All posts by jansen_kleton_claudia

Schending aanzegverplichting en opzegging in strijd met de wet

Een procedure bij de kantonrechter had onder meer betrekking op de duur van de tussen werkgever en werknemer gesloten arbeidsovereenkomst en de gevolgen daarvan. Het dienstverband was aangevangen op 18 maart 2019. In de arbeidsovereenkomst stond dat deze was aangegaan voor de duur van zes maanden, maar ook dat deze zou eindigen op 31 augustus 2019. Deze onduidelijkheid in de arbeidsovereenkomst kwam voor rekening van de werkgever, aangezien hij degene was die de arbeidsovereenkomst had opgesteld.

Uitgaande van een duur van zes maanden had de werkgever uiterlijk op 17 augustus 2019 de werknemer moeten informeren over het wel of niet voortzetten van de arbeidsrelatie en de eventuele voorwaarden daarvan. De werkgever deelde pas op 30 augustus 2019 aan de werknemer mee dat hij de arbeidsrelatie wilde voortzetten. Over de periode van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 moest de werkgever wegens schending van de aanzegverplichting een vergoeding betalen die gelijk was aan het loon over die periode.

Op enig moment ontstond discussie tussen werkgever en werknemer over de voortzetting van het dienstverband. De werkgever meende dat het dienstverband was beëindigd per 17 september. De kantonrechter stelde vast dat de werknemer na 17 september nog heeft gewerkt voor de werkgever en dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen onder dezelfde voorwaarden als de eerste arbeidsovereenkomst is voortgezet. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd. Deze opzegging was in strijd met de wet omdat toestemming van het UWV ontbrak en de werknemer niet met de opzegging heeft ingestemd. Opzegging in strijd met de wet wordt beschouwd als ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De werkgever moest de werknemer daarom een billijke vergoeding betalen.

Bij het opstellen van de eindafrekening verrekende de werkgever het teveel aan opgenomen verlofdagen van de werknemer met het hem toekomende loon. Het Burgerlijk Wetboek bevat wel een regeling voor een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst vakantiedagen over heeft, maar niet voor een werknemer met een negatief verlofsaldo.

Ook de toepasselijke cao kende geen regeling voor deze situatie. De cao stond wel toe dat de werkgever het te veel genoten verlof door de werknemer kan laten inhalen. De mogelijkheid van verrekening van een teveel aan genoten verlof kende de cao alleen voor de situatie dat de werknemer zelf uit dienst gaat. De kantonrechter stond verrekening niet toe aangezien hier sprake was van opzegging door de werkgever. Steun voor zijn oordeel ontleende de kantonrechter aan de wetsgeschiedenis. Daarin staat dat de werkgever die ermee akkoord gaat dat een werknemer meer verlof opneemt dan waarop hij recht heeft, verplicht is het loon tijdens het verlof door te betalen. De werkgever heeft tijdens het dienstverband geen bezwaar gemaakt tegen het verlof en de werknemer er niet op gewezen dat hij onvoldoende verloftegoed had, gelet op zijn dienstverband voor bepaalde tijd. Verrekening van de te veel genoten verlofdagen zou dan in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBGEL20201663, 8175216 \ HA VERZ 19-186 \ 512 \ 34124 | 26-03-2020

Aan transitievergoeding gelijkwaardige voorziening

Bij ontslag op initiatief van de werkgever moet deze aan de werknemer een transitievergoeding betalen. Dat hoeft niet wanneer in de cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen.

In een procedure voor Hof Amsterdam speelde de vraag of de in de cao opgenomen premievrije opbouw van pensioen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens arbeidsongeschiktheid een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening was. De arbeidsongeschikte werknemer ontving naast de voortgezette pensioenopbouw een aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De Hoge Raad heeft in een eerder arrest overwogen, dat bij de beoordeling op gelijkwaardigheid een vergelijking moet worden gemaakt tussen de op het tijdstip van beëindiging van de arbeidsovereenkomst gekapitaliseerde potentiële waarde van de voorziening waarop de werknemer volgens de cao recht heeft en de transitievergoeding waarop de werknemer volgens de wettelijke regeling recht zou hebben.

Het hof was van oordeel dat de cao-voorziening ten minste gelijkwaardig was aan de wettelijke transitievergoeding. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof zonder verdere motivering ongegrond verklaard.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2020480, 19/00498 | 26-03-2020

Banken verlenen uitstel van betaling

Vanwege de impact van het coronavirus verlenen de grote Nederlandse banken aan zakelijke klanten met een lopend krediet met een uitstaand bedrag tot € 2,5 miljoen uitstel van betaling. Bedrijven krijgen automatisch zes maanden uitstel van betaling voor de rente, aflossing en kosten van hun lopende zakelijke krediet. Dat betekent dat in de maanden april tot en met september geen betalingen voor aflossing en dergelijke zullen worden geïncasseerd. Bedrijven die de rente, aflossing en kosten per kwartaal achteraf betalen krijgen automatisch uitstel daarvoor over het eerste kwartaal van 2020.

De uitgestelde rente, aflossingen en kosten van een rekening-courantkrediet worden in december 2021 door de bank geïncasseerd. Over de uitgestelde bedragen berekent de bank vanaf oktober 2020 rente. De uitgestelde rente, aflossingen en kosten van een zakelijke lening moeten uiterlijk aan het einde van de looptijd in een keer worden terugbetaald. Vanaf oktober wordt over de uitgestelde bedragen rente berekend.

Dat betekent dat bedrijven aan het einde van de regeling voldoende geld op hun bankrekening moeten hebben staan om de uitgestelde bedragen in één keer te kunnen betalen. Als dat niet lukt kan de bank op dat moment extra rente of kosten in rekening brengen. 

Het uitstel is bedoeld om negatieve effecten op de liquiditeit van bedrijven door de coronacrisis tegen te gaan. Bedrijven die geen uitstel van betaling nodig hebben, kunnen afzien van deze regeling. Zij moeten dat zelf melden bij hun bank.

De regeling geldt niet voor zzp’ers. De banken zoeken in overleg met de overheid naar maatregelen voor deze groep.

Voor grootzakelijke klanten en voor bedrijven met een krediet van meer dan € 2,5 miljoen worden oplossingen op maat gezocht.

Bron: Overig | publicatie | 20-03-2020

Rechtspraak gesloten tot 6 april

In verband met de uitbraak van het coronavirus zijn met ingang van dinsdag 17 maart de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges gesloten. Alleen zaken waar een rechterlijke beslissing niet achterwege kan blijven gaan door. Publiek is niet meer welkom bij de rechtszaken die doorgang vinden. De maatregelen duren in ieder geval tot 6 april.

Bron: Overig | publicatie | 19-03-2020

Ontslag op staande voet

Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet moet de opzegging  onverwijld worden gedaan wegens een dringende reden.

De opzegging om een dringende reden moet zo spoedig mogelijk worden gedaan nadat de dringende reden zich heeft voorgedaan. Voor het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet al dan niet onverwijld is gegeven, is beslissend op welk tijdstip de feiten die als de dringende reden worden aangevoerd ter kennis zijn gekomen van de werkgever. Bij een vermoeden van een dringende reden heeft de werkgever de tijd om zich van de juistheid van dat vermoeden te vergewissen voordat hij tot ontslag overgaat. Hoeveel tijd de werkgever heeft is afhankelijk van de omstandigheden, zoals de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek en de voorzichtigheid die daarbij geboden kan zijn, de noodzaak om rechtskundig advies in te winnen en het verzamelen van bewijsmateriaal. De werkgever moet de nodige zorg betrachten om te vermijden dat de werknemer in zijn belangen wordt geschaad mocht het vermoeden niet juist blijken te zijn.

Hof Den Bosch is van oordeel dat een op 4 februari gegeven ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, hoewel de werkgever al op 16 januari  bekend was met een deel van de feiten waarop het ontslag gegrond was. De werkneemster is op die datum wel op non-actief gesteld. Volgens het hof was nader nader onderzoek nodig omdat de werkneemster van meer ongeregeldheden in de administratie en het beheer van contant geld werd verdacht. Het hof vond begrijpelijk dat met het uitvoeren van het onderzoek enige tijd was gemoeid. Het hof merkte verder op dat het ontslag op staande voet niet eerder dan op 4 februari had kunnen worden gegeven omdat de werkneemster door ziekte niet eerder beschikbaar was voor overleg.

Het hof oordeelde verder dat ook aan het vereiste van een dringende reden was voldaan. De werkneemster had zonder toestemming contant geld van de werkgever mee naar huis genomen. Het ging om een bedrag van minimaal € 25.000. In de administratie had de werkneemster dat niet vermeld. De administratie schoot tekort in die zin dat niet direct duidelijk werd hoeveel geld de werkneemster van de werkgever onder zich had. De werkneemster had ook de bedragen in de kluis van de werkgever te hoog op laten lopen, hoewel zij wist dat de werkgever maar voor een beperkt bedrag verzekerd was. De werkneemster werd ook verweten dat zij niet meteen de code van de kluis aan haar leidinggevende had gegeven en had geprobeerd onopgemerkt een envelop met geld terug in de kluis te leggen. De werkgever heeft zich volgens het hof terecht op het standpunt kunnen stellen dat hij het vertrouwen in de werkneemster volledig kwijt is geraakt.

Volgens het hof is het ontslag op staande voet rechtsgeldig.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE2020938,200.267.221/01 | 19-03-2020

Noodpakket maatregelen coronacrisis

Na de eerder genomen maatregelen ter bestrijding van de coronacrisis komt het kabinet nu met een noodpakket aan bijzondere maatregelen. Dit noodpakket geldt voorlopig voor een periode van drie maanden en omvat drie hoofdelelementen:

  1. een noodpakket banen en economie;
  2. de instelling van een noodloket;
  3. liquiditeitssteun.

Noodpakket banen en economie

Werktijdverkorting

De huidige regeling voor werktijdverkorting is met onmiddellijke ingang ingetrokken. De regeling wordt vervangen door een Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor werkbehoud (NOW).

Deze regeling maakt het mogelijk om meer werkgevers sneller financieel tegemoet te komen dan binnen de ingetrokken regeling mogelijk was. De noodmaatregel geldt voor alle bedrijven, ongeacht hun omvang. Het aanvraagproces staat los van de WW-regeling. Werknemers verliezen hierdoor geen WW-rechten.

Werkgevers met een verwacht omzetverlies van ten minste 20% kunnen bij het UWV een tegemoetkoming in de loonkosten aanvragen tot maximaal 90% van de loonsom. De werkgever betaalt het loon van de betrokken werknemers volledig door. De tegemoetkoming geldt voor een periode van drie maanden. Deze periode kan éénmalig worden verlengd met drie maanden. Aan verlenging zullen nadere voorwaarden worden gesteld. De regeling ziet op omzetdalingen vanaf 1 maart 2020.

Reeds ingediende aanvragen voor werktijdverkorting worden beschouwd als ingediende aanvragen voor de nieuwe regeling. Voorwaarde voor de aanvraag is dat de werkgever geen ontslag om bedrijfseconomische redenen zal aanvragen voor zijn werknemers gedurende de periode waarover de tegemoetkoming ontvangen wordt. De regeling betreft niet alleen de loonkosten van vaste werknemers maar ook van werknemers met een flexibel contract voor zover zij in dienst blijven gedurende de aanvraagperiode. Het UWV verstrekt op basis van de aanvraag een voorschot. Achteraf wordt vastgesteld wat het daadwerkelijke verlies in omzet is geweest. Bij de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming vindt mogelijk een correctie plaats. Op dit moment is nog niet bekend vanaf welke datum aanvragen kunnen worden ingediend.

Extra tijdelijke ondersteuning voor ondernemers

Voor zelfstandige ondernemers (zzp'ers en eenmanszaken) met financiële problemen komt er een tijdelijke voorziening voor drie maanden. De voorziening bestaat uit een aanvullende uitkering voor levensonderhoud en een lening voor bedrijfskapitaal. De uitkering voor levensonderhoud vult het inkomen aan tot het sociaal minimum. De toets op levensvatbaarheid van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen wordt niet toegepast om een snelle behandeling van aanvragen mogelijk te maken.

De hoogte van de inkomensondersteuning is afhankelijk van het inkomen en de samenstelling van het huishouden. Deze bedraagt maximaal ca. € 1.500 per maand netto. Deze ondersteuning hoeft niet te worden terugbetaald.

De versnelde procedure geldt ook voor aanvragen voor een lening voor bedrijfskapitaal tot maximaal € 10.157. Uitstel van de aflossingsverplichting is mogelijk. Tevens zal een lagere rente worden gehanteerd.

WW-premiedifferentiatie

De hoge WW-premie voor flexibele contracten geldt niet voor voor vaste werknemers die door het coronavirus in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal deze aanpassing van de wet voor kalenderjaar 2020 zo spoedig mogelijk uitwerken. Het uitstel, dat werkgevers hebben gekregen om een vaste arbeidsovereenkomst op schrift te stellen, wordt verlengd tot 1 juli. Ook de coulanceregeling om het lage WW-percentage te hanteren voor werknemers, die op 31 december 2019 voor onbepaalde tijd in dienst waren, wordt verlengd tot en met 30 juni 2020.

Noodloket

Er komt een noodloket waar ondernemers een gift voor de eerste nood kunnen vragen. Deze gift geldt voor ondernemers die direct zijn getroffen door overheidsmaatregelen ter bestrijding van de coronacrisis en die daardoor een groot deel van hun omzet verliezen. De tegemoetkoming en de voorwaarden moeten nog worden uitgewerkt. Het betreft een eenmalig forfaitair bedrag van € 4.000 voor de periode van drie maanden.

Liquiditeitssteun

Belastingmaatregelen

Uitstel van betaling van belastingen
Al eerder is aangekondigd dat de Belastingdienst bijzonder uitstel van betaling verleent aan alle ondernemers die door de coronacrisis in liquiditeitsproblemen zijn gekomen of zullen komen. De Belastingdienst verleent het uitstel direct nadat het verzoek is ontvangen. Individuele beoordeling van het verzoek vindt later plaats.

De komende tijd legt de Belastingdienst geen verzuimboete op voor het niet (tijdig) betalen van belasting. De behandeling van verzoeken om uitstel van betaling moet handmatig plaatsvinden, zodat behandeltijden kunnen oplopen indien veel verzoeken binnenkomen.

Energiebelasting
De heffing van de energiebelasting en de Opslag Duurzame Energie (ODE) voor bedrijven in de tweede, derde en vierde belastingschijf zal tijdelijk worden uitgesteld. Het kabinet onderzoekt hoe dit kan worden vormgegeven.

Invorderingsrente en belastingrente
De invorderingsrente wordt vanaf 23 maart 2020 tijdelijk verlaagd van 4% naar 0,01%. Deze verlaging geldt voor alle belastingschulden. Ook de belastingrente gaat tijdelijk omlaag van 8% voor de vennootschapsbelasting en 4% voor overige belastingen naar 0,01%. Deze verlaging gaat in op 1 juni 2020. De tijdelijke verlaging van de belastingrente in de inkomstenbelasting gaat in op 1 juli 2020.

Voorlopige aanslagen
Ondernemers die een lagere winst verwachten door de coronacrisis kunnen een verzoek indienen voor een verlaging van de voorlopige aanslag. Deze verzoeken zullen door de Belastingdienst worden ingewilligd.

Verruiming Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat heeft de BMKB tijdelijk verruimd om de liquiditeitsrisico’s in verband met het coronavirus te matigen, zodat bedrijven met een gezond toekomstperspectief gefinancierd kunnen blijven. De regeling houdt in dat de overheid voor een deel van de lening borg staat als bedrijven niet genoeg zekerheden kunnen bieden. De verruiming houdt in dat de borgstelling omhooggaat van 50% naar 75% van het krediet. Deze maatregel is bestemd voor een overbruggingskrediet of verhoging van een rekening-courantkrediet met een maximale looptijd van twee jaar. Ook een aantal overige voorwaarden in de regeling is versoepeld. Aanmelding is mogelijk vanaf maandag 16 maart 2020. Ondernemers die voor de regeling in aanmerking willen komen, kunnen zich melden bij hun bank of kredietverstrekker.

GO-regeling

De GO-regeling kent een 50% garantie op bankleningen en bankgaranties vanaf € 1,5 miljoen tot maximaal € 50 miljoen per onderneming. Het garantiebudget van de GO wordt verhoogd van € 400 miljoen tot € 1,5 miljard. Het maximum per onderneming wordt verhoogd naar € 150 miljoen. De verruimingen zullen binnen een week geëffectueerd worden.

Qredits

Qredits is een sociale kredietverstrekker voor bedrijven. Het kabinet is bereid Qredits financieel te ondersteunen met € 6 miljoen voor een termijn van negen maanden. De ondersteuning wordt gebruikt voor het verlenen van uitstel van de aflossingsverplichting voor maximaal zes maanden en een rentekorting over deze periode. De tegemoetkoming geldt uitsluitend voor coronagerelateerde aanvragen.

Borgstelling MKB-Landbouwkredieten

De regeling Borgstelling MKB-Landbouwkredieten wordt tijdelijk verruimd door een gunstigere borgstelling voor werkkapitaal. De verruiming moet de financiering van land- en tuinbouwbedrijven vergemakkelijken. De aangepaste regeling geldt met ingang van 18 maart 2020.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | CE-AEP / 20077147 | 18-03-2020

Maatregelen in verband met coronavirus

In verband met het coronavirus heeft het kabinet diverse maatregelen getroffen voor ondernemers. Het gaat om de regeling voor werktijdverkorting met aanvulling uit de WW om onnodig ontslag van werknemers te voorkomen. Om in de liquiditeitsbehoefte van bedrijven te voorzien, kunnen zij een beroep doen op de Borgstellingsregeling MKB-kredieten. Deze regeling wordt verruimd.

Werktijdverkorting

De regeling werktijdverkorting geldt voor bedrijven die door een calamiteit tijdelijk een verlies van werkuren hebben. Deze calamiteit moet ten minste twee weken en maximaal 24 weken voor werkuitval zorgen. Ook moet er voor minstens 20% van het personeel geen werk zijn. Zzp’ers, die door het coronavirus in de problemen komen, kunnen een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

Verruiming Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat heeft de BMKB tijdelijk verruimd om de liquiditeitsrisico’s in verband met het coronavirus te matigen, zodat bedrijven met een gezond toekomstperspectief gefinancierd kunnen blijven. De regeling houdt in dat de overheid voor een deel van de lening borg staat als bedrijven niet genoeg zekerheden kunnen bieden. De verruiming houdt in dat de borgstelling omhooggaat van 50 naar 75% van het krediet. Deze maatregel is bestemd voor een overbruggingskrediet of verhoging van een rekening-courantkrediet met een maximale looptijd van twee jaar. Ook een aantal overige voorwaarden in de regeling is versoepeld. Aanmelding is mogelijk vanaf maandag 16 maart 2020. Ondernemers, die voor de regeling in aanmerking willen komen, kunnen zich melden bij hun bank of kredietverstrekker.

Uitstel van betaling

Ondernemers kunnen een verzoek doen om bijzonder uitstel van betaling in de inkomsten-, vennootschaps-, omzet- en loonbelasting. De Belastingdienst verleent uitstel van betaling als de ondernemer door de coronacrisis in de problemen is gekomen. Zodra het verzoek om uitstel ontvangen is, zet de Belastingdienst de invordering stil. De gebruikelijke vereisten voor het verlenen van uitstel blijven gelden. De Belastingdienst legt de komende tijd geen verzuimboetes voor het niet (tijdig) betalen op.

Voorlopige aanslagen

Verzoeken om verlaging van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting op basis van een verwachte lagere winst door de coronacrisis zullen door de Belastingdienst worden ingewilligd.

Bron: Ministerie van Economische Zaken | publicatie | CE-AEP / 20072624 | 16-03-2020

Compensatie voor betaalde transitievergoeding

De verplichting om het loon door te betalen aan een zieke werknemer eindigt in de regel na 104 weken van arbeidsongeschiktheid. Op dat moment vervalt ook het opzegverbod wegens ziekte en kan de werkgever een ontslagvergunning aanvragen bij het UWV. Bij het ontslag moet de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding betalen. Vanaf 1 april 2020 kunnen werkgevers compensatie aanvragen voor de transitievergoeding die zij hebben betaald bij het ontslag van een langdurig zieke werknemer. De compensatieregeling geldt voor transitievergoedingen die op of na 1 juli 2015 zijn betaald. Het UWV voert de compensatieregeling uit. Op het werkgeversportaal van de website van het UWV is vanaf 1 april het aanvraagformulier voor de compensatieregeling beschikbaar.

Let op! Om in te loggen op het werkgeversportaal is eHerkenning nodig.

Voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor de compensatie gelden de volgende voorwaarden:

  • de arbeidsovereenkomst is (gedeeltelijk) geëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid;
  • de werknemer was nog ziek bij het einde van het dienstverband;
  • de werkgever heeft een transitievergoeding betaald aan de werknemer.

Werkgevers moeten kunnen aantonen dat aan de voorwaarden is voldaan. Bij de aanvraag moeten zij de volgende documenten aanleveren aan het UWV:

  • de arbeidsovereenkomst;
  • een bewijs van het einde van de arbeidsovereenkomst. Dat kan zijn een beëindigingsovereenkomst of vaststellingsovereenkomst, een ontbindingsbeschikking van de kantonrechter of een opzeggingsbrief;
  • een berekening van de transitievergoeding en loonstroken;
  • een bewijs van betaling van de transitievergoeding.

Hoogte compensatie

De compensatie is niet per definitie gelijk aan de betaalde transitievergoeding. De compensatie is namelijk niet hoger dan het bedrag van de transitievergoeding waar de werknemer recht op had aan het einde van de periode van verplichte loondoorbetaling, dus na 104 weken ziekte.

Tijdstip aanvraag

De datum van de betaling van de transitievergoeding bepaalt tot wanneer u compensatie kunt aanvragen. Wanneer de transitievergoeding op of na 1 april 2020 betaald wordt, moet de compensatie binnen zes maanden na de betaling worden aangevraagd. Is de transitievergoeding volledig betaald voor 1 april 2020, dan moet de aanvraag voor 1 oktober zijn ingediend.

Duur behandeling

De duur van de behandeling van een aanvraag is afhankelijk van de situatie. Als het opzegverbod wegens ziekte voor 1 april 2020 is geëindigd, neemt het UWV binnen 26 weken na het indienen van de aanvraag een beslissing. Het UWV moet de compensatie binnen zes weken na de datum van de beslissing betalen. Als het opzegverbod wegens ziekte op of na 1 april 2020 is geëindigd, moet het UWV binnen acht weken na het indienen van de aanvraag een beslissing nemen. Betaling volgt ook dan binnen zes weken na de datum van de beslissing.

Bron: Overig | publicatie | 12-03-2020

Boetebeding arbeidscontract niet overgenomen in vaststellingsovereenkomst

Een arbeidsovereenkomst omvatte onder meer een non-concurrentiebeding, een relatiebeding en een geheimhoudingsbeding. Op overtreding van deze bedingen stond een boete, die in een afzonderlijke bepaling was opgenomen. De arbeidsovereenkomst werd beëindigd door een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. In deze overeenkomst stond dat de verplichtingen uit het non-concurrentiebeding, het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding onverminderd van kracht bleven. De boetebepaling werd niet overgenomen en evenmin werd naar de boetebepaling verwezen. Wel bevatte de vaststellingsovereenkomst de bepaling dat alles was besproken en onderhandeld en dat partijen over en weer uit de arbeidsovereenkomst niets meer van elkaar te vorderen hadden, behoudens de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst.

De kantonrechter oordeelde dat in de vaststellingsovereenkomst aan de overtreding van het non-concurrentie of het relatiebeding geen boete was verbonden. In de vaststellingsovereenkomst werd de boete niet expliciet genoemd. Evenmin was gesteld of gebleken dat partijen voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst over het boetebeding hebben gesproken. Dat zij met hun afspraken over het concurrentiebeding ook doelden op het boetebeding was niet aannemelijk. De kantonrechter vond van belang dat in de arbeidsovereenkomst de boete niet in dezelfde bepaling was opgenomen als de afspraken over concurrerende werkzaamheden en het benaderen van relaties.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE2020579, 8252513 UV EXPL 20-3 MS/1270 | 12-03-2020

Beëindiging arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden

De totstandkoming van de overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst is vormvrij. Er moet sprake zijn van een aanbod van een van de partijen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, welk aanbod de wederpartij moet hebben aanvaard. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2005 de vraag of een overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden tot stand is gekomen beantwoord. Er dient een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, gericht op vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, te zijn.

Het Burgerlijk Wetboek bevat een bepaling die inhoudt dat een overeenkomst, waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, alleen geldig is als deze schriftelijk is aangegaan. Voor de beoordeling of een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd, zijn twee aspecten relevant. Ten eerste moet sprake zijn van een overeenkomst, waarmee de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, en ten tweede is er een vormvoorschrift, inhoudende dat er een schriftelijke vastlegging van deze overeenkomst is.

De kantonrechter oordeelde in een procedure dat het vormvoorschrift van schriftelijke vastlegging ondergeschikt is aan de vraag of partijen daadwerkelijk een overeenkomst tot wederzijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben bereikt. Ongeacht de wijze waarop partijen tot overeenstemming over de beëindiging met wederzijds goedvinden zijn gekomen, moeten zij hun overeenstemming daarover schriftelijk vastleggen. In deze casus was aan het schriftelijkheidsvereiste voldaan door een brief van de werkgever, waarin met zoveel worden stond dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigde.

Uit het feit dat de werkneemster met een nieuwe werkgever tot overeenstemming is gekomen en daar daadwerkelijk in dienst is getreden en zonder protest de bedrijfseigendommen van de oude werkgever heeft ingeleverd, leidde de kantonrechter af dat zij haar arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwde. De oude werkgever mocht erop vertrouwen dat de werkneemster met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden heeft ingestemd. Het door de werkgever gedane aanbod tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden heeft de werkneemster aanvaard. Daarmee is dus een overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden tot stand gekomen.

De procedure betrof de vraag of de werkneemster recht had op een transitievergoeding nu de activiteiten van de werkgever werden beëindigd en overgedragen aan andere partijen. In dat kader konden de werknemers aangeven of zij bij een van deze partijen in dienst wilden treden.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA20201893, 8005347 RP VERZ 19-50506 | 12-03-2020