All posts by jansen_kleton_claudia

Ontbindende voorwaarde arbeidscontract

Een werkgever had in de arbeidsovereenkomst van een werknemer een ontbindende voorwaarde opgenomen. Die voorwaarde hield in dat de duur van het dienstverband was gekoppeld aan de met een opdrachtgever gesloten overeenkomst van dienstverlening, zonder dat opzegging vereist was.

Volgens de kantonrechter is deze voorwaarde in strijd met het gesloten ontslagstelsel. De voorwaarde is niet objectief bepaalbaar. In het algemeen is de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst eindigt bij onvoldoende werk niet toegestaan. De kantonrechter vond niet aannemelijk dat bij het eindigen van de opdracht beëindiging van de arbeidsovereenkomst de enig denkbare optie voor de werkgever was. De arbeidsovereenkomst was niet op regelmatige wijze geëindigd, waardoor de werknemer recht had op schadevergoeding naast de transitievergoeding.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO20191618, 7433028 \ AO VERZ 18-120 | 19-03-2019

Geen stamrechtvrijstelling voor in 2014 ontvangen vergoeding

Per 1 januari 2014 is de stamrechtvrijstelling in de loonbelasting vervallen. De stamrechtvrijstelling bepaalde dat aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon niet tot het loon behoorden. Door werkgevers betaalde ontslagvergoedingen werden vaak met behulp van de stamrechtvrijstelling gebruikt als pensioenaanvulling of als vervroegd pensioen. Bij het vervallen van de stamrechtvrijstelling is een overgangsregeling getroffen. Op grond van de overgangsregeling kon de stamrechtvrijstelling worden toegepast op aanspraken die op 31 december 2013 bestonden en voldoende bepaalbaar waren.

Een in 2013 ontslagen werknemer, die een procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag tegen zijn ex-werkgever wilde aanspannen, had in dat jaar niet meer dan de verwachting dat de rechter hem een schadevergoeding zou toekennen. Pas na de uitspraak van de civiele rechter in de loop van 2014, waarin hem een schadevergoeding werd toegekend, was sprake van een belastbare bate. Niet eerder dan met de toekenning van de schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag kwam vast te staan dat deze schadevergoeding zou worden gebruikt voor een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon. Op deze schadevergoeding kon de stamrechtvrijstelling niet worden toegepast. Nadat eerder de rechtbank en het gerechtshof het beroep van de werknemer op de stamrechtvrijstelling hadden afgewezen, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond verklaard.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2019266, Nr. 17/05027 | 13-03-2019

Premieplicht voor werk in buitenland tijdens vakantie

Voor de AOW, de Anw en de Wet langdurige zorg (Wlz) is verzekerd de ingezetene van Nederland die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Niet verzekerd is de persoon op wie op grond van een verdrag de wetgeving van een ander land van toepassing is.

De rechtbank moest aan de hand van internationale toewijzingsregels bepalen of een ambtenaar, die tijdens zijn vakantie in het Verenigd Koninkrijk was gaan werken, in die periode in Nederland premieplichtig was voor de volksverzekeringen. De ambtenaar had, voorafgaand aan het einde van zijn baan in Nederland, zijn vakantiedagen opgenomen.

De EU-verordening, die de coördinatie regelt van socialezekerheidsstelsels binnen de EU, bepaalt dat op een ambtenaar, die daarnaast in een andere lidstaat van de EU werkt, de wetgeving van de lidstaat waaronder de dienst ressorteert waarbij hij werkzaam is van toepassing is. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie EU wordt een werknemer tijdens (onbetaald) verlof geacht werkzaamheden in loondienst uit te oefenen. Omdat het dienstverband van de ambtenaar pas na zijn verlofdagen eindigde, betekende dit, dat hij in Nederland verzekerd en premieplichtig was.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBGEL2019767, AWB 18/2791 | 13-03-2019

Regeling compensatie transitievergoeding

Met ingang van 1 april 2020 betaalt het UWV op verzoek van de werkgever een compensatie voor de transitievergoeding die de werkgever heeft betaald bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer. De aanvraag voor compensatie kan betrekking hebben op transitievergoedingen die sinds 1 juli 2015 zijn betaald. De reguliere aanvraagtermijn voor de compensatie is maximaal zes maanden na betaling van de transitievergoeding. Bij betaling in termijnen kan de werkgever een aanvraag indienen na de laatste betaling.

De werkgever moet bij de aanvraag alle gegevens en bescheiden meesturen die het UWV voor de beslissing nodig heeft. Het UWV verstrekt voor de aanvraag een formulier. Het UWV moet in ieder geval kunnen vaststellen:

  • dat sprake was van een arbeidsovereenkomst;
  • de duur van de arbeidsovereenkomst;
  • dat de werknemer ziek uit dienst is gegaan;
  • dat transitievergoeding is betaald;
  • hoe de berekening van de transitievergoeding heeft plaatsgevonden; en
  • hoe hoog de kosten van de loondoorbetaling tijdens ziekte waren.
Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | Staatscourant 2019 nr. 10547 | 06-03-2019

Inbreuk op godsdienstvrijheid

Het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de Mens (EVRM) omvat onder meer het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Deze vrijheden zijn niet onbeperkt. Het EVRM staat inbreuken op die vrijheid toe die bij wet zijn voorzien en noodzakelijk zijn voor de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

De Centrale Raad van Beroep stelde in een procedure vast dat het dragen van een baard in ieder geval mede was gebaseerd op de geloofsovertuiging van de betrokkene. De betrokkene ontving een bijstandsuitkering. In het kader van zijn arbeidsintegratie werd de betrokkene gewezen op de mogelijkheid om een opleiding met baangarantie te volgen. Omdat bij het werk een gezichtsmasker gedragen moest worden, diende de betrokkene zijn baard af te scheren om aan de opleiding te kunnen beginnen. Dat weigerde hij vanwege zijn geloofsovertuiging. De gemeente kortte daarop eenmalig de bijstandsuitkering. Deze maatregel is volgens de Centrale Raad van Beroep een inbreuk op het recht op godsdienstvrijheid. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze inbreuk was toegestaan, gelet op het beperkte perspectief van de betrokkene op reguliere arbeid. De inbreuk was noodzakelijk in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Bron: Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLINLCRVB2019480, 16/5748 PW | 06-03-2019

Dienstverband niet beëindigd

In een procedure verzocht een werkneemster de kantonrechter om de werkgever te veroordelen tot betaling van onder meer schadevergoeding, transitievergoeding en achterstallig loon. De werkneemster ging ervan uit dat de werkgever de arbeidsovereenkomst had opgezegd. De werkgever stelde zich in de procedure op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd.

De kantonrechter stelde vast dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet had opgezegd. In de door de werkneemster overhandigde afschriften van e-mailberichten haalde de werkgever alleen de vermeende beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden aan. Daarom wees de kantonrechter de verzoeken om betaling van schadevergoeding en transitievergoeding af. Ten tijde van de mondelinge behandeling van de zaak was het achterstallige loon inmiddels betaald. Het verzoek om betaling daarvan was dus achterhaald. De werkneemster heeft de kantonrechter niet verzocht om een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Deze beëindiging stond ook niet vast omdat de werkgever stelde dat dit mondeling was afgesproken. De wet vereist echter dat een beëindiging met wederzijds goedvinden schriftelijk wordt vastgelegd. Conclusie van de kantonrechter was dat de arbeidsovereenkomst nog bestond.

De enige vordering van de werkneemster die de kantonrechter heeft toegewezen was de wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon van december 2018 en de wettelijke rente vanaf de datum waarop dat had moeten worden betaald tot de datum van betaling.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBLIM20191579, 7476690 AZ VERZ 19-11 | 06-03-2019

Reisdagen naar werk in buitenland tellen mee voor aftrek elders belast

Een inwoner van Nederland, die werkzaam is in het buitenland, heeft mogelijk recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wanneer zijn inkomen ook in het buitenland belast is. Wanneer Nederland met het betreffende land een verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing heeft gesloten, bepaalt het verdrag aan welk land de heffingsbevoegdheid over de in het buitenland verdiende beloning is toegewezen. Wanneer dat het werkland is, moet het woonland aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen voor deze beloning. Volgens een arrest van de Hoge Raad moet, wanneer het bedrag van de aan het buitenland toe te rekenen beloning niet kan worden vastgesteld aan de hand van salarisspecificaties, dit naar tijdsevenredigheid afgeleid worden uit het jaarloon. Dat gebeurt door middel van de dagenbreuk. De teller van deze breuk bestaat uit het aantal dagen waarop in de werkstaat is gewerkt. De noemer bestaat uit het aantal kalenderdagen, verminderd met weekeinddagen, vakantiedagen, feestdagen en andere dagen waarop niet gewerkt hoefde te worden.

De wijze van berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting was inzet van een procedure bij de rechtbank. De procedure betrof een in Nederland wonende werknemer, die een deel van zijn werkzaamheden verrichtte in Frans-Guyana. Meer specifiek ging het om de vraag of de reisdagen van en naar Frans-Guyana geheel of gedeeltelijk als in het buitenland gewerkte dagen meetelden. De werknemer was van mening dat de reisdagen op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk geheel aan het werkland moesten worden toegerekend. De Belastingdienst meende dat alleen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend hoefde te worden voor zover de dienstbetrekking feitelijk op het grondgebied van Frans-Guyana is uitgeoefend. Dat gold niet voor de reisdagen.

De rechtbank rekende de reisdagen geheel toe aan de gewerkte dagen, omdat de werknemer op die dagen vanuit Frans-Guyana is vertrokken of daar is aangekomen. Doorslaggevend daarvoor was dat de werkgever de reisdagen doorbetaalde en dat de reisdagen aansloten op het verrichten van werkzaamheden in Frans-Guyana.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNNE2019725, LEE 18/1737, 18/1738, 18/1739, 18/1740 | 06-03-2019

Probleem uitvoering kindgebonden budget

De Wet op het kindgebonden budget bepaalt dat als een ouder aanspraak heeft op kindgebonden budget en al in aanmerking komt voor een andere toeslag, de ouder geacht wordt een aanvraag gedaan te hebben voor kindgebonden budget. Er dient dan van rechtswege over deze aanvraag te worden beslist. Bij de uitvoering van het kindgebonden budget is geconstateerd dat mensen, die recht hebben op deze toeslag, ten onrechte niets hebben ontvangen. Dat probleem deed zich voor in situaties waarin het kindgebonden budget eerder is stopgezet en in een later jaar wel weer aan de voorwaarden wordt voldaan. Bij de bouw van het computersysteem is ten onrechte als uitgangspunt genomen dat de ouder het initiatief voor het herstarten van het kindgebonden budget moet nemen.


Het kabinet wil deze fout herstellen met terugwerkende kracht tot 2013. In een groot aantal gevallen kan alsnog een geautomatiseerde beslissing op de niet eerder in behandeling genomen aanvraag afgegeven worden. In een aantal gevallen is nader onderzoek nodig. Een nabetaling op een toeslag heeft geen effect op het toetsingsinkomen voor de andere toeslagen. Na ontvangst telt een nabetaling wel mee voor het vermogen. De hersteloperatie wordt bekostigd door het kindgebonden budget per 1 januari 2020 eenmalig niet te indexeren. Een deel van de besparing van het niet indexeren wordt gebruikt om de afbouwgrens voor paren met € 250 extra te verhogen tot een verhoging van in totaal € 16.750. Deze wijzigingen zijn opgenomen in een nota van wijziging bij het wetsvoorstel ter verhoging van de afbouwgrens voor paren in het kindgebonden budget.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000026189 | 28-02-2019

Transitievergoeding bij einde dienstverband

Bij de beëindiging van een dienstbetrekking, die twee jaar of langer heeft geduurd, op initiatief van de werkgever heeft de werknemer recht op een transitievergoeding. De werkgever hoeft geen transitievergoeding te betalen als er een gelijkwaardige voorziening is getroffen, bijvoorbeeld in een cao. De werkgever hoeft eveneens geen transitievergoeding te betalen wanneer de dienstbetrekking eindigt in verband met het bereiken van een wettelijk bepaalde of onderling overeengekomen leeftijd.


De gemeente Den Haag wilde de in het kader van de vroegere Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW) gesloten arbeidsovereenkomsten beëindigen per 1 juli 2012. Voor WIW-werknemers ouder dan 55 jaar kwam er een doorwerkregeling, waardoor zij in dienst van de gemeente konden blijven tot uiterlijk de eerste dag van de maand waarin zij 62 jaar zouden worden. Bij de beëindiging van de dienstbetrekking van een WIW-werknemer die gebruik had gemaakt van de doorwerkregeling claimde de werknemer betaling van de transitievergoeding. De kantonrechter wees het verzoek af omdat hij het leeftijdsontslag van de groep WIW-werknemers op één lijn stelde met ontslag op de overeengekomen leeftijd.


In hoger beroep oordeelde Hof Den Haag anders. Volgens de wetshistorie is met de overeengekomen leeftijd, waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, de AOW-gerechtigde leeftijd of een hogere of lagere overeengekomen pensioengerechtigde leeftijd bedoeld. Bij het bereiken van deze leeftijd is een werknemer voor het voorzien in zijn levensonderhoud niet langer aangewezen op het verrichten van arbeid. De transitievergoeding is een vorm van compensatie voor werknemers die voor hun levensonderhoud op het verrichten van arbeid zijn aangewezen. Een andere overeengekomen leeftijd dan de pensioen- of AOW-gerechtigde leeftijd waarop de dienstbetrekking eindigt is geen reden om geen transitievergoeding te hoeven betalen.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA2019285, 200.233.556/01 | 28-02-2019

Vangnetregeling sociale zaken voor no-dealbrexit

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over een vangnetregeling op het terrein van de sociale verzekeringen voor het geval het Verenigd Koninkrijk (VK) zonder akkoord uit de Europese Unie stapt. Een no-dealsituatie heeft tot gevolg dat de bestaande Europese regelgeving op het gebied van sociale zekerheid niet meer geldt in de relatie met het VK. Om de nadelige gevolgen voor uitkeringsgerechtigden zo veel mogelijk te voorkomen bevat het wetsvoorstel Verzamelwet Brexit een tijdelijke delegatiegrondslag. Op basis daarvan is een ontwerpbesluit opgesteld. Het besluit is bedoeld als een vangnetregeling. In grote lijnen komt dat neer op het volgende.



  1. De export van lopende Nederlandse AOW-uitkeringen wordt ongewijzigd voortgezet voor mensen die op de dag waarop het VK zich uit de EU terugtrekt in het VK wonen. Dat geldt ook voor uitkeringen op grond van de Anw, de ZW, de Wazo, de WAO, de WAZ, de WIA en voor enkele specifieke gevallen met een WW- of IOW-uitkering.

  2. De mogelijkheid om met behoud van maximaal drie maanden WW in het VK te gaan solliciteren vervalt.

  3. Het onder punt 1 beschreven overgangsrecht geldt ook voor personen die binnen 12 maanden na de Brexit recht hebben of krijgen op een van de uitkeringen en in deze periode in het VK wonen of verhuizen naar het VK.

  4. De export van de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag vervalt twee kwartalen na de datum van terugtrekking van het VK uit de EU.

  5. Verzekerde tijdvakken uit het VK tellen tot de dag van terugtrekking mee voor o.a. de wekeneis en de arbeidsverledeneis van de WW.

Het ontwerpbesluit voorkomt geen gevallen van dubbel of onverzekerd zijn en evenmin van dubbele of geen premieafdracht voor personen die zich bevinden in een grensoverschrijdende situatie met het VK.


De Europese Commissie heeft een voorstel voor een verordening met noodmaatregelen op het gebied van de coördinatie van de sociale zekerheid na de terugtrekking van het VK uit de Europese Unie gepubliceerd. Deze verordening zorgt voor een minimumniveau van bescherming van de socialezekerheidsrechten van personen die vóór de terugtrekkingsdatum gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000020167 | 28-02-2019