All posts by jansen_kleton_claudia

Belastingplan 2021: differentiatie tarief overdrachtsbelasting

Om de drempel voor jongeren bij het kopen van een woning te verlagen, wil het kabinet de overdrachtsbelasting voor deze groep afschaffen. Dat krijgt vorm door de invoering van een eenmalige vrijstelling voor de verkrijging van een woning door een meerderjarige die jonger is dan 35 jaar. Het kabinet wil de positie van starters op de woningmarkt verbeteren ten opzichte van beleggers. Daartoe wordt voorgesteld dat de vrijstelling en het verlaagde tarief van 2% voor woningen worden gekoppeld aan een hoofdverblijfcriterium. Het aankopen van een woning die niet bestemd is voor eigen gebruik wordt daardoor minder aantrekkelijk, ook al omdat het tarief voor dergelijke verkrijgingen omhoog gaat naar 8%. Dat tarief geldt ook voor de aankoop van woningen door rechtspersonen en voor de aankoop van niet-woningen, zoals bedrijfspanden.

Bij verkrijging door meerdere verkrijgers wordt de toepasselijkheid van de vrijstelling bepaald voor iedere verkrijger afzonderlijk. Wie voor 1 januari 2021 een woning heeft gekocht, kan de vrijstelling toepassen voor de aankoop van een volgende woning als hij op dat moment aan de overige voorwaarden voldoet.

Voor de toepassing van het 2%-tarief of de startersvrijstelling moet de verkrijger schriftelijk verklaren dat hij de woning als hoofdverblijf gaat gebruiken.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2020

Belastingplan 2021: wijzigingen toeslagen

Het bestaande toeslagenstelsel kent een aantal nadelen. Daarom is een hervorming van dat stelsel aangekondigd. Dat traject zal een langere periode beslaan. Daarop vooruitlopend wordt nu een aantal maatregelen voor de korte termijn genomen. De maatregelen moeten de Belastingdienst/Toeslagen in staat stellen meer maatwerk aan toeslaggerechtigden te bieden en de praktische rechtsbescherming vergroten. Daarnaast wil het kabinet de administratieve lasten van kleine terugvorderingen verminderen.

Kinderopvangtoeslag

Ouders krijgen maandelijks een voorschot op de kinderopvangtoeslag. Na afloop van het jaar wordt de kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld. Wanneer de definitieve vaststelling afwijkt van het voorschot, wordt het verschil teruggevorderd of nabetaald. In sommige gevallen wordt het volledige bedrag teruggevorderd. Dat doet zich voor als een ouder niet het volledige bedrag aan kinderopvangkosten heeft betaald. Als gevolg van een uitspraak van de afdeling rechtspraak van de Raad van State wordt de kinderopvangtoeslag nu vastgesteld naar rato van de kosten die de ouder wel heeft betaald.

De Belastingdienst/Toeslagen krijgt een discretionaire bevoegdheid om een lager bedrag terug te vorderen. Deze bevoegdheid kan gebruikt worden als door bijzondere omstandigheden terugvordering van het gehele bedrag onevenredig is. Daarnaast kan de Belastingdienst/Toeslagen de berekening van rente over een terugvordering aanpassen.

Ter verhoging van de doelmatigheid worden toeslagen onder een drempelbedrag niet meer teruggevorderd. Het drempelbedrag is gelijk aan het drempelbedrag in de inkomstenbelasting. Voor het jaar 2020 bedraagt het drempelbedrag € 47. Het drempelbedrag wordt jaarlijks aangepast met de inflatiecorrectie.

Op grond van de Awir hebben burgers de verplichting om desgevraagd alle gegevens en inlichtingen te verstrekken aan de Belastingdienst/Toeslagen die voor de toekenning van de toeslag van belang kunnen zijn. Deze informatieverplichting wordt verduidelijkt. De informatieverplichting is ook bedoeld voor de bepaling van de hoogte van een voorschot of het herzien van een verstrekt voorschot.

Partners

Gehuwden blijven momenteel, wanneer een van de partners wordt opgenomen in een verzorgings- of verpleeghuis, elkaars toeslagpartner. Niet-gehuwde partners worden in die situatie op verzoek niet langer als toeslagpartner aangemerkt. Deze mogelijkheid gaat ook gelden voor gehuwde partners.

Partnerschap ontstaat voortaan per de eerste van de maand volgend op de gebeurtenis waardoor het partnerschap tot stand komt, zoals een huwelijk of de geboorte van een kind. Met de voorgestelde wijzigingen in het partnerbegrip voor de inkomensafhankelijke regelingen wordt de samenhang met het partnerbegrip voor de inkomstenbelasting doorbroken. Dit heeft tot gevolg dat de complexiteit voor de burger toeneemt.

Er worden niet langer eisen gesteld aan het verzekerd zijn van de partner. De toeslagpartner is daardoor niet meer afhankelijk van de andere toeslagpartner als het gaat om de omvang van het recht op zorgtoeslag.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2020

Overige fiscale maatregelen 2021

Het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2021 bevat maatregelen zonder budgettaire gevolgen. Het betreft:

  • een aanpassing van het overgangsrecht levensloopregeling;
  • een verduidelijking van de berekeningswijze kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA);
  • een verduidelijking in de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) met betrekking tot publieke kennisinstellingen;
  • een verduidelijking met betrekking tot de samenloop ATAD2 en de earningsstrippingmaatregel;
  • enkele aanpassingen in de Natuurschoonwet 1928;
  • een uitzondering elektronisch derdenbeslag; en
  • een technische aanpassing in het eigenwoningforfait (afronding) en in de motorrijtuigenbelasting.

Verduidelijken berekeningswijze KIA

De KIA is bedoeld om investeringen van relatief geringe omvang te bevorderen. De hoogte van de investeringsaftrek is afhankelijk van het investeringsbedrag. De berekeningswijze van de KIA voor ondernemers met meerdere ondernemingen en ondernemers in een samenwerkingsverband wordt aangepast. Voor een deel betreft dit een verduidelijking van de wettekst en voor een deel een wijziging van het uit arresten van de Hoge Raad voortvloeiende recht.

Uit de wettekst blijkt nu onvoldoende hoe de hoogte van de KIA moet worden berekend wanneer een ondernemer deel uitmaakt van een samenwerkingsverband. Deze onduidelijkheid is ontstaan door de gewijzigde opzet van de KIA per 1 januari 2010. Sindsdien is de KIA niet altijd meer een percentage van het investeringsbedrag.

Uit de arresten van de Hoge Raad volgt dat een ondernemer in een samenwerkingsverband in beginsel recht heeft op het naar evenredigheid van zijn investeringsbedrag (dat is zijn aandeel in investering van het samenwerkingsverband plus zijn investeringen in het buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen) berekende bedrag van de KIA, dat hoort bij het totaal van de investeringen van alle deelnemers voor het samenwerkingsverband en de buitenvennootschappelijke investeringen van de ondernemer. Deze berekeningswijze is ook van toepassing in situaties waarin de Hoge Raad hierop een uitzondering maakt. Het kabinet neemt deze uitzondering niet over.

Verduidelijken afdrachtvermindering S&O

Het begrip publieke kennisinstelling is in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen geïntroduceerd om te zorgen dat de S&O-afdrachtvermindering gericht blijft op het S&O-werk door private bedrijven. Bij de aanpassing van het begrip ‘S&O-inhoudingsplichtige’ in 2016 zijn publieke kennisinstellingen uitgezonderd. De in de definitie opgenomen voorwaarde, dat een publieke kennisinstelling geen winstoogmerk mag hebben, vervalt. Volgens het kabinet leidt dat niet tot een inperking van de huidige groep gebruikers van de S&O-afdrachtvermindering.

Uitzondering voor het leggen van elektronisch derdenbeslag door de Belastingdienst

De wet waarin de herziening van het beslag- en executierecht is geregeld treedt per 1 januari 2021 in werking. Daarin is opgenomen dat derdenbeslag, dat is beslag bij een ander dan degene te wiens laste het beslag wordt gelegd, elektronisch wordt gelegd wanneer bij de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders een emailadres bekend is van deze derde waaraan het beslag kan worden betekend. Op de verplichting om derdenbeslag elektronisch te leggen is een uitzondering gemaakt voor de Belastingdienst. Deze uitzondering zal niet eerder komen te vervallen dan in 2023.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2020

Uitbetaling niet genoten vakantiedagen

Na afloop van zijn dienstbetrekking vorderde een werknemer in een procedure betaling van een aantal niet genoten verlofdagen en vakantiegeld van zijn voormalige werkgever. De werkgever voerde aan dat alle vakantiedagen aan het einde van de arbeidsovereenkomst waren opgenomen. De werkgever kon dit echter niet onderbouwen. De kantonrechter wees de vordering toe, omdat het op de weg van de werkgever ligt om een deugdelijke administratie van verlofdagen te voeren. Het betoog van de werkgever dat de administratie door een computerhack verloren was gegaan, vormde geen aanleiding voor een ander oordeel. Dat verlies komt voor rekening en risico van de werkgever.

De werkgever bestreed de vordering van het vakantiegeld niet. Wel beriep de werkgever zich op verrekening met een factuur voor de vervanging van sloten van het bedrijfspand omdat de werknemer de sleutels daarvan niet had ingeleverd. De kantonrechter wees dit verweer af. Volgens de werknemer wilde de werkgever de sleutels alleen in ontvangst nemen als de werknemer hem finale kwijting zou verlenen. De werkgever betwistte dat niet. De kantonrechter ging daarom uit van de juistheid van de stelling van de werknemer. Naar het oordeel van de kantonrechter hoefde de werknemer niet akkoord te gaan met de door de werkgever verlangde finale kwijting als voorwaarde voor het in ontvangst nemen van de sleutels. De werkgever kon de werknemer niet met succes verwijten dat de sleutels niet zijn ingeleverd. Om die reden kon de werkgever de kosten van het vervangen van de sloten niet op de werknemer verhalen.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBLIM20206425, 8020698 CV EXPL 19-6077 | 25-08-2020

Wederindiensttredingsvoorwaarde

Bij de opzegging van een dienstverband wegens het vervallen van de arbeidsplaats van de werknemer geldt een wettelijke voorwaarde van wederindiensttreding. Deze voorwaarde houdt in dat de werkgever, als hij binnen 26 weken na de datum van de ontbindingsbeschikking iemand aan wil nemen in de functie van de ontslagen werknemer, de voormalige werknemer in de gelegenheid moet stellen om zijn vroegere werkzaamheden te hervatten. Houdt de werkgever zich niet aan deze voorwaarde, dan kan de kantonrechter aan de werknemer op diens verzoek ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen.

Inzet van een procedure was of een nieuw aangenomen werknemer dezelfde werkzaamheden bij de werkgever verricht als een ontslagen werknemer tijdens zijn dienstverband bij de werkgever heeft verricht. Volgens de werkgever was dat niet het geval. Uit de functieprofielen kan volgens de kantonrechter niet worden afgeleid dat sprake is van dezelfde werkzaamheden, gezien de verschillen in werkzaamheden, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van beide functies. De werkgever voerde nog aan dat het salaris van de nieuwe werknemer lager is dan het salaris van de ontslagen werknemer.

De bewijslast dat de werkzaamheden van de nieuwe werknemer dezelfde zijn als zijn eigen werkzaamheden rust op de ontslagen werknemer. De kantonrechter bood de ontslagen werknemer de gelegenheid dit bewijs alsnog te leveren. In afwachting daarvan heeft de kantonrechter iedere verdere beslissing aangehouden.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20207639, 8359713 VZ VERZ 20-3249 | 09-07-2020

Kamervragen premieheffing van Rijnvarenden

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over arresten van de Hoge Raad over de premieplicht van Rijnvarenden beantwoord. De arresten hebben betrekking op Rijnvarenden die in dienst zijn bij een in Luxemburg gevestigde werkgever en die op grond van de Rijnvarendenovereenkomst sociaal verzekerd zijn in Nederland. De werkgever heeft niet de Nederlandse maar de Luxemburgse premies volksverzekeringen op het loon ingehouden.

De Hoge Raad heeft de Nederlandse premieplicht van de Rijnvarenden en de bevoegdheid van de Belastingdienst om premies volksverzekeringen te heffen bevestigd. Er is geen rechtsgrond om bij de heffing rekening te houden met de onverschuldigd betaalde premies in Luxemburg. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris achten het onwenselijk dat Luxemburg niet meewerkt aan het terugvorderen van onverschuldigd betaalde Luxemburgse premies. De staatssecretaris heeft toegezegd dat tot nader bericht bij de Rijnvarenden in kwestie geen invorderingsmaatregelen worden getroffen voor de premies.

Nederland wil de praktijk van premieshoppen zoveel mogelijk beëindigen en onjuiste inhoudingen voorkomen. Met Luxemburg wordt overleg gevoerd over betere en snellere gegevensuitwisseling. De staatssecretaris zal dit onderwerp agenderen in de Rijnvaartcommissie tijdens het Nederlandse voorzitterschap van deze commissie in 2021.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2020-0000155517 | 26-08-2020

Uitbreiding doelgroep TVL

De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat heeft de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) gewijzigd. De wijziging betreft een uitbreiding van de doelgroep met ondernemingen in de recreatieve vliegsector. De SBI-code van deze groep ondernemingen is 51.10.

Het betreft ondernemers zoals luchtballonvaarders en aanbieders van rondvluchten in sportvliegtuigen of helikopters. Ook deze ondernemers zijn direct getroffen door de 1,5-metereis en het verbod op bijeenkomsten. Ondernemers uit de recreatieve vliegsector moeten bij hun aanvraag voor de TVL een de-minimisverklaring inzake staatssteun afgeven. De gewijzigde regeling is op 20 augustus in werking getreden.

Bron: Ministerie van Economische Zaken | besluit | nr. WJZ/ 20206554, Stcrt. 2020, nr. 43859 | 03-09-2020

Schorsing non-concurrentiebeding

Een arbeidsovereenkomst kan beperkende bedingen bevatten voor de werknemer. Non-concurrentie- en relatiebedingen beperken de werknemer in zijn vrije arbeidskeuze. Een dergelijke beperking is alleen geoorloofd als daar een groot belang van de werkgever tegenover staat. De kantonrechter kan een beperkend beding in een arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk vernietigen als, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Vooruitlopend op de behandeling in de bodemzaak bij de kantonrechter kan een beperkend beding in kort geding geheel of gedeeltelijk worden geschorst.

De rechter in kort geding heeft een verzoek om schorsing van een non-concurrentiebeding gehonoreerd. De arbeidsovereenkomst bevatte een rechtsgeldig concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding. Op grond van het non-concurrentiebeding was het de werknemer niet toegestaan om binnen een jaar na het einde van zijn dienstverband werkzaam te zijn bij een concurrent van de werkgever. De werkgever was een producent van elektrische fietsen. De werknemer was vertegenwoordiger en verkocht in die functie fietsen aan fietsenzaken. Hij werd benaderd door een bedrijf dat online elektrische fietsen verkocht. De rechter stelde vast, dat de nieuwe werkgever als een concurrerend bedrijf moest worden beschouwd. De nieuwe functie betekende zowel inhoudelijk als financieel een positieverbetering voor de werknemer. Dat woog zwaarder dan het belang van de werkgever bij handhaving van het non-concurrentiebeding. De oude werkgever wilde zich meer gaan toeleggen op online-verkoop, maar de werknemer had bij zijn oude werkgever niets met online-verkoop te maken. De kennis, die hij mogelijk had van de verkoopstrategieën van de oude werkgever, zal bij de nieuwe werkgever volgens de rechter niet of minder bruikbaar zijn. Voor zover de werknemer op de hoogte was van bedrijfsstrategieën werd de vertrouwelijkheid daarvan beschermd door het geheimhoudingsbeding. De rechter in kort geding verwacht dat de bodemrechter het non-concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zal vernietigen omdat de werknemer door dit beding onbillijk wordt benadeeld.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBAMS20203559, 8564627 | 03-09-2020

Nieuwe ronde corona-steunmaatregelen

De coronamaatregelen hebben nog steeds veel impact op de economie en per 1 oktober 2020 lopen de huidige steunmaatregelen ten einde. Daarom komt het kabinet met een steun- en herstelpakket voor ondernemers en werkenden, dat volgt op de twee eerdere noodpakketten. Het nieuwe pakket loopt tot in 2021 en is gestoeld op drie pijlers: steun, helpen aanpassen en investeren.
Het kabinet verlengt vanaf 1 oktober 2020 diverse lopende steunmaatregelen. De voorwaarden daarvan worden aangepast, de vergoedingen worden lager maar de looptijd is langer, zodat ze meer zijn gericht op de langere termijn. Het kabinet neemt bovendien nieuwe maatregelen om bedrijven te stimuleren om meer te investeren in economische groei. Ook zet het kabinet extra middelen in om mensen via scholing en begeleiding te helpen bij het vinden van ander werk. 
De maatregelen in dit pakket beslaan rond de 11 miljard euro aan extra uitgaven en 1,5 miljard euro aan vervroegde investeringen. Dit staat los van de kabinetsinvesteringen op Prinsjesdag.  

Coronaregelingen voor ondernemers en werknemers vanaf 1 oktober 2020 

NOW (tegemoetkoming loonkosten) 
De regeling wordt met negen maanden verlengd, met drie keer drie maanden. In die periode wordt de NOW geleidelijk afgebouwd, zodat ondernemers en werkenden tijd en ruimte hebben om zich aan te passen. 

Tozo (inkomensondersteuning zelfstandigen) 
Deze regeling wordt ook negen maanden verlengd, tot en met 30 juni 2021, en kent een toets op beschikbare geldmiddelen. Gemeenten bieden vanaf 1 januari 2021 extra dienstverlening aan zelfstandig ondernemers, zoals bij- of omscholing en heroriëntatie. 

TVL (tegemoetkoming vaste lasten mkb) 
De belastingvrije tegemoetkoming wordt opnieuw ingezet en het maximale bedrag per bedrijf per drie maanden wordt verhoogd naar 90.000 euro. De regeling wordt met drie keer drie maanden verlengd tot en met 30 juni 2021 en in die periode geleidelijk afgebouwd, zodat ondernemers tijd en ruimte hebben om zich aan te passen. 

Borgstellingen, leningen en garantiefondsen 
De extra, verruimde of meer toegankelijke kredietverlening en -garanties aan kleine en middelgrote bedrijven voor voldoende liquiditeit (BMKB-C, GO-C en KKC) blijven ook na 1 oktober 2020 beschikbaar. 

Belastingmaatregelen 
Ondernemers kunnen tot 1 oktober 2020 belastinguitstel aanvragen. Daarmee loopt het uitstel op uiterlijk 1 januari 2021 af. Ondernemers moeten echter niet alsnog in de knel komen bij het terugbetalen en krijgen met twee jaar ruim de tijd om de opgebouwde belastingschuld weer af te lossen. De tijdelijke verlaging van invorderingsrente naar bijna nul wordt verlengd tot en met 31 december 2021, zodat ondernemers met zo min mogelijk extra kosten worden geconfronteerd. 

Belastinguitstel tot 1 januari, ruime terugbetalingsregeling voor ondernemers 
Ondernemers kunnen tot uiterlijk 1 oktober uitstel van belasting aanvragen of een verlenging van het uitstel aanvragen. Daarmee loopt voor alle ondernemers het uitstel uiterlijk op 1 januari 2021 af. Op deze manier loopt het bedrag van belasting dat uiteindelijk terugbetaald moet worden, niet onnodig op. Het kabinet wil niet dat ondernemers alsnog in de knel komen bij het terugbetalen. Daarom komt er een ruime terugbetalingsregeling van twee jaar om de opgebouwde belastingschuld weer af te lossen. 
Als de ontwikkeling van het coronavirus met nieuwe of verscherpte maatregelen hier aanleiding toe geeft, kan hier opnieuw naar worden gekeken. 

Terugbetalingsregeling en maatwerk 
Terugbetalen hoeft niet zo snel. Ondernemers krijgen een betalingsregeling aangeboden van de Belastingdienst waarmee ze tot 1 januari 2023 iedere maand een vast bedrag terug betalen. 
Als de periode van twee jaar te kort is voor een ondernemer zal de Belastingdienst samen met de ondernemer kijken of een maatwerkoplossing mogelijk is op basis van bestaand beleid. Uiteraard is het ook mogelijk om eerder af te lossen als de ondernemer dit wil. 

Verlaging invorderingsrente verlengd 
Om ondernemers zo min mogelijk met extra kosten te confronteren, zal de tijdelijke verlaging van invorderingsrente naar bijna nul worden verlengd tot en met 31 december 2021. Zo hebben ondernemers de komende tijd vrijwel geen kosten bovenop de belastingschuld die ze aan het aflossen zijn. 
De belastingrente gaat weer naar 4%, omdat dit een prikkel is om op tijd aangifte te doen. De belastingrente voor de vennootschapsbelasting zal tot 31 december 2021 worden verlaagd naar 4% in plaats van de oorspronkelijke 8%. Zo worden ondernemers niet direct met hoge lasten geconfronteerd. 

Overige maatregelen 
Ook een aantal andere belastingmaatregelen die wegens corona genomen zijn, zoals de betaalpauze voor hypotheekverplichtingen, lopen door tot 1 januari 2021. 
Daarnaast is een nieuwe maatregel getroffen: werknemers behouden recht op reisaftrek voor ov-kosten voor woon-werkverkeer die zij niet van de werkgever vergoed krijgen, ook al werken zij thuis. Voorwaarde is dat de kosten ongewijzigd zijn gebleven. 

Nieuwe maatregelen gericht op investeringen 

Het kabinet neemt ook nieuwe maatregelen gericht op het stimuleren van investeringen en uiteindelijk economische groei. Publieke investeringen in onder meer infrastructuur ter waarde van twee miljard euro worden naar voren gehaald. Het kabinet investeert daarnaast in een nationale scale-up faciliteit (150 miljoen euro) en reserveert 300 miljoen euro om eventueel te kunnen participeren in een beoogd privaat fonds om (middel)grote bedrijven te herkapitaliseren. 
Ook stelt het kabinet 150 miljoen euro beschikbaar om het fondsvermogen van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) extra aan te vullen, zodat zij innovatieve mkb-ondernemingen via financiering kunnen versterken. Het kabinet heeft 255 miljoen euro vrijgemaakt voor cofinanciering van EU-programma’s gericht op regionale ontwikkeling, innovatie, duurzaamheid en digitalisering. 

Aanvullend sociaal pakket 
De komende maanden zullen sommige mensen hun werk kwijtraken en op zoek moeten naar een andere baan. Anderen zullen de overstap willen maken van hun huidige werk naar ander werk met meer toekomstperspectief. Het kabinet wil mensen daarbij helpen. Daarom trekt het kabinet geld uit voor begeleiding bij het vinden van nieuw werk door het UWV en de gemeenten. Ook komt er meer geld vrij voor om- en bijscholing. Daarnaast gaat het kabinet mensen die kwetsbaar zijn in een economische crisis extra ondersteunen, zoals jongeren en mensen in de banenafspraak. Ook wil het kabinet mensen met een hoog risico op armoede en problematische schulden helpen. In totaal trekt het kabinet voor dit aanvullend sociaal pakket ruim 1 miljard euro uit. 

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 31-08-2020

Aanzegverplichting

De werkgever is verplicht uiterlijk een maand voor het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een duur van zes maanden of langer schriftelijk te laten weten of hij de arbeidsovereenkomst daarna wil voortzetten en zo ja, onder welke voorwaarden. Het schriftelijkheidsvereiste van deze aanzegverplichting is van dwingend recht. Dat betekent dat daarvan niet mag worden afgeweken. Een werkgever, die mondeling heeft medegedeeld de arbeidsovereenkomst te willen verlengen, voldoet daarmee niet aan de aanzegverplichting.

De werkgever, die de aanzegverplichting in het geheel niet is nagekomen, is aan de werknemer een vergoeding verschuldigd ter grootte van een maandloon. Ingeval te laat is aangezegd, is de werkgever een vergoeding naar rato verschuldigd.

De arbeidsovereenkomst van een werknemer had een duur van zes maanden en liep tot 1 mei 2020. De arbeidsovereenkomst is per 1 mei 2020 voortgezet. Volgens de werkgever waren partijen al op 30 maart 2020 mondeling een verlenging per 1 mei 2020 overeengekomen. De werknemer heeft na 1 mei meerdere dagen gewerkt. Op 6 en 9 mei 2020 heeft de werkgever de werknemer gevraagd om een brief gedateerd 29 april 2020 te ondertekenen. In die brief bevestigde de werkgever dat hij de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 op gelijke voorwaarden wenste voort te zetten voor de duur van drie maanden. Nadat de werknemer heeft geweigerd de brief te ondertekenen, heeft de werkgever hem naar huis gestuurd. De werkgever voerde aan dat hij, weliswaar te laat, aan de aanzegverplichting heeft voldaan door de werknemer op 29 april 2020 een brief te overhandigen waarin hij bevestigt de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 op gelijke voorwaarden te willen voortzetten. De werknemer ontkende de brief op 29 april te hebben ontvangen. Volgens de werknemer is de brief hem pas op 6 mei 2020 overhandigd. De kantonrechter heeft de werkgever veroordeeld tot betaling van de aanzegvergoeding, ter grootte van een maandsalaris.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20206769, 8605272 VZ VERZ 20-12647 | 27-08-2020