All posts by jansen_kleton_claudia

Tweede Kamer wil minder verschil in belastingdruk een- en tweeverdieners

De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen waarin het kabinet wordt opgeroepen om met mogelijkheden te komen om de verschillen in belastingdruk tussen een- en tweeverdieners weg te nemen. Door de individualisering van de belastingheffing betalen bij een gelijk gezinsinkomen eenverdieners meer belasting dan tweeverdieners. De Kamer wil binnen een jaar een rapport van het kabinet ontvangen waarin de gevraagde mogelijkheden worden beschreven.

Bron: Overig | publicatie | 34 785 | 14-06-2018

Correcties door gebruikelijkloonregeling

De gebruikelijkloonregeling houdt in dat een dga voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de bv ten minste een gebruikelijk loon moet verdienen. Dat komt neer op het hoogste van de volgende bedragen: het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, het loon van de meestverdienende werknemer van de bv of een bedrag van € 45.000.

De Belastingdienst legde naheffingsaanslagen en verzuimboetes op aan een bv omdat het aan haar dga betaalde loon te laag was. De Belastingdienst ging bij de berekening van het gebruikelijk loon uit van de managementvergoeding van € 180.000 die de bv ontving. De managementvergoeding had uitsluitend betrekking op de door de dga verrichte werkzaamheden. De Belastingdienst ging ervan uit dat de hoogte van de managementvergoeding was bepaald als tussen onafhankelijke derden. De dga had jaarlijks bedragen opgenomen van de bv die in de onderlinge rekening-courant werden verwerkt als voorschot salaris, maar niet in de loonadministratie waren opgenomen. De door de Belastingdienst aangebrachte looncorrecties bedroegen € 60.000 in 2010, € 55.000 in 2011 en € 5.000 in 2013. Over 2012 werd geen looncorrectie aangebracht, omdat in dat jaar een tantième was ontvangen door de dga, waardoor het uitbetaalde loon voldeed aan de door de Belastingdienst berekende bedragen.

De rechtbank was van oordeel dat de Belastingdienst terecht was uitgegaan van de door de bv ontvangen managementvergoeding. De bv maakte niet aannemelijk dat de managementvergoeding onzakelijk was, mede gelet op het aantal uren dat de dga voor de bv werkte. De rechtbank vond aannemelijk dat de door de dga opgenomen bedragen in rekening-courant feitelijk genoten netto loon vormden. De naheffingsaanslagen en de boeten zijn terecht opgelegd. In hoger beroep sloot het gerechtshof zich bij het oordeel van de rechtbank aan.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA20181216, BK-17/00920 en BK-17/00922 t/m BK-17/00926 | 13-06-2018

Aanzegging of opzegging?

Inzet van een procedure voor de kantonrechter was de vraag of sprake was van opzegging van een voor bepaalde duur aangegane stageovereenkomst of van aanzegging van niet-verlenging van de overeenkomst. De stageovereenkomst betrof de arbeidsovereenkomst van een advocaat-stagiair voor een periode van 36 maanden. Gedurende deze periode was de advocaat-stagiair arbeidsongeschikt geworden. De kantonrechter was van oordeel dat de werkgever in een brief aan de werknemer had meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2018 van rechtswege zou eindigen en dat de werkgever niet van plan deze daarna voort te zetten. De werkgever had daarmee voldaan aan de wettelijke verplichting om de werknemer tijdig te informeren over het al dan niet verlengen van de arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd. De aanzegging was op tijd gedaan, zodat de werknemer geen recht had op een aanzegvergoeding. Opzegging van de arbeidsovereenkomst was niet nodig. De kantonrechter had geen reden om aan te nemen dat partijen bij het vastleggen van de stageovereenkomst de bedoeling hadden om de gebruikelijke stageduur van 36 maanden te verlengen met een periode van eventueel optredende tussentijdse arbeidsongeschiktheid.

Nu van opzegging door de werkgever geen sprake was, had de werknemer geen recht op een transitievergoeding of een andere vergoeding.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBLIM20184900, 6780524 AZ VERZ 18-24 | 07-06-2018

Belastingdienst niet klaar voor AVG

Op 25 mei 2018 is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van kracht geworden. De AVG geldt voor bedrijven, instellingen en ook voor de overheid. Volgens de staatssecretaris van Financiën duurt het nog een jaar voordat de Belastingdienst kan voldoen aan de eisen van de AVG. Dat zegt hij in antwoord op Kamervragen.

Wel heeft de Belastingdienst inmiddels een register van verwerkingsactiviteiten aangelegd waarin alle verwerkingen zijn opgenomen. Volgens de staatssecretaris is gewaarborgd dat wijzigingen in verwerkingen en nieuwe verwerkingen worden opgenomen in het register. Op de website van de Belastingdienst is een overzicht van verwerkingen van persoonsgegevens te vinden. Voor een aantal verwerkingen is onvoldoende wettelijke grondslag. Hiervoor wordt een wettelijke grondslag voorbereid of worden alternatieven uitgewerkt. Waar vaststaat dat de grondslag ontbreekt, is de verwerking van de gegevens gestaakt.

De Belastingdienst heeft een aantal applicaties waarin gegevens zijn samengebracht voor gebruik in toezichts- en bedrijfsvoeringsprocessen. Deze applicaties worden aangepast of vervangen omdat zij op het punt van gegevensbeperking en toegang tot gegevens niet aan de eisen van de AVG voldoen. Ook heeft de Belastingdienst achterstanden bij het schonen van gegevensbestanden.

De Belastingdienst beoordeelt beveiligingsincidenten waarbij mogelijk persoonsgegevens verloren zijn gegaan of waarbij mogelijk onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt. In 2017 zijn 1.275 meldingen geregistreerd, waarvan er na beoordeling 225 zijn doorgestuurd naar de AP. In 84 gevallen zijn ook de betrokkenen geïnformeerd omdat die incidenten mogelijk een hoog risico inhielden voor hun rechten en vrijheden.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2018-0000091361 | 07-06-2018

Bevriezing eigen risico zorgverzekering tot en met 2021

Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel tot wijziging van de Zorgverzekeringswet in behandeling. De strekking van het wetsvoorstel is dat het verplichte eigen risico voor de zorgverzekering tot en met het jaar 2021 gelijk blijft aan het huidige bedrag van de € 385. De minister voor Medische Zorg en Sport heeft de nota naar aanleiding van het verslag inzake dit wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd.

Vanaf 2022 wordt het verplicht eigen risico weer volgens de gebruikelijke systematiek geïndexeerd. Dit betekent dat het eigen risico zal worden geïndexeerd, afhankelijk van de ontwikkeling van de zorgkosten ten opzichte van het voorgaande jaar. Daarbij zal geen sprake zijn van een inhaalslag door een vergelijking te maken met de zorgkosten in 2017. De minister wijst op het belang van afronding van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel uiterlijk in september, in verband met de toekenning van de vereveningsbijdrage in oktober 2018 en de bekendmaking van de nominale premie voor 12 november 2018.

Bron: Overig | wetsvoorstel | 1298604-173576-WJZ | 07-06-2018

Wetsvoorstel maatregelen transitievergoeding

Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel met maatregelen betreffende de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid in behandeling. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de nota naar aanleiding van het verslag naar de Kamer gestuurd. Het wetsvoorstel regelt compensatie voor werkgevers die een transitievergoeding hebben betaald voor werknemers die wegens langdurige arbeidsongeschiktheid zijn ontslagen sinds 1 juli 2015. Naar verwachting komt door dit wetsvoorstel een einde aan de praktijk van slapende arbeidsovereenkomsten na 104 weken ziekte van de werknemer.

Als bijlage bij de nota naar aanleiding van het verslag heeft de minister een concept van de regeling compensatie transitievergoeding gevoegd. Het wetsvoorstel bevat een bepaling dat het UWV op verzoek een compensatie verstrekt voor de (transitie)vergoeding die een werkgever heeft betaald bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een werknemer die wegens ziekte of gebreken niet meer in staat is zijn arbeid te verrichten. De compensatie kan worden verstrekt als de werkgever een transitievergoeding heeft betaald na opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst of het niet verlengen van een tijdelijke arbeidsovereenkomst, of als de werkgever een vergoeding heeft betaald op grond van een met de werknemer gesloten beëindigingsovereenkomst. De conceptregeling bevat nadere regels met betrekking tot de aanvraag en verstrekking van deze compensatie. Een van deze regels is dat de werkgever het verzoek om compensatie binnen zes maanden na de betaling van de vergoeding aan de werknemer bij het UWV moet indienen. Het is de bedoeling dat deze regeling per 1 april 2020 in werking treedt.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | wetsvoorstel | 2018-0000086206 | 06-06-2018

Beperking toepassing non-concurrentiebeding

Een detacheringsbureau in de financiële sector had in de arbeidscontracten met haar werknemers een non-concurrentiebeding opgenomen. Op grond van dat beding was het een werknemer verboden na uitdiensttreding gedurende zes maanden te werken voor concurrerende detacheerders. Op overtreding van het beding stond een boete.

Een voormalige werknemer van de detacheerder trad op 1 april 2018 in dienst bij een directe concurrent. De vroegere werkgever spande een kort geding aan om naleving van het non-concurrentiebeding af te dwingen. De voormalige werknemer werd op dat moment nog niet gedetacheerd bij een opdrachtgever.

De kantonrechter stelde vast, dat aan de formele eisen die aan een non-concurrentiebeding worden gesteld was voldaan. Het concurrentiebeding was schriftelijk overeengekomen met een meerderjarige werknemer. De werknemer werd door het non-concurrentiebeding niet onredelijk beperkt in zijn vrije arbeidskeuze, omdat het ondanks de ruime bewoordingen bedoeld was om te voorkomen dat hij bij een andere detacheerder in de financiële sector zou gaan werken. Bij de overstap naar een andere werkgever dan een dergelijke detacheerder zou de werknemer niet aan het beding worden gehouden. De kantonrechter maakte een afweging van het belang van de werkgever bij handhaving van het non-concurrentiebeding en het belang van de werknemer bij een vrije arbeidskeuze. Deze afweging viel uit in het voordeel van de werkgever. Wel vond de kantonrechter dat de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt waarom het beding gedurende zes maanden moest gelden. De kantonrechter beperkte de duur van het non-concurrentiebeding tot drie maanden, dus geldend tot en met 30 juni 2018. Omdat de kantonrechter vond dat de oude werkgever alleen in zijn belangen werd geschaad wanneer de werknemer gedetacheerd zou worden, stond hij de werknemer toe om intern werkzaam te zijn voor zijn nieuwe werkgever.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE20182168, 6801776 | 31-05-2018

De bedrijfsbbq en de WKR: hoe zit dat?

De zomer nadert en daarmee staat de vakantieperiode weer voor de deur. Ter afsluiting van de voorjaarsperiode organiseren werkgevers bij wijze van personeelsuitje vaak een bedrijfsbarbecue. Zoals dat geldt voor alle vergoedingen en verstrekkingen is de werkkostenregeling (WKR) hierop van toepassing. Volgens de WKR kunnen dat werkgevers hun personeelsleden tot 1,2% van de totale loonsom onbelaste vergoedingen en verstrekkingen geven.

Werkkostenregeling
Vergoedingen en verstrekkingen worden in beginsel fiscaal aangemerkt als loon. Voorbeelden van verstrekkingen zijn bedrijfsuitjes, een kerstpakket en een fiets van de zaak. De kosten daarvan vallen onder de WKR en zijn belastingvrij, als ze door de werkgever daartoe zijn aangewezen en zij in totaal de vrije ruimte van 1,2% van de loonsom niet overschrijden. Overschrijden de kosten de vrije ruimte, dan moet de werkgever een eindheffing van 80% betalen over het bedrag van de overschrijding. Er zijn vergoedingen en verstrekkingen waarvan de waarde op nul wordt gesteld, de zogeheten nihilwaardering. Die vergoedingen en verstrekkingen kunnen dus belastingvrij worden gedaan zonder dat zij invloed hebben op de vrije ruimte.

Bedrijfsbbq op de werkplek
Organiseert u de bedrijfsbbq op de werkplek, dan zijn de kosten van hapjes en drankjes onbelast omdat daarvoor een nihilwaardering geldt. Maaltijden vallen niet onder een nihilwaardering. Voor maaltijden op de werkplek geldt een vaste waardering van € 3,35. Dat bedrag vormt loon voor uw werknemers. U kunt dit loon aanwijzen als eindheffingsloon, waardoor het ten koste gaat van de vrije ruimte.

Bedrijfsbbq elders
Organiseert u de barbecue buiten kantoor of bedrijf dan zijn de nihilwaardering en de vaste waardering voor maaltijden niet van toepassing. De kosten van de hapjes en de drankjes kunnen dan ten laste van de vrije ruimte worden gebracht, voor zover die nog niet is gebruikt. Overschrijdt het totaal van de kosten de vrije ruimte, dan krijgt u te maken met de eindheffing van 80% over het bedrag van de overschrijding.

Bron: Overig | publicatie | 31-05-2018

Compensatieregeling vrouwelijke zelfstandigen

Een bepaalde groep zelfstandigen heeft alsnog recht op financiële compensatie voor hun zwangerschaps- en bevallingsverlof. Deze regeling geldt voor vrouwelijke zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten, die zijn bevallen in de periode tussen 7 mei 2005 en 4 juni 2008. De compensatie kan tussen 15 mei en 1 oktober 2018 aangevraagd worden bij het UWV. De hoogte van de compensatie bedraagt 90% van het wettelijk minimumloon 2017 per dag inclusief vakantiebijslag en wordt berekend over 80 dagen. Dat komt neer op een bedrag van € 5.600.

Voor 7 mei 2005 konden vrouwelijke zelfstandigen een beroep doen op de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering voor Zelfstandigen (WAZ). Met ingang van 4 juni 2008 is de Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen (Wet ZEZ) van kracht. In de tussenliggende periode hadden zelfstandigen geen recht op een uitkering tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof. Dat is volgens de Centrale Raad van Beroep in strijd met het VN-Vrouwenverdrag. Daarom heeft de minister van Sociale Zaken alsnog een compensatieregeling opgesteld.

Vrouwelijke zelfstandigen, die in aanmerking denken te komen voor deze regeling, zullen zelf actie moeten ondernemen. Het UWV zal de doelgroep niet benaderen. Het aanmeldingsformulier is te vinden op de website van hetUWV. De uitbetaling zal in het eerste kwartaal van 2019 plaatsvinden.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | nr. 2018-0000027251, St.crt 2018, Nr. 14285 | 30-05-2018

Non-concurrentiebeding

Een non-concurrentiebeding wordt in de praktijk vaak concurrentiebeding genoemd. Feitelijk is dat niet juist, want de bedoeling van het beding is de werknemer te verbieden om na het einde van zijn contract soortgelijke werkzaamheden uit te oefenen bij een ander bedrijf of als ondernemer. Een non-concurrentiebeding moet schriftelijk worden aangegaan. Het meest eenvoudig is om het beding in de arbeidsovereenkomst op te nemen, maar het kan ook afzonderlijk overeen worden gekomen. Een niet schriftelijk concurrentiebeding is ongeldig.

Het is niet toegestaan om in een tijdelijk contract een concurrentiebeding op te nemen. Op deze regel geldt echter een uitzondering. Wanneer de werkgever kan aantonen dat sprake is van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen, mag er toch een concurrentiebeding worden aangegaan. Er moet dan wel schriftelijk worden uitgelegd waarom sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang. Ontbreekt deze uitleg, dan is het beding niet geldig.

Bron: Overig | publicatie | 24-05-2018