannemelijk dat sprake was van een vergissing, die mede werd veroorzaakt doordat de medewerker, die de loonverlaging had moeten doorvoeren, ziek thuis was. Nadat het de directeur duidelijk was geworden wat de situatie van de werknemer was, heeft hij ervoor gezorgd dat het loon werd teruggebracht tot 70%. Onder deze omstandigheden mocht de werknemer er niet op vertrouwen dat hij aanspraak had op doorbetaling van 100% van zijn loon.


Ook op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid had de werknemer volgens het hof geen aanspraak op 100% doorbetaling. Het hof merkt daarbij op dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid in beginsel beperkt is tot gevallen waarin de overeenkomst tussen partijen een leemte bevat. Die leemte is er in dit geval niet, omdat de arbeidsvoorwaardenregeling voorziet in een loonbetalingsregeling bij ziekte.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE2019591, zaaknummer 200.247.947/01 | 27-02-2019

Wetsvoorstel recht op onbereikbaarheid werknemers

Er is een voorstel tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs ter consultatie gepubliceerd. De voorgestelde wijziging betreft de invoering van een recht op onbereikbaarheid voor werknemers. Door de komst van smartphones en tablets zijn werknemers altijd bereikbaar. Werknemers ervaren druk om tijdens hun vrije tijd te reageren op werkberichten. De initiatiefnemer voor het wetsvoorstel is van mening dat iedereen recht heeft op ongestoorde vrije tijd en dat dit recht van groot belang is om stress en burn-outklachten te verminderen of te voorkomen.

Het wetsvoorstel met memorie van toelichting is te vinden op https://www.internetconsultatie.nl//rechtoponbereikbaarheid. Wie dat wil kan daar zijn commentaar achterlaten.

Bron: Overig | wetsvoorstel | 20-02-2019

Bijdrage zorgverzekeringswet en lijfrentepremieaftrek

Bij het staken van de onderneming wordt de door de ondernemer gevormde oudedagsreserve tot de stakingswinst gerekend. De ondernemer kan directe belastingheffing over de oudedagsreserve voorkomen door een lijfrente te bedingen. Voor de berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt echter geen rekening gehouden met de aftrek van de lijfrentepremie. Daardoor ontstaat dubbele heffing, omdat over de uitkeringen te zijner tijd de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw zal worden geheven.

Hof Den Haag heeft geoordeeld dat een ondernemer die als zelfstandige pensioen opbouwt met een lijfrente, ongelijk wordt behandeld ten opzichte van werknemers die een pensioen opbouwen. Bij werknemers die pensioen opbouwen vermindert de eigen bijdrage de grondslag voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Voor deze ongelijke behandeling bestaat volgens het hof geen objectieve rechtvaardiging. Dat baatte de ondernemer niet, omdat het hof meende dat het geen rechtsherstel kon bieden. De Hoge Raad denkt daar anders over. De wetgever heeft niet bedoeld om een discriminerende dubbele bijdrageheffing te veroorzaken. Het systeem van de wet houdt in dat dubbele heffing voorkomen wordt door premies voor oudedagsvoorzieningen die later tot Zvw-bijdrageplichtige uitkeringen leiden, buiten het Zvw-bijdrage-inkomen te laten. Dat kan volgens de Hoge Raad in dit geval ook door de premie voor de lijfrente in mindering te brengen op het bijdrage-inkomen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20182175, 17/03140 | 20-02-2019

Concurrentiebeding en arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

In een procedure in kort geding vroeg een ex-werknemer schorsing van het met zijn vorige werkgever overeengekomen relatie- en concurrentiebeding. De arbeidsovereenkomst tussen partijen was aangegaan voor bepaalde tijd. De kantonrechter heeft de bedingen geschorst totdat in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid ervan een einduitspraak zal zijn gedaan. In een kort geding is geen ruimte voor een uitgebreid feitenonderzoek. Dat vindt plaats in de bodemprocedure. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. De werkgever heeft tegen de uitspraak van het hof cassatie aangetekend. In een conclusie gaat de Advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad in op de rechtsgeldigheid van concurrentie- en relatiebedingen in een tijdelijke arbeidsovereenkomst.

In een arbeidsovereenkomst kan een beding worden opgenomen dat de werknemer verbiedt om na het einde van de arbeidsovereenkomst voor kortere of langere tijd “op een bepaalde wijze werkzaam te zijn”. Zowel een concurrentiebeding als een relatiebeding valt onder deze wetsbepaling. Deze bedingen moeten schriftelijk zijn vastgelegd en mogen alleen met een meerderjarige werknemer worden overeengekomen. In een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is een dergelijk beding alleen toegestaan als uit de schriftelijke motivering van de werkgever blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. De werkgever moet aangeven om welke belangen het gaat. Het ontbreken van een motivering maakt het beding ongeldig. De rechter heeft de mogelijkheid om een beding geheel of gedeeltelijk te vernietigen wanneer het beding niet noodzakelijk is vanwege zwaarwegende belangen van de werkgever of wanneer de belangenafweging in het nadeel van de werkgever uitvalt.

De A-G zegt in de conclusie dat in de wet en de wetshistorie geen steun is te vinden voor het standpunt van de werkgever dat een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geldig is zodra er ‘enige’ motivering is opgenomen, tenzij deze volstrekt onzinnig is.

Bron: Hoge Raad | Conclusie AG | ECLINLPHR201946, 18/00959 | 20-02-2019

Discriminatie sollicitante

De Algemene wet gelijke behandeling verbiedt ongelijke behandeling op basis van onder meer ras en afkomst, geslacht en zwangerschap. Bescherming op grond van deze wet kan worden ingeroepen bij discriminatie op het terrein van arbeid. Niet alleen werknemers kunnen hierop een beroep doen, maar ook sollicitanten, vrijwilligers en uitzendkrachten. Wanneer een werkgever of een beoogd werkgever zich aan een verboden vorm van ongelijke behandeling schuldig maakt, kan de wederpartij schadevergoeding eisen.

Nadat een sollicitante tijdens het tweede gesprek had aangegeven dat zij zwanger was, werd haar geen arbeidsovereenkomst aangeboden. Uit een door de sollicitante opgenomen telefoongesprek met de beoogde werkgever werd duidelijk dat de zwangerschap de reden was om geen arbeidsovereenkomst aan te willen gaan. Dat is een vorm van verboden ongelijke behandeling op basis van geslacht. Het verweer van de beoogde werkgever dat de sollicitante was geweigerd omdat zij niet geschikt was voor de functie werd door de kantonrechter afgewezen. Vanwege toerekenbaar onrechtmatig handelen moest de beoogde werkgever de door de sollicitante geleden schade vergoeden.

Vervolgens diende de kantonrechter de vraag te beantwoorden welke schade het gevolg was van het feit dat vanwege de zwangerschap geen dienstbetrekking was aangeboden aan de sollicitante. De kantonrechter bepaalde de hoogte van de schade aan de hand van een aantal veronderstellingen omtrent de te verwachten duur en omvang van het dienstverband, indien dat wel zou zijn aangeboden.

De sollicitante veronderstelde dat een arbeidsovereenkomst ten minste twee jaar zou hebben geduurd. Een dergelijke toezegging was niet gedaan en concreet bewijs daarvoor ontbrak. De beoogde werkgever ging uit van een arbeidsovereenkomst voor zes maanden, die daarna hoogstwaarschijnlijk niet zou worden voortgezet vanwege krimp. Voor de functie waarop de sollicitante had gesolliciteerd was een opleiding van ongeveer een half jaar nodig. Daarom vond de kantonrechter een arbeidsduur van een half jaar niet aannemelijk. De kantonrechter bepaalde voor de berekening van het schadebedrag het dienstverband op één jaar. Aangezien de sollicitante tijdens de sollicitatieprocedure had aangegeven dat zij bij voorkeur 32 uur wilde werken nam de kantonrechter dat als uitgangspunt. De kantonrechter berekende de schadevergoeding op een jaarsalaris, vermeerderd met het gemiste bedrag aan werkgeversdeel van de pensioenpremie. De totale vergoeding kwam uit op een bedrag van € 37.000.

De kantonrechter zag geen aanleiding voor vergoeding van immateriële schade.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA2019584, 7129022 RL EXPL 18-17656 | 13-02-2019

Niet uitgekeerd pensioen toch belast

Inkomsten zijn niet alleen belastbaar wanneer zij daadwerkelijk zijn ontvangen, maar ook wanneer zij, hoewel nog niet ontvangen, vorderbaar en inbaar zijn of wanneer zij rentedragend zijn geworden. Een voorbeeld van vorderbare en inbare inkomsten zijn pensioentermijnen die verschuldigd zijn maar door de pensioenuitvoerder niet zijn uitbetaald.


Dat deed zich voor bij een dga, die bij zijn bv pensioen had opgebouwd. De uitkering van pensioen zou op 1 mei 2013 ingaan. De bv keerde in 2013 echter geen pensioen aan de dga uit. De inspecteur corrigeerde de ingediende aangifte IB van de dga door 8/12 van het jaarlijkse pensioenbedrag bij het inkomen te tellen.


Hof Den Haag was van oordeel dat het pensioenbedrag terecht bij het inkomen was geteld. Volgens het hof had de dga zijn aanspraak op pensioen prijsgegeven. De inspecteur had volgens het hof de gehele pensioenaanspraak als loon uit vroegere dienstbetrekking moeten belasten. Het hof vond de omstandigheid dat de dga geen actie had ondernomen toen de bv de in 2013 verschuldigde pensioentermijnen niet betaalde voldoende voor het oordeel dat de dga de hele aanspraak had prijsgegeven. Dat oordeel is volgens de Hoge Raad niet juist. Toch bleef de aanslag in stand. Volgens het hof waren de over 2013 verschuldigde pensioentermijnen in dat jaar vorderbaar en inbaar. Daarom zijn deze termijnen volgens de Hoge Raad terecht in dat jaar in de belastingheffing betrokken.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2019189, Nr. 17/03827 | 13-02-2019

Kabinet werkt aan vernieuwing pensioenstelsel

Hoewel de onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers over hervorming van het pensioenstelsel zijn mislukt, acht de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de hervorming noodzakelijk. Daarom wordt verder gewerkt aan een robuuster en persoonlijker pensioenstelsel. Het huidige pensioenstelsel is gebaseerd op doorsneepremies, waarbij iedere werknemer een gelijke premie betaalt, ongeacht leeftijd. Jonge werknemers betalen daardoor te veel en oudere werknemers te weinig. Deze systematiek is verouderd en moet daarom worden vervangen. De minister staat open voor suggesties van bonden, werkgevers, pensioenuitvoerders en toezichthouders.

Onderzocht wordt op welke wijze een koppeling tussen de stijgende levensverwachting en de AOW-leeftijd moet worden gelegd. Nu is het zo dat een stijging van de levensverwachting met een jaar betekent dat de AOW-leeftijd ook een jaar stijgt.

Het kabinet wil deelnemers aan een pensioenregeling in de toekomst meer keuzemogelijkheden bieden, bijvoorbeeld om een deel van hun pensioen ineens op te nemen voor aflossing van de hypotheek of het verduurzamen van het eigen huis.

Voordelige elementen van het huidige pensioenstelsel, zoals verplichte pensioenopbouw, collectieve uitvoering, risicodeling en fiscale ondersteuning blijven bestaan.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 07-02-2019

Vrije ruimte werkkostenregeling naar 1,7%

Werkgevers mogen tot 1,2% van de loonsom van alle medewerkers samen onbelast vergoedingen geven aan hun personeel. Dit is de vrije ruimte. Naast de vrije ruimte zijn er mogelijkheden voor andere onbelaste vergoedingen.

De vrije ruimte wordt met ingang van 2020 vergroot van 1,2% naar 1,7% van de loonsom. De verruiming gaat gelden voor de eerste € 400.000 van de loonsom van een werkgever. Bij deze loonsom gaat de vrije ruimte van € 4.800 naar € 6.800. Voor zover de loonsom hoger is dan € 400.000 blijft de vrije ruimte 1,2%.

De verruiming van de werkkostenregeling komt met name ten goede van kleine werkgevers.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 07-02-2019

Einddatum tijdelijk arbeidscontract niet goed gecommuniceerd

De ketenbepaling houdt in dat aan een werknemer niet meer dan drie elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mogen worden aangeboden. De totale duur van de opvolgende arbeidsovereenkomsten mag niet langer zijn dan 24 maanden. Bij meer dan drie opvolgende arbeidsovereenkomsten of bij een totale duur van meer dan 24 maanden ontstaat van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werd voor de tweede keer verlengd tot 25 mei 2017. Op die datum eindigde de termijn van 24 maanden die in de ketenbepaling wordt genoemd. In een e-mail werd aan de werknemer meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet nog een keer zou worden verlengd. In deze e-mail werd nogmaals als einddatum vermeld 25 mei 2017. Enkele dagen later volgde een nieuwe e-mail waarin als einddatum van het contract 26 mei 2017 werd vermeld. De werknemer werkte die dag en meende dat het contract daardoor was omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. De werknemer vorderde betaling van salaris vanaf 27 mei 2017.

Hof Den Haag wees deze vordering af omdat het de werknemer duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet. In die wetenschap heeft de werknemer afscheid genomen van de collega’s en bij de leidinggevende de kluissleutel en toegangspas ingeleverd. Dat het de werknemer duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst niet werd voortgezet blijkt ook uit de aanvraag van een WW-uitkering. Volgens het hof is het beroep van de werknemer op het ontstaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA201926, 200.240.217/01 | 07-02-2019