All posts by jansen_kleton_claudia

Implementatiewet herziene detacheringsrichtlijn

Bij Koninklijk Besluit is geregeld dat de Implementatiewet herziene detacheringsrichtlijn met ingang van 30 juli 2020 in werking treedt. Dit is de uiterste implementatiedatum. Voor wat betreft de sector wegvervoer treedt de Implementatiewet herziene detacheringsrichtlijn op een nog niet bekend later moment en bij afzonderlijk Koninklijk Besluit in werking.

Het doel van de herzieningsrichtlijn is de balans tussen het bevorderen van het vrij verrichten van diensten in de EU en het beschermen van de rechten van gedetacheerde werknemers te verbeteren. De detacheringsrichtlijn coördineert welk recht van toepassing is op het dienstverband van grensoverschrijdend gedetacheerde werknemers. Met de herziening zijn onder meer de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • Het begrip ‘loon’ is vervangen door het begrip ‘beloning’, waarbij is verduidelijkt welke toeslagen onder dit begrip vallen.
  • De arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden die dienstverrichters ten minste moeten waarborgen voor hun gedetacheerde werknemers zijn uitgebreid met huisvestingsvoorwaarden en bepaalde toeslagen en vergoedingen.
  • Na een detacheringsduur van twaalf maanden (onder omstandigheden achttien maanden) gelden aanvullende arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden.
  • De rechten van gedetacheerde uitzendkrachten en nationale uitzendkrachten zijn vrijwel geheel gelijkgetrokken.
  • Uitzendbureaus blijven verantwoordelijk voor de juiste betaling van de gedetacheerde werknemer, ook als de dienstontvanger de gedetacheerde werknemer doorzendt naar een volgende dienstontvanger.
  • Lidstaten dienen informatie over de arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden op één nationale website te publiceren, op transparante wijze. Wanneer deze informatie niet beschikbaar is, dient hier bij het bepalen van sancties rekening mee gehouden te worden.
  • Lidstaten hebben de mogelijkheid om zich, in aanvulling op algemeen verbindend verklaarde cao’s, te baseren op bepaalde cao’s waarvan de bepalingen niet algemeen verbindend zijn verklaard, zijnde:
    • cao’s of scheidsrechterlijke uitspraken die algemene rechtsgevolgen hebben voor alle gelijksoortige ondernemingen in het betrokken geografische gebied en in de betrokken beroepsgroep of bedrijfstak, en/of
    • cao’s die gesloten zijn door de op nationaal niveau meest representatieve organisaties van de sociale partners, en die op het gehele nationale grondgebied worden toegepast.

Nieuwe regels omtrent het doorzenden van uitzendkrachten

Indien een werknemer die door het uitzendbureau waarmee hij een dienstverband heeft ter beschikking wordt gesteld aan een dienstontvanger en vervolgens door die dienstontvanger ter beschikking wordt gesteld aan een andere dienstontvanger, wordt deze werknemer geacht ter beschikking te zijn gesteld door het uitzendbureau. Het uitzendbureau blijft verplicht de arbeidsvoorwaarden op de werknemer toe te passen die gelden voor werknemers van de laatste inlener.

Nieuwe regels omtrent vergoedingen en toeslagen in verband met de detachering

Vergoedingen en toeslagen in verband met de detachering worden als onderdeel van de beloning beschouwd, voor zover deze niet worden uitgekeerd als vergoeding van daadwerkelijk in verband met de detachering gemaakte kosten. In aanvulling hierop bepaalt de detacheringsrichtlijn dat, indien niet blijkt of een toeslag gedeeltelijk wordt uitgekeerd als vergoeding voor kosten die verband houden met de detachering, de volledige toeslag geacht wordt te zijn betaald als kostenvergoeding. Dat betekent dat de toeslag niet als loon kan worden aangemerkt.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | wetsvoorstel | 2020-0000093914, Staatsblad 2020, nr. 250 | 30-07-2020

Vaststellingsovereenkomst ter beëindiging arbeidsovereenkomst tijdig ontbonden

Werkgever en werknemer kunnen door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst beëindigen. De vaststellingsovereenkomst moet schriftelijk worden vastgelegd. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de werknemer het recht heeft om deze overeenkomst zonder opgaaf van redenen binnen veertien dagen schriftelijk te ontbinden.

In een procedure in kort geding stelde de kantonrechter vast dat de werknemer de op 20 april 2020 gesloten vaststellingsovereenkomst op 4 mei 2020 heeft ontbonden. De ontbinding heeft plaatsgevonden binnen de wettelijke termijn van veertien dagen. De ontbinding van de vaststellingsovereenkomst heeft tot gevolg dat de beëindigingsovereenkomst eindigt op het moment waarop de schriftelijke verklaring de werkgever heeft bereikt. De arbeidsovereenkomst is hersteld per 5 mei 2020. Dat betekent dat de werkgever verplicht is het loon door te betalen vanaf die datum.

De ontbinding van de vaststellingsovereenkomst heeft geen terugwerkende kracht. Dat betekent dat de werknemer over de periode vanaf de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst tot en met de ontbinding daarvan geen recht op loon heeft.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20206141, 8553192 VV EXPL 20-215 | 23-07-2020

Geen schorsing non-concurrentiebeding

Een non-concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst moet schriftelijk worden vastgelegd. Wanneer een non-concurrentiebeding belastender wordt voor de werknemer, bijvoorbeeld door een functiewijziging, moet het opnieuw worden overeengekomen en schriftelijk worden vastgelegd. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad is dit alleen vereist bij een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding die niet was te voorzien toen het beding werd overeengekomen.

In een procedure in kort geding speelde de vraag of een vrachtwagenchauffeur aan het overeengekomen non-concurrentiebeding kon worden gehouden vanwege zijn indiensttreding bij een directe concurrent van de vroegere werkgever. De werkgever verzorgde bulk- en tanktransporten van vloeistoffen en gassen.

Volgens de werknemer had het non-concurrentiebeding zijn werking verloren door de overname van de aandelen in het bedrijf van de werkgever. Daardoor was het bedrijf gaan behoren tot een groter concern. De werknemer meende dat de arbeidsverhouding door de overname ingrijpend was gewijzigd, waardoor het non-concurrentiebeding zwaarder was gaan drukken. De vroegere werkgever bestreed dat en verwees naar twee uitspraken van een andere rechtbank met voormalige werknemers. De kantonrechter was, evenals zijn collega in die twee zaken, van oordeel dat de arbeidsverhouding niet ingrijpend was gewijzigd. De overname heeft geen gevolgen gehad voor de activiteiten van de werkgever of voor de arbeidsrechtelijke positie en/of arbeidsvoorwaarden van de werknemer. De kring van concurrenten is door de overname niet uitgebreid aangezien het non-concurrentiebeding alleen betrekking heeft op directe concurrenten van de werkgever en niet op concurrenten van andere tot het concern behorende ondernemingen.

De kantonrechter wees het verzoek van de werknemer om schorsing van het non-concurrentiebeding af. De werknemer meende dat hij onredelijk werd benadeeld als hij aan het non-concurrentiebeding zou worden gehouden. Volgens de kantonrechter waren er voldoende mogelijkheden om als chauffeur te werken in het transport van andere goederen dan vloeistoffen en gassen. Wel matigde de kantonrechter het voorschot op een eventueel in een bodemprocedure toe te kennen boete omdat de werkgever de werknemer pas na zijn uitdiensttreding heeft gesommeerd zich aan het non-concurrentiebeding te houden terwijl bekend was dat hij bij een concurrent in dienst zou treden.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20206235, 8420764 VV EXPL 20-122 | 23-07-2020

Ontslag gebaseerd op cumulatiegrond

De Wet arbeidsmarkt in balans heeft aan de wettelijke grond waarop ontslag kan berusten de zogenaamde cumulatiegrond toegevoegd. Op deze cumulatiegrond kan een ontslag worden gebaseerd wanneer de aangevoerde individuele gronden ieder voor zich onvoldoende zijn om een ontslag te rechtvaardigen.

De kantonrechter heeft een ontslagverzoek toegewezen op een combinatie van disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie. Beide gronden waren niet voldragen, maar de arbeidsrelatie was wel verstoord. Partijen hebben getracht het onderlinge vertrouwen te herstellen door middel van mediation. Werkgever en werknemer verklaarden ter zitting dat de kwaliteit van de mediation goed was. Desondanks is het vertrouwen niet hersteld, aangezien de werknemer door de werkgever is vrijgesteld van werk en de werknemer die vrijstelling niet heeft aangevochten.

De kantonrechter was van oordeel dat er het een en ander schortte aan het functioneren van de werknemer. De werkgever heeft de werknemer echter onvoldoende gelegenheid gegeven om zijn functioneren te verbeteren. Het verbetertraject bestond uit niets anders dan het herhaaldelijk confronteren van de werknemer met de kritiek van de werkgever. Disfunctioneren was derhalve geen voldragen ontslaggrond.

Gelet op deze omstandigheden ging de kantonrechter over tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de cumulatiegrond. Aan de werknemer werd de maximale verhoging van de transitievergoeding met 1,5 toegekend vanwege het niet tot stand gekomen verbetertraject. Daardoor is uiteindelijk het vertrouwen duurzaam beschadigd.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE20202705, 8341165 / ME VERZ 20-30 | 23-07-2020

Opleidings- of arbeidsovereenkomst?

Een arbeidsovereenkomst met een duur van meer dan zes maanden kan een proeftijdbeding omvatten. De lengte van de proeftijd is afhankelijk van de duur van de arbeidsovereenkomst. De proeftijd bedraagt maximaal een maand bij een duur van de overeenkomst van meer dan zes maanden maar korter dan twee jaar. Tijdens de proeftijd kan ieder der partijen de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen. Er kan geen proeftijd worden overeengekomen in een opvolgende arbeidsovereenkomst tussen een werknemer en dezelfde werkgever, tenzij die nieuwe overeenkomst duidelijk andere vaardigheden van de werknemer vraagt.

Een werkneemster trad bij een werkgever in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst van acht maanden. De eerste maand gold als proeftijd. Voorafgaand aan de arbeidsovereenkomst was de werkneemster in opleiding ten behoeve van de werkgever op basis van een opleidingsovereenkomst voor de duur van vijf weken. Tijdens de opleidingsperiode ontving de werkneemster een vergoeding van € 800 netto. Met een beroep op het proeftijdbeding werd de werkneemster ontslagen.

De vraag in een procedure voor de kantonrechter was of het proeftijdbeding rechtsgeldig was. Volgens de werkneemster was de opleidingsovereenkomst feitelijk een voorafgaande arbeidsovereenkomst en was het daarom niet toegestaan om in de tweede overeenkomst een proeftijdbeding op te nemen.

Bij de toetsing of een rechtsverhouding een arbeidsovereenkomst is, moet worden gelet op alle omstandigheden van het geval. Het gaat niet alleen om de bedoeling van partijen, maar ook om de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding. In de opleidingsovereenkomst was uitdrukkelijk vastgelegd dat tussen partijen geen sprake was van een arbeidsverhouding. De tijdens de opleiding genoten beloning was lager dan het minimumloon en kon daarom niet beschouwd worden als loonbetaling. De werkneemster had tijdens de opleidingsperiode geen recht op vakantietoeslag en bouwde geen vakantiedagen op.

Volgens de kantonrechter was er evenmin sprake van een duidelijke gezagsverhouding tijdens de opleidingsperiode. De werkneemster had de vrijheid en gelegenheid om lange pauzes te houden en eerder naar huis te gaan. Dat past niet binnen het karakter van een arbeidsovereenkomst.

Naar het oordeel van de kantonrechter was de opleidingsovereenkomst geen arbeidsovereenkomst. Daarmee was het in de arbeidsovereenkomst opgenomen proeftijdbeding rechtsgeldig en het gegeven ontslag ook.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE20202706, 8512181 / ME VERZ 20-63 | 23-07-2020

Contouren subsidieregeling duurzame inzetbaarheid

Als onderdeel van het pensioenakkoord zijn afspraken gemaakt over duurzame inzetbaarheid van werknemers en over eerder uittreden. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer de contouren geschetst van de regeling waarin deze afspraken worden uitgewerkt. Het concept van de regeling is ter consultatie gepubliceerd.

Het betreft een tijdelijke subsidieregeling die het maken van afspraken per sector moet bevorderen. Sociale partners in een sector kunnen subsidie aanvragen voor het duurzaam inzetbaar houden van werkenden en het faciliteren van langer doorwerken, het realiseren van regelingen voor eerder uittreden en het introduceren van faciliteiten om werknemers inzicht te geven in de effecten op hun inkomen en pensioenuitkering bij gebruik van de diverse regelingen. Voor deze subsidieregeling is een bedrag van € 1 miljard beschikbaar voor de periode van 2021 tot en met 2025.

Werkgevers krijgen onder voorwaarden de mogelijkheid om oudere werknemers, die niet kunnen doorwerken, eerder te laten uittreden. Daarvoor komt er van 2021 tot en met 2025 een fiscale drempelvrijstelling. Uitkeringen uit regelingen voor vervroegd uittreden zijn vrijgesteld van de pseudo-eindheffing (RVU-heffing) voor zover ze niet uitkomen boven de drempelvrijstelling en niet meer dan drie jaar voor de AOW-leeftijd worden uitgekeerd.

Werkgevers kunnen met hun werknemers individuele afspraken maken over eerder uittreden. De sociale partners in een sector kunnen afspraken maken voor specifieke groepen werknemers over eerder uittreden. De tijdelijke subsidieregeling biedt sociale partners de ruimte om eventuele knelpunten die optreden bij arrangementen voor eerder uittreden te verlichten. Een regeling voor vervroegd uittreden moet specifiek zijn en mag niet gericht zijn op alle werkenden in de betreffende sector. De regeling mag geen structureel karakter hebben en deelname moet vrijwillig zijn.

Subsidie

Er wordt subsidie verleend voor activiteiten die een impuls geven aan de duurzame inzetbaarheid in de sector en zijn opgenomen in een integraal activiteitenplan van de sector. Maatregelen voor duurzame inzetbaarheid kunnen zich richten op de volgende thema’s:

  • het bevorderen van gezond, veilig en vitaal werken;
  • het bevorderen van goed werkgeverschap en goed opdrachtgeverschap;
  • het stimuleren van een leven lang ontwikkelen en arbeidsmobiliteit van werkenden;
  • het bevorderen van bewustwording en eigen regie van werkenden op hun loopbaan.

Voor activiteiten die zien op duurzame inzetbaarheid bedraagt de subsidie maximaal 50%. Voor de activiteiten gericht op het oplossen van knelpunten rond eerder uittreden bedraagt de subsidie circa 25%. De rest van de kosten komt ten laste van sector of de werkgever.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2020-0000086251 | 23-07-2020

Uw NOW-aanvraag afronden 

De tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW) geeft door corona getroffen bedrijven een tegemoetkoming in de loonkosten. Voor de eerste tranche (NOW-1) is de regeling als volgt: indien de omzet minimaal 20% gedaald is in de coronaperiode ten opzichte van het driemaandsgemiddelde van de omzet van 2019 dan heeft de aanvrager recht op de tegemoetkoming. De periode waarin de omzetdaling zich moet voordoen betreft drie aangesloten kalendermaanden. Naar keuze van de ondernemer start de periode op 1 maart, 1 april of 1 mei 2020. De tegemoetkoming bedraagt maximaal 90% van de loonsom bij een omzetdaling van 100%. De tweede tranche (NOW-2) betreft een periode van vier maanden. De omzet van deze periode wordt vergeleken met een derde van de jaaromzet van 2019.

Omzet

Voor het begrip omzet wordt aangesloten bij het jaarrekeningrecht. Dat wil zeggen dat de omzet wordt berekend onder aftrek van kortingen en dergelijke en exclusief de in rekening gebrachte omzetbelasting. Deze omzet dient aan de juiste periode toegerekend te worden. Daartoe worden geleverde, nog niet gefactureerde prestaties in de coronaperiode als onderhanden werk in de omzet opgenomen voor de NOW-regeling. Ontvangen subsidies in het kader van de coronacrisis, zoals de Tegemoetkoming ondernemers in getroffen sectoren (TOGS) en de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), tellen als omzet mee. 

Bij een correcte boekhouding is manipulatie van de omzet door deze te verschuiven naar een tijdvak buiten de periode waarin de omzetdaling wordt geconstateerd om een hogere tegemoetkoming te ontvangen niet mogelijk. Het voeren van een correcte boekhouding is de verantwoordelijkheid van de ondernemer. 

Definitieve aanvraag

Bedrijven, die een voorschot hebben aangevraagd, kunnen vanaf 7 oktober 2020 de definitieve aanvraag indienen voor de NOW-1 regeling. Bij een voorschot van minimaal € 20.000 of een definitieve tegemoetkoming van minimaal € 25.000 dient de aanvraag gecontroleerd te worden door een deskundige (accountants- of administratiekantoor, financieel dienstverlener of brancheorganisatie). Bij voorschotten van minimaal € 100.000 of een definitieve tegemoetkoming van minimaal € 125.000 dient de deskundige een accountant te zijn. Concerns, die van de mogelijkheid gebruik maken om voor een concernmaatschappij de NOW aan te vragen, dienen altijd een accountantsverklaring over te leggen. Bij kleine aanvragen tot € 25.000 is geen verklaring nodig. In alle gevallen geldt dat documentatie van groot belang is, aangezien de aanvraag en de subsidieverlening ook achteraf gecontroleerd kan worden. Ook voor deze aanvragen raden wij aan die te laten controleren door uw financieel adviseur.

Verklaring

De verklaring van de deskundige die bij de aanvraag moet worden gevoegd betreft de omzetdaling van de ondernemer. Zonder verklaring heeft de ondernemer geen recht op de tegemoetkoming en moet het voorschot worden terugbetaald. Bij een niet correcte boekhouding zal de deskundige de benodigde verklaring niet afgeven.

Termijnen

De definitieve aanvraag dient binnen 24 weken na 7 oktober ingediend te worden. Indien een accountantsverklaring vereist is, geldt een verruimde aanvraagtermijn van 38 weken.

Controle

Indien bij controle achteraf blijkt dat de aanvraag niet correct is, zal de tegemoetkoming teruggevorderd worden. De kans is groot dat er dan ook boetes opgelegd worden en rente wordt berekend over het terug te vorderen bedrag.

Bron: Overig | publicatie | 16-07-2020

Wetsvoorstel aanpassing AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd

In het pensioenakkoord is afgesproken dat de AOW-leeftijd en de pensioenrichtleeftijd minder snel stijgen dan de ontwikkeling van de resterende levensverwachting. In plaats van een 1 op 1-koppeling komt er een 2/3-koppeling. Dit betekent dat voor ieder jaar levenswinst acht maanden langer moet worden doorgewerkt. Nu het pensioenakkoord is geaccepteerd door de achterban van de werknemersorganisaties heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer waarin de aanpassing van de koppeling van de AOW-leeftijd en de pensioenrichtleeftijd aan de levensverwachting is verwerkt.

De koppeling is in de wet verwerkt in de vorm van een formule. Deze formule luidt als volgt:

V = 2/3 * (L – 20,64) – (P – 67)

V is de verhoging van de AOW-leeftijd ten opzichte van de AOW-leeftijd in het voorafgaande jaar. Als V groter of gelijk is aan 0,25 gaat de AOW-leeftijd in het aanpassingsjaar met drie maanden omhoog. Als V kleiner is dan 0,25 blijft de AOW-leeftijd in het aanpassingsjaar gelijk.

2/3 is de coëfficiënt die ervoor zorgt dat de toename van levensverwachting voor twee-derde meetelt in een stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

L is de geraamde gemiddelde resterende levensverwachting op de 65-jarige verjaardag in het aanpassingsjaar en 20,64 is de door het CBS voor 2019 geraamde resterende levensverwachting op de 65e verjaardag voor het jaar 2024.

P is de geldende AOW-leeftijd in het voorafgaande jaar.

67 is de geldende AOW-leeftijd in jaren in 2024.

Het jaar 2025 vormt een overgangsjaar. Voor dit overgangsjaar is in het wetsvoorstel vastgelegd dat de AOW-leeftijd 67 jaar bedraagt en de aanvangsleeftijd voor de AOW-verzekering 17 jaar.

De formele nieuwe koppeling van de AOW-leeftijd aan de resterende levensverwachting geldt derhalve vanaf het jaar 2026.

De pensioenrichtleeftijd is de in de belastingwetgeving opgenomen pensioenleeftijd. De pensioenrichtleeftijd is een rekengrootheid voor de bepaling van het maximaal op te bouwen pensioen in dienstbetrekking. Sinds 1 januari 2015 is de pensioenrichtleeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de gemiddelde resterende levensverwachting. Jaarlijks wordt bepaald in hoeverre de ontwikkeling van de levensverwachting leidt tot een verdere verhoging van de pensioenrichtleeftijd. Deze aanpassing vindt plaats in stappen van één jaar. Een verhoging van de pensioenrichtleeftijd wordt ten minste één jaar van tevoren bekendgemaakt. Sinds 2018 is de pensioenrichtleeftijd 68 jaar. Dat blijft zo totdat deze op basis van de 2/3-koppeling aan de resterende levensverwachting moet worden verhoogd. De stapgrootte van de verhoging van de pensioenrichtleeftijd blijft één jaar.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | wetsvoorstel | 16-07-2020

Regeling TOFA twee weken langer open

De Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA) is een tegemoetkoming voor het inkomensverlies van flexwerkers, oproep- en uitzendkrachten. De periode waarbinnen een aanvraag kan worden gedaan, is verlengd met twee weken tot en met 26 juli. De tegemoetkoming bedraagt € 550 bruto per maand voor de maanden maart, april en mei. Voorwaarde voor de tegemoetkoming is dat de flexwerker in februari meer dan € 400 bruto aan inkomen had en in april minimaal de helft daarvan heeft verloren. De aanvrager mag in de maanden maart tot en met mei geen WW, bijstand, of andere socialezekerheidsregeling hebben ontvangen.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 16-07-2020

Handhaven verbod op verrekenen met minimumloon

Inhoudingen op en verrekeningen met het wettelijk minimumloon zijn in beginsel niet toegestaan. De ondergrens voor verrekeningen met het loon is de beslagvrije voet indien deze hoger ligt dan het wettelijk minimumloon waar de werknemer recht op heeft. De beslagvrije voet wordt vastgesteld op basis van door de schuldenaar verstrekte gegevens. De Inspectie SZW is de instantie die het verbod op verrekenen met het minimumloon moet controleren en handhaven. Omdat het zeer arbeidsintensief voor de Inspectie SZW is om de beslagvrije voet te berekenen, kiest de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ervoor om bij de handhaving van het verrekenverbod het wettelijk minimumloon in alle gevallen als ondergrens voor verrekening te laten gelden. De daartoe benodigde wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is opgenomen in het wetsvoorstel verzamelwet SZW 2021. De staatssecretaris heeft de Inspectie SZW verzocht om tot de inwerkingtreding van de verzamelwet SZW 2021 bij de handhaving te anticiperen op de voorgestelde wijziging.

De staatssecretaris wijst er voor alle duidelijkheid op dat het voor de werkgever verboden is (en blijft) om met het loon te verrekenen onder de grens van de beslagvrije voet, ook als deze hoger is dan het wettelijk minimumloon.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2020-0000091716 | 16-07-2020