All posts by jansen_kleton_claudia

Opzegging door werknemer niet voorwaardelijk gedaan

De wetgever heeft de werknemer willen behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben. Daarom mag de werkgever niet te snel aannemen dat een verklaring van de werknemer daarop is gericht. Vereist is een duidelijke en ondubbelzinnige opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer. Of de werkgever gevolgen mag verbinden aan de opzegging, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de persoon van de werknemer, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer en de omstandigheden waaronder de opzegging is gedaan.

Een procedure voor de kantonrechter had als inzet van het geschil het antwoord op de vraag of een arbeidsovereenkomst was opgezegd en zo ja, door wie: de werknemer of de werkgever.

De werknemer stelde zich op het standpunt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van het UWV heeft opgezegd. De werkgever was van mening dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst was terug te voeren op een opzegging daarvan door de werknemer. De werknemer erkende dat hij de arbeidsovereenkomst had opgezegd, maar voerde aan dat de opzegging voorwaardelijk was gedaan, afhankelijk van het bereiken van overeenstemming over voortzetting van een tussen partijen bestaande innovatieovereenkomst.

De kantonrechter vond de bewoordingen van de opzeggingsbrief voldoende duidelijk en ondubbelzinnig gericht op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst: de werknemer schreef dat hij het bedrijf wilde verlaten. Enig voorbehoud bij de opzegging werd niet gemaakt. Het ontbreken van een einddatum in de opzeggingsbrief heeft niet tot gevolg dat de opzegging niet duidelijk en ondubbelzinnig is gedaan. De einddatum wordt vaak in onderling overleg tussen werkgever en werknemer bepaald, waarbij onder meer wordt gekeken naar het over te dragen werk en de tijd die daarvoor nodig is. De werkgever had de opzegging op 15 februari 2019 bevestigd en als einddatum 31 maart 2019 vermeld. Op verzoek van de werknemer is de einddatum opgeschoven tot 30 april 2019.

Op 17 april 2019 deelde de werknemer aan de werkgever mee dat hij toch wilde blijven. Gelet op het tijdsverloop na de acceptatie door de werkgever kon volgens de kantonrechter van intrekking van de opzegging geen sprake zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter is de verschuiving van de einddatum van 31 maart 2019 naar 30 april 2019 vormgegeven als een verlengde opzegtermijn. Die verlenging kan niet worden aangemerkt als een nieuwe arbeidsovereenkomst, in vervolg op de eerdere arbeidsovereenkomst, welke nieuwe arbeidsovereenkomst vervolgens door de werkgever is opgezegd.

De kantonrechter was van oordeel dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 30 april 2019 het gevolg was van de opzegging van de werknemer van 3 februari 2019.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20198192, 7778056 | 31-10-2019

Minimumloon per 1 januari 2020

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de bedragen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag per 1 januari 2020 vastgesteld. Voor werknemers van 21 jaar en ouder geldt het volledige minimumloon. Voor jongere werknemers geldt een leeftijdsafhankelijk percentage van het volledige minimumloon.

Leeftijd Staffelpercentage Per maand Per week Per dag
21 jaar en ouder 100% € 1.653,60 € 381,60 € 76,32
20 jaar 80% € 1.322,90 € 305,30 € 61,06
19 jaar 60% € 992,15 € 228,95 € 45,79
18 jaar 50% € 826,80 € 190,80 € 38,16
17 jaar 39,5% € 653,15 € 150,75 € 30,15
16 jaar 34,5% € 570,50 € 131,65 € 26,33
15 jaar 30% € 496,10 € 114,50 € 22,90

Het bruto minimumuurloon is niet alleen afhankelijk van de leeftijd maar ook van het aantal gewerkte uren per week. Per 1 januari 2020 gelden de volgende bedragen.

Leeftijd 36 uur per week 38 uur per week 40 uur per week
21 jaar en ouder € 10,60 € 10,05 € 9,54
20 jaar € 8,49 € 8,04 € 7,64
19 jaar € 6,36 € 6,03 € 5,73
18 jaar € 5,30 € 5,03 € 4,77
17 jaar € 4,19 € 3,97 € 3,77
16 jaar € 3,66 € 3,47 € 3,30
15 jaar € 3,19 € 3,02 € 2,87
Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | Staatscourant 2019 nr. 56680 | 31-10-2019

Genietingsmoment nabetaling salaris

Inkomsten worden in fiscaal opzicht genoten wanneer zij vorderbaar en inbaar zijn. Inkomsten zijn vorderbaar wanneer er een recht op dadelijke betaling bestaat, dat wil zeggen dat het betreffende bedrag met succes in een procedure kan worden gevorderd. Om te zijn genoten moeten inkomsten ook inbaar zijn. Dat wil zeggen dat, als de schuldeiser daarom verzoekt, de schuldeiser tot betaling overgaat.

Een in 2004 ontslagen werknemer spande procedures aan tegen zijn werkgever. Deze procedures hebben geleid tot een arrest van het gerechtshof in 2014. In dat arrest werd de werkgever veroordeeld om een bedrag van € 472.380 aan nagekomen salaris te betalen. De uitbetaling volgde in 2014 onder inhouding van € 244.380 aan loonheffing.

De werknemer bestreed de belastingheffing over de nabetaling in het jaar 2014 omdat de salaristermijnen, waarop hij recht had, fiscaal al eerder dan in 2014 waren genoten. De procedure over de aanslag 2014 ligt nu bij de Hoge Raad. De Advocaat-generaal (A-G) heeft een conclusie aan deze zaak gewijd. De A-G is het eens met de werknemer dat het salaris eerder dan in 2014 vorderbaar was, maar wijst erop dat een rechterlijke uitspraak nodig was om de werkgever te bewegen tot betaling. Dat betekent dat het salaris niet eerder dan in 2014 ook inbaar was.

Bron: Hoge Raad | Conclusie AG | ECLINLPHR2019974, 19/01700 | 24-10-2019

Snelle verbreking arbeidsovereenkomst kost werkgever geld

In een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan een proeftijd worden opgenomen. Tijdens de proeftijd kan zowel de werkgever als de werknemer de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigen. Zonder proeftijdbeding is een snelle beëindiging een stuk lastiger en kan het de werkgever veel geld kosten als hij de zorgvuldigheid uit het oog verliest, zo blijkt uit de volgende procedure.

Een werknemer met een vast dienstverband werd binnen twee weken na zijn indiensttreding ontslagen. Volgens de werkgever miste de werknemer de capaciteiten die vereist waren voor de functie. De ontslagbrief hield zowel een ontslag op staande voet als een opzegging van de arbeidsovereenkomst in. Voor opzegging van de arbeidsovereenkomst was geen toestemming van het UWV gevraagd en evenmin had de werkgever een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter ingediend. De werknemer vorderde aanvankelijk vernietiging van de opzegging van het dienstverband. Tijdens de procedure berustte de werknemer in de beëindiging van het dienstverband en vorderde hij een billijke vergoeding. Wegens de korte duur van het dienstverband had de werknemer geen recht op een transitievergoeding. Vanwege zijn arbeidsverleden als zelfstandig ondernemer had de werknemer na de beëindiging van de dienstbetrekking geen recht op WW.

De kantonrechter rekende het de werkgever aan dat hij in één brief twee momenten noemde waartegen de arbeidsovereenkomst werd beëindigd. Daardoor was niet duidelijk of de werkgever de werknemer op staande voet heeft willen ontslaan of dat hij de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn heeft willen opzeggen. De kantonrechter was van oordeel dat de werkgever de arbeidsovereenkomst in strijd met de wet heeft opgezegd. Vanwege deze strijdigheid veroordeelde de kantonrechter de werkgever tot betaling van een vergoeding aan de werknemer van € 25.000.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA201910056, 7921299 EJ19-84729 | 24-10-2019

Arbeidsverhouding ten onrechte als dienstbetrekking aangemerkt

In een arrest uit 2012 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria van een arbeidsovereenkomst moet worden gelet op alle omstandigheden van het geval in hun onderlinge verband. Het gaat niet alleen om de rechten en verplichtingen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar ook om de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding.

Hof Amsterdam moest in hoger beroep beoordelen of de rechtsverhouding tussen een bv en een zzp’er al dan niet een dienstbetrekking inhield. Er was geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. Partijen hebben afspraken gemaakt over het per uur te factureren bedrag en over de te verrichten werkzaamheden. De wil van partijen was niet gericht op het aangaan van een dienstbetrekking, maar op een overeenkomst van opdracht. De zzp’er voerde de opdrachten zelfstandig uit op het bedrijfsadres van de bv. Hij was binnen de gebruikelijke werktijden vrij om te komen en te gaan om opdrachten uit te voeren, mits de afgesproken opleveringsdatum werd gehaald. De zzp’er heeft meerdere malen opdrachten niet aangenomen omdat hij andere werkzaamheden had. De zzp’er was vrij om zich te laten vervangen en liep risico als een opdracht niet naar behoren was uitgevoerd. Volgens het hof leidt de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding niet tot de conclusie dat tussen hen een dienstbetrekking bestond.

Bron: Hof Amsterdam | jurisprudentie | ECLINLGHAMS20193451, 18/00323 | 24-10-2019

Nationale Hypotheek Garantie in 2020

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over ontwikkelingen binnen de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). De (eenmalige) premie voor de NHG gaat per 1 januari 2020 omlaag van 0,9 naar 0,7% van het bedrag van de lening. De maximale hypotheek waarop de NHG van toepassing is gaat per 1 januari 2020 naar € 310.000. Worden er energiebesparende voorzieningen aangebracht dan bedraagt het maximum € 328.600. De hogere kostengrens voor energiebesparende voorzieningen biedt extra ruimte voor verduurzaming van de eigen woning.

Bron: Overig | publicatie | 2019-0000525171 | 17-10-2019

Evaluatie Wet aanpak schijnconstructies

De doelstelling van de Wet aanpak schijnconstructies (Was) is het voorkomen van oneerlijke concurrentie tussen bedrijven, het versterken van de rechtspositie van werknemers en het waarborgen van een beloning voor werknemers. Bij de invoering van de Was is afgesproken dat de maatregelen binnen drie jaar na hun inwerkingtreding geëvalueerd zouden worden. De maatregelen zijn in de periode 1 juli 2015 tot 1 januari 2017 in werking getreden. Om die reden is ervoor gekozen de evaluatie van de Was in 2019 plaats te laten vinden.

De bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben de uitkomsten van de evaluatie naar de Tweede Kamer gestuurd. Belangrijkste conclusie is dat de evaluatie van de Was een gemengd beeld laat zien. De ketenaansprakelijkheid voor loon heeft een preventieve en correctieve werking, wat er aan bijdraagt dat werknemers het loon ontvangen waar ze recht op hebben. De maatregelen in de Wet minimumloon helpen om te waarborgen dat een werknemer daadwerkelijk het wettelijk minimumloon ontvangt. De maatregel die mogelijk maakt dat de Inspectie SZW sociale partners een melding doet van een vermoeden dat de cao niet wordt nageleefd, wordt gewaardeerd als een nuttig instrument om cao-naleving te bevorderen. Dat geldt ook voor de mogelijkheid om een algemeenverbindendverklaring van een cao met maximaal een jaar te verlengen. De praktijk is echter weerbarstig. Nieuwe wet- en regelgeving lokt nieuwe ontduikingsconstructies uit, zoals bij de minimumloonmaatregelen te zien is. Hoewel de maatregelen uit de Was hun meerwaarde hebben aangetoond heeft de evaluatie ook inzichtelijk gemaakt waar de beperkingen van deze maatregelen liggen.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 10-10-2019

Arbeidsovereenkomst eindigt niet van rechtswege door de dood van de werkgever

Een arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege door de dood van de werknemer. Dat is niet het geval bij de dood van de werkgever. Het bedrijf van de werkgever wordt ook niet automatisch beëindigd bij de dood van de werkgever. De kantonrechter in Noord-Holland heeft dat in een bijzondere casus nog maar eens duidelijk gemaakt.

Een van de bijzonderheden van de casus was dat de enige werkneemster aanvankelijk de ondernemer was. Zij heeft op enig moment haar bedrijf, een rijwielhandel, overgedragen aan haar vader en is bij hem in dienst getreden. De rijwielhandel bevond zich in een aanbouw naast de woning van de vader. In zijn testament had de vader bepaald dat de rijwielhandel bij zijn overlijden naar zijn dochter zou overgaan tegen inbreng van de waarde.

Na het overlijden van de vader sloot moeder als executeur-testamentair de rijwielhandel. Bij het UWV werd een ontslagaanvraag voor de dochter ingediend. Die werd geweigerd, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat de bedrijfsactiviteiten definitief waren beëindigd. De executeur-testamentair werkte niet mee aan de afwikkeling van het legaat.

De executeur-testamentair verzocht de kantonrechter om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst op de dag van overlijden van de vader was geëindigd. Voor zover de arbeidsovereenkomst nog bestond werd verzocht om ontbinding op de kortst mogelijke termijn.

De kantonrechter oordeelde dat een arbeidsovereenkomst niet eindigt door de dood van de werkgever, tenzij uit de overeenkomst het tegendeel voortvloeit. Van een rechtsgeldige opzegging was geen sprake. De kantonrechter zag niet in waarom van de erfgenamen niet gevergd kon worden dat de fietsenwinkel werd voortgezet in afwachting van de afwikkeling van het legaat. De dochter was gezien haar kennis en ervaring in staat om de fietsenwinkel te exploiteren. De arbeidsovereenkomst bestond nog. Het verzoek tot ontbinding was gebaseerd op bedrijfsbeëindiging. Omdat het Burgerlijk Wetboek bedrijfsbeëindiging als grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst noemt, kan bedrijfsbeëindiging niet worden gebruikt voor een ontbinding op andere gronden. De kantonrechter zag geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst en wees het verzoek daarom af.

In hoger beroep oordeelde Hof Amsterdam anders. Moeder en dochter hadden een geschil over de waarde en omvang van het legaat. Dochter had als legataris haar moeder verboden de fietsenwinkel open te houden. Het hof kon dat niet rijmen met een verzoek om tot het werk toegelaten te worden. Gezien moeders’ leeftijd en het gebrek aan diploma’s en ervaring kon van haar niet verwacht worden de zaak voort te zetten. Het hof zag niet in waarom de dochter, ongeacht de uitkomst van het geschil over de uitleg van het legaat, de fietsenwinkel niet zelfstandig heeft voortgezet.

Het hof ontbond de arbeidsovereenkomst op de h-grond, dat wil zeggen omstandigheden die niet zijn genoemd in de gronden a tot en met g van het betreffende artikel in het Burgerlijk Wetboek, die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO201811875, 6976937 \ AO VERZ 18-86 | 10-10-2019

Onderzoek naar vrijwillig eigen risico zorgverzekering

In antwoord op Kamervragen heeft de minister voor Medische Zorg en Sport gezegd dat het afschaffen van het vrijwillig eigen risico voor de zorgverzekering leidt tot een toename van de totale zorguitgaven met circa € 3 per volwassene. Afschaffing van het vrijwillig eigen risico leidt niet tot een lastendaling voor mensen zonder vrijwillig eigen risico, maar wel tot een lastenstijging voor mensen die nu een vrijwillig eigen risico hebben. Dat volgt uit een recent onderzoek van het Centraal Planbureau. Volgens dat onderzoek betalen mensen zonder vrijwillig eigen risico ongeveer € 3 per persoon mee aan de premiekorting voor mensen met een vrijwillig eigen risico.

Bron: Overig | publicatie | 1586300-195401-Z | 10-10-2019

Geen 30%-regeling voor al in Nederland wonende buitenlander

Onder voorwaarden kunnen vergoedingen voor de extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst tot maximaal 30% van de som van het loon en de vergoeding onbelast worden gegeven. Deze regeling geldt uitsluitend voor ingekomen werknemers. Dat zijn uit het buitenland geworven werknemers met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is. Heeft de werknemer op het moment van sluiten van de arbeidsovereenkomst met een Nederlandse werkgever zijn fiscale woonplaats in Nederland, dan is hij niet “uit een ander land aangeworven” en heeft hij geen recht op toepassing van de 30%-regeling.

De rechtbank Noord-Holland is van oordeel dat een Italiaan, die vanaf 1 juli 2012 in Nederland over woonruimte beschikt en, nadat hij tot 1 december 2012 een opleiding aan de Technische Universiteit Delft heeft gevolgd, vanaf 7 januari 2013 werkzaam was in Nederland, op het moment van het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst in Nederland woonde. Dat betekende dat hij geen recht had op toepassing van de 30%-regeling. De Italiaan stond vanaf oktober 2012 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie in Nederland en deed aangifte IB over 2013 als binnenlands belastingplichtige.

De rechtbank wees het beroep op een besluit van de staatssecretaris van Financiën af. Volgens dit besluit kan de 30%-regeling wel van toepassing zijn op iemand die in het kader van een stage of opleiding in Nederland werkzaam is. Als na de stage of de opleiding een aansluitend dienstverband ontstaat, staat de stage of opleiding een kwalificatie als ingekomen werknemer niet in de weg. Volgens de rechtbank was in dit geval geen sprake van een stage.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO20197844, 18/2529 | 10-10-2019