All posts by jansen_kleton_claudia

Wijzigingen belastingen van rechtsverkeer

Overdrachtsbelasting

Het tarief van de overdrachtsbelasting voor niet-woningen gaat omhoog van 6 naar 7%. Niet-woningen zijn bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, bedrijfsruimten en grond.

Assurantiebelasting

Er komt een vrijstelling van assurantiebelasting voor verzekeringen die de financiële verplichtingen afdekken die een werkgever heeft bij de verplichte doorbetaling van loon tijdens ziekte, bij arbeidsongeschiktheid en overlijdensuitkeringen. Ook komt er een vrijstelling voor de brede weersverzekering. Dit is een verzekering die voor landbouwers voorheen onverzekerbare weersrisico’s afdekt.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 19-09-2019

Maatregelen autobelastingen

Bpm

Het nihiltarief in de bpm voor emissievrije auto’s wordt verlengd tot en met 2024. Vanaf 2025 geldt voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer de vaste voet van € 360 (prijzen 2019).

Dieseltoeslag

Benzineauto’s met compressieontsteking worden uitgezonderd van de zogenaamde dieseltoeslag in de bpm, omdat deze auto’s niet profiteren van het lagere accijnstarief van diesel.

Mrb

Het nihiltarief in de mrb voor een personenauto met een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer wordt verlengd tot en met 2024. In 2025 wordt dat een kwarttarief. Vanaf 2026 geldt het reguliere tarief.

In de mrb geldt een halftarief voor een personenauto met een CO2-uitstoot van meer dan 0 maar niet meer dan 50 gram per kilometer. Dit halftarief in de mrb wordt verlengd tot en met 2024. In 2025 wordt dit halftarief omgezet in een driekwarttarief. Per 2026 vervalt het driekwarttarief en geldt het volledige tarief.

De huidige correctiefactor voor de massa van een PHEV (plug-in hybride) wordt verlengd tot en met 2025. Deze correctiefactor bestaat vanwege het hogere gewicht door de in het voertuig aanwezige batterij.

Voor bestelauto’s van ondernemers geldt voor de mrb een verlaagd tarief. In het Klimaatakkoord is overeengekomen deze tarieven geleidelijk te laten oplopen met gemiddeld € 24 per jaar vanaf 2021 tot en met 2024. In 2025 wordt het tarief verlaagd met gemiddeld € 24 (op jaarbasis). Deze verhogingen en verlaging worden bewerkstelligd door de tarieven procentueel te verhogen dan wel te verlagen. De tariefaanpassingen moeten jaarlijks worden geïndexeerd.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 19-09-2019

Wijzigingen milieubelastingen

Afvalstoffenbelasting

Om dubbele belastingheffing te voorkomen wordt geregeld dat het verwijderen van verbrandingsresten van afval in de eigen inrichting buiten de heffing van afvalstoffenbelasting valt. Dit geldt slechts voor zover de verbrandingsresten zijn ontstaan door het verbranden van afval waarover afvalstoffenbelasting is geheven. In andere situaties blijft de verwijdering van verbrandingsresten binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan een belastbaar feit.

Uit het buitenland afkomstige afvalstoffen, die hier worden verbrand, worden voortaan in de heffing van afvalstoffenbelasting betrokken. Ongeveer 25% van de afvalstoffen die in Nederland worden verbrand komt uit het buitenland.

Verschuiving energiebelasting van elektriciteit naar aardgas

De belastingvermindering op de energiebelasting wordt met € 55 verhoogd. De energiebelasting in de eerste schijf op aardgas wordt in 2020 verhoogd met 4 cent per m3. In de zes jaren na 2020 wordt dit tarief jaarlijks verder verhoogd met telkens 1 cent per m3. Ook het tarief voor de glastuinbouw in de eerste schijf voor aardgas wordt verhoogd, met 0,642 cent per m3 in 2020 en met 0,161 cent per m3 in de zes jaar daarna. Het tarief van de energiebelasting op elektriciteit in de eerste schijf blijft in 2020 gelijk. Vanaf 2021 daalt het tarief licht.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 19-09-2019

Wijzigingen formeel belastingrecht

Keuzeregeling elektronisch berichtenverkeer

Er wordt een keuzeregeling ingevoerd waardoor de burger kan kiezen of hij berichten van de Belastingdienst elektronisch of per post toegezonden wil krijgen. De keuzeregeling geldt niet voor de douanewetgeving. Het keuzerecht betreft berichten die de Belastingdienst naar de burger verzendt, zoals een aanslag inkomstenbelasting. De gemaakte keuze geldt in beginsel voor alle uitgaande berichten van de Belastingdienst. Voor berichten aan de Belastingdienst stelt de Belastingdienst voor steeds meer berichten op termijn zowel een digitale als een papieren weg open.

Voor bepaalde berichten, groepen personen en omstandigheden gelden uitzonderingen op het keuzerecht. De datum van inwerkingtreding zal bij Koninklijk Besluit worden vastgesteld.

Aanpassen inkeerregeling

De inkeerregeling wordt aangepast. Boetevrije inkeer wordt uitgesloten voor inkomen uit aanmerkelijk belang. De uitsluiting van boetevrije inkeer voor inkomen in box 3 geldt niet langer alleen voor inkomen dat in het buitenland is opgekomen, maar ook voor inkomen dat in het binnenland is opgekomen.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 19-09-2019

Maatregelen belastingrente

Aanpassen belastingrente vennootschapsbelasting

Een aangifte voor de vennootschapsbelasting is tijdig wanneer deze wordt ingediend voor de eerste dag van de zesde maand na afloop van het aangiftejaar. Onder de huidige regeling wordt bij een aanslag vennootschapsbelasting die wordt vastgesteld conform een tijdig ingediende aangifte belastingrente in rekening gebracht als die aangifte na de eerste dag van de vierde maand wordt ingediend. Dat is onwenselijk. Daarom wordt voorgesteld geen belastingrente in rekening te brengen als de aangifte vennootschapsbelasting tijdig wordt ingediend en de aanslag conform de aangifte wordt vastgesteld.

Aanpassen belastingrente erfbelasting

De aangiftetermijn voor de erfbelasting vangt aan op de dag van overlijden van de erflater. Met ingang van 1 januari 2019 wordt, als binnen de aangiftetermijn voor de erfbelasting aangifte wordt gedaan of om een voorlopige aanslag wordt verzocht, geen belastingrente in rekening gebracht als de aanslag wordt vastgesteld conform de aangifte of het verzoek. Voorgesteld wordt om ook geen belastingrente in rekening te brengen als de aangiftetermijn op een ander moment is gaan lopen dan het overlijden, mits het verzoek om een voorlopige aanslag of de aangifte is ontvangen binnen de in de betreffende situatie geldende aangiftetermijn en de aanslag erfbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig dat verzoek of die aangifte.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 19-09-2019

Maatregelen verhuurderheffing

Er komt een structurele vermindering van de verhuurderheffing voor nieuwbouw in zogenaamde schaarstegebieden. De vermindering geldt voor de nieuwbouw van woningen met een huur onder de laagste aftoppingsgrens van de huurtoeslag (€ 607,46 in 2019) in regio’s waar de druk op de woningmarkt het grootst is. De heffingsvermindering bedraagt € 25.000 per woning. De kosten per woning moeten minimaal € 62.500 bedragen.

Er komt een tijdelijke vrijstelling van de verhuurderheffing voor tijdelijke woningen die gerealiseerd worden in de periode van 2020 tot 2024. In de omgevingsvergunning moet worden opgenomen dat de woningen maximaal vijftien jaar mogen bestaan.

Beide maatregelen richten zich op verhuurders met meer dan vijftig sociale huurwoningen.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 19-09-2019

Ziekmelding niet vereist voor toepassing no-riskpolis

De Belastingdienst stelt het gedifferentieerde premiepercentage Werkhervattingskas voor een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vast. Het premiepercentage wordt beïnvloed door de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die worden betaald aan arbeidsongeschikte werknemers van de werkgever. Uitkeringen aan arbeidsgehandicapte werknemers, op wie een no-riskpolis van toepassing is, beïnvloeden de hoogte van de premie niet. De werkgever, die een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst neemt, kan bij uitval van de werknemer wegens ziekte het doorbetaalde loon aan het UWV terugvragen met een beroep op de no-riskpolis. Een werknemer heeft gedurende vijf jaar na de beëindiging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering de status van arbeidsgehandicapte.

Een werkgever met een arbeidsgehandicapte werknemer heeft de werknemer na diens hernieuwde uitval niet ziek gemeld bij het UWV. De werkgever heeft het loon van de werknemer gedurende de wachttijd doorbetaald en geen beroep gedaan op de no-riskpolis. Het UWV heeft daardoor geen ziekengeld aan de werknemer betaald en heeft de loondoorbetaling ook niet aan de werkgever gecompenseerd. De aan de werknemer betaalde WGA-uitkering is naar het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden ten onrechte ten laste van de Werkhervattingskas gebracht.

De inspecteur had het standpunt ingenomen dat een uitkering alleen dan niet ten laste van de Werkhervattingskas komt als er een uitkering op basis van een no-riskpolis aan vooraf is gegaan. Dat standpunt is in strijd met de duidelijke wettekst.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL20197008, 18/00169 | 12-09-2019

Ontbinding ondanks ziekte

Het Burgerlijk Wetboek (BW) bevat de wettelijke regeling rondom de arbeidsovereenkomst. Zo bevat het BW een opsomming van de gronden waarop een werkgever een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst kan baseren. Ook bevat het BW een aantal opzegverboden. Een daarvan betreft het verbod om de arbeidsovereenkomst op te zeggen tijdens ziekte van de werknemer.

Een werkgever verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer en wel met onmiddellijke ingang. De grond voor het ontbindingsverzoek was een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie als gevolg van belediging, bedreiging en intimidatie door de werknemer. De werknemer beriep zich op het opzegverbod tijdens ziekte.

De kantonrechter stelde vast dat sprake was van het opzegverbod, omdat de werknemer door ziekte niet in staat was om zijn arbeid te verrichten en de ziekte nog geen twee jaar had geduurd. Ondanks het opzegverbod was ontbinding toch mogelijk. Er zijn twee uitzonderingen op het opzegverbod. De eerste uitzondering betreft een verzoek dat geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. De tweede uitzondering betreft het bestaan van omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer dient te eindigen. Dat laatste kan zich voordoen bij een zieke werknemer wiens gezondheidstoestand alleen maar verslechtert door het in stand laten van de arbeidsovereenkomst. In een dergelijk geval kan de kantonrechter ondanks het opzegverbod toch overgaan tot ontbinding.

Naar het oordeel van de kantonrechter deed zich hier de tweede uitzondering voor. De werknemer had al langere tijd psychische klachten. Die klachten hadden invloed op het dagelijks leven van de werknemer. De werknemer verklaarde tijdens de zitting dat hij verwachtte opgelucht te zijn als hij niet meer naar deze werkgever hoeft te gaan. Het UWV had geadviseerd om de werknemer niet bij de werkgever te laten re-integreren. De kantonrechter vond voldoende aannemelijk dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst de gezondheidstoestand van de werknemer niet ten goede zou komen en mogelijk zou kunnen verslechteren. Re-integratie in het tweede spoor bood volgens de kantonrechter geen oplossing, omdat de band met de werkgever dan blijft bestaan. De kantonrechter constateerde dat de arbeidsverhouding te zeer was verstoord om deze te laten voortbestaan en sprak de ontbinding uit.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE20193354, 7775761 UE VERZ 19-154 HMvd/40201 | 05-09-2019

Beoordeling premieplicht

In een A1-verklaring wordt aangegeven in welk land iemand is onderworpen aan de sociale verzekeringen. Een A1-verklaring wordt afgegeven door de bevoegde instantie. In Nederland is dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

Nadat eerdere A1-verklaringen door de SVB waren ingetrokken, besliste de SVB dat op de belanghebbende van 1 februari 2013 tot en met 30 april 2014 de Belgische socialeverzekeringswetgeving van toepassing was. De SVB heeft ten aanzien van januari 2013 geen besluit genomen. In een procedure voor Hof Den Bosch bepleitte de Belastingdienst dat het aan de belastingrechter is om een oordeel te vellen over de verzekerings- en premieplicht van de belanghebbende over januari 2013. Het hof is van oordeel dat er voor de belastingrechter geen plaats is om te beoordelen of de belanghebbende materieel premieplichtig was voor de volksverzekeringen over januari 2013.

Het hof vindt het onaanvaardbaar dat een in twee of meer lidstaten werkzame belanghebbende voor de beoordeling van zijn verzekerings- en premieplicht zowel de bestuursrechtelijke als de fiscaalrechtelijke kolom zou moeten doorlopen, terwijl een alleen in Nederland werkzame en wonende belanghebbende alleen de fiscale kolom moet doorlopen. De SVB is vanaf 4 januari 2013 tot en met 21 juni 2019 bezig geweest om te beoordelen hoe het zat met de verzekerings- en premieplicht van de belanghebbende voor het jaar 2013. In deze periode heeft de belanghebbende tweemaal bij de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de SVB inzake zijn verzekerings- en premieplicht in 2013 aan de orde moeten stellen. Het hof vindt het te ver gaan om dan alsnog als belastingrechter te beoordelen of de belanghebbende over januari 2013 premieplichtig was. Uit het ontbreken van een besluit over januari 2013 leidt het hof af dat de SVB in ieder geval niet heeft willen concluderen tot premieplicht in Nederland over januari 2013.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20193139, 16/03797bis | 05-09-2019

Onvoldoende re-integratie-inspanningen

Werkgevers zijn verplicht om het loon van een arbeidsongeschikte werknemer door te betalen. De loondoorbetalingsverplichting duurt in beginsel maximaal 104 weken. Tijdens de arbeidsongeschiktheid zijn werkgever en werknemer verplicht om te werken aan re-integratie van de werknemer in het arbeidsproces. Wanneer te weinig re-integratieactiviteiten zijn verricht, kan het UWV bij wijze van sanctie de loondoorbetalingsplicht verlengen.

Na afloop van de wachttijd van 104 weken heeft een arbeidsongeschikte werkneemster een WIA-uitkering aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het UWV een medisch en arbeidskundig onderzoek uitgevoerd. De conclusie van de arbeidsdeskundige was dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Op enig moment waren de re-integratieactiviteiten gestaakt, omdat naar de mening van de bedrijfsarts geen resultaat te verwachten was. Dit heeft geleid tot het opleggen van een loonsanctie. Het daartegen ingediende bezwaar is door het UWV afgewezen.

Na het opleggen van de loonsanctie heeft de werkgever de re-integratie van de werkneemster in het tweede spoor voortgezet. Het verzoek om bekorting van de loonsanctie is afgewezen. Aan de werkneemster is na afloop van de loonsanctie een WIA-uitkering toegekend.

De rechtbank heeft het beroep van de werkgever tegen de uitspraak op bezwaar afgewezen. De rechtbank zag geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV. De verzekeringsartsen van het UWV hebben in hun medische rapporten gemotiveerd toegelicht dat er mogelijkheden waren om de re-integratie voort te zetten, ook al constateerden zij dat het voorstelbaar is dat de werkneemster vanwege de aard van haar gezondheidsklachten moeilijk re-integreerbaar zou zijn. De door de werkgever ingeschakelde bedrijfsarts zag geen mogelijkheden voor re-integratie, maar onderbouwde dat oordeel volgens de rechtbank niet met medische gegevens. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat het voor rekening en risico van de werkgever komt als het advies van de bedrijfsarts later onjuist blijkt.

Belangrijk is de opmerking van de rechtbank dat de verplichting van een werkgever om een werknemer te laten re-integreren een inspanningsverplichting en geen resultaatverplichting is. Dat betekent dat een positief resultaat niet op voorhand hoeft vast te staan, maar ook dat het mogelijk niet halen van een positief resultaat geen reden is om af te zien van verdere re-integratiepogingen.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE20193266, UTR 18/2684 | 05-09-2019