All posts by jansen_kleton_claudia

Maatregelen energiebelasting

Met ingang van 1 januari 2019 wordt het tarief in de eerste schijf in de energiebelasting voor aardgas verhoogd met 3 cent per m3. Voor de glastuinbouw wordt het tarief in de eerste schijf voor aardgas verhoogd met 0,482 cent per m3. Het tarief van de eerste schijf voor elektriciteit wordt verlaagd met 0,72 cent per kWh.

De belastingvermindering in de energiebelasting gaat met € 51 omlaag van € 308,54 naar € 257,54 per aansluiting.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | BP2019 | 20-09-2018

Wetsvoorstel overige fiscale maatregelen 2019

De omvang van het wetsvoorstel overige fiscale maatregen (OFM) 2019 is dit jaar beperkter dan andere jaren het geval was. Het gaat om de volgende voorgestelde maatregelen:

  • de vrijstelling voor pleegvergoedingen wordt verlengd;
  • de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 wordt aangepast om de Belastingdienst de mogelijkheid te geven om kentekengegevens te verwerken;
  • de Invorderingswet wordt aangepast om verhaalsconstructies aan te pakken;
  • een aantal technische wijzigingen.

Verlenging geldigheidsduur vrijstelling pleegvergoedingen
De vrijstelling voor pleegvergoedingen in de Wet op de inkomstenbelasting vervalt in beginsel per 1 januari 2019. Deze vrijstelling moet voorkomen dat bij het bieden van pleegzorg aan meer dan drie kinderen sprake is van een bron van inkomen doordat de pleegvergoeding mogelijk uitgaat boven de kosten die de pleegouders maken. Het kabinet wil een evaluatie van de vrijstelling afwachten voordat wordt besloten de vrijstelling definitief te maken. Vooruitlopend daarop wordt voorgesteld de vrijstelling voort te zetten in 2019.

Verwerken van kentekengegevens in de motorrijtuigenbelasting (MRB)
Voor de heffing van MRB is de verwerking van kentekengegevens noodzakelijk. Onder kentekengegevens worden verstaan het kenteken, de locatie, de datum en het tijdstip van vastlegging en eventueel een foto van het motorrijtuig. Kentekengegevens zijn persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Persoonsgegevens mogen alleen worden verzameld voor bepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden. Met dit voorstel wordt geregeld dat de Belastingdienst kentekengegevens met camera’s en andere technische hulpmiddelen mag vastleggen. Het gaat onder meer om camera’s met automatische nummerplaatherkenning (ANPR). De Belastingdienst is op grond van de voorgestelde wetsbepaling bevoegd om kentekengegevens te verwerken.

Invorderingswet 1990
De Belastingdienst wordt bij de inning van belasting geconfronteerd met ingewikkelde constructies om belastingbetaling te ontlopen. Voor deze verhaalsconstructies worden vaak complexe (internationale) bedrijfsstructuren gebruikt zodat de Belastingdienst geen zicht meer heeft op het vermogen van de belastingschuldige. Ook eenvoudige constructies komen voor, bijvoorbeeld de schuldenaar die zijn vermogen aan zijn kinderen schenkt om belastingbetaling te ontlopen. Dit wetsvoorstel bevat vier invorderingsmaatregelen die zijn bedoeld om verhaalsconstructies aan te pakken. Het gaat om een invoering van aansprakelijkheid van begunstigden, uitbreiding van de aansprakelijkheid van erfgenamen, een alternatieve wijze van bekendmaking van een aanslag en uitbreiding van de informatieverplichting. Voor aansprakelijkheid van een begunstigde moet aan drie vereisten zijn voldaan:

  1. De handeling die leidt tot de begunstiging is onverplicht verricht.
  2. De Belastingdienst is door die handeling benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden.
  3. De belastingschuldige en de begunstigde hebben wetenschap van de benadeling.

De aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag van de begunstiging.

Uitbreiding verhaalsmogelijkheden op erfgenamen
Erfgenamen zijn met hun hele privévermogen aansprakelijk voor schulden van de erflater. De Invorderingswet begrenst deze aansprakelijkheid voor navorderings- en naheffingsaanslagen en aansprakelijkheidsschulden die zijn opgekomen na het overlijden van de belastingschuldige. In die gevallen kan de Belastingdienst een erfgenaam niet verder aanspreken dan tot het bedrag dat hij als erfenis heeft ontvangen. Deze begrenzing biedt mogelijkheden om belasting te ontlopen door kort voor overlijden vermogen te schenken aan erfgenamen. De aansprakelijkheid van de erfgenamen is daardoor zinloos. De aansprakelijkheid wordt uitgebreid met het bedrag aan schenkingen dat een erfgenaam binnen 180 voor het overlijden van de erflater heeft ontvangen. De uitbreiding geldt niet voor vrijgestelde schenkingen.

Alternatieve wijze van bekendmaking aanslag
De Belastingdienst maakt een belastingaanslag bekend door verzending of uitreiking van het aanslagbiljet aan de belastingschuldige. Als de belastingschuldige geen natuurlijke persoon is en niet langer bestaat, is bekendmaking niet mogelijk. De Belastingdienst kan dan geen invorderingsmaatregelen nemen. De alternatieve wijze van bekendmaking bestaat uit de uitreiking of verzending van het aanslagbiljet aan het Openbaar Ministerie bij de rechtbank. De aanslaggegevens worden daarna in de Staatscourant gepubliceerd.

Uitbreiding informatieverplichting
De bestaande informatieverplichting voor de belastingschuldige en de aansprakelijk gestelde levert soms niet genoeg informatie op om een aansprakelijkstelling voldoende te onderbouwen. Daarom wordt voorgesteld om potentieel aansprakelijken te verplichten desgevraagd informatie voor de invordering aan de Belastingdienst te verstrekken. Potentieel aansprakelijken zijn personen ten aanzien van wie de Belastingdienst aanwijzingen voor aansprakelijkheid heeft. De uitbreiding van de informatieverplichting geldt alleen voor de specifieke personen die aansprakelijk gesteld kunnen worden, zoals de inlener van personeel, de bestuurder en de aanmerkelijkbelanghouder.

Overtredersbegrip in de fiscaliteit
De Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit heeft het overtredersbegrip voor belastingen en toeslagen uitgebreid met de doenpleger, de uitlokker en de medeplichtige. Deze uitbreiding geldt op grond van de in de wet opgenomen horizonbepaling met ingang 1 januari 2019. Voorgesteld wordt om de horizonbepaling op te schuiven tot 1 januari 2024.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2018-0000158869 | 20-09-2018

Inspecteur stelt dubieuze rit met bestelauto te laat ter discussie

Bij het loon van een werknemer moet in beginsel een bijtelling plaatvinden voor het voordeel dat hij heeft van het privégebruik van een auto van de zaak. Dat geldt niet alleen voor een personenauto van de zaak, maar ook voor een bestelauto. Er hoeft geen bijtelling plaats te vinden voor een bestelauto die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen.

Met ingang van 1 januari 2012 is de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik van een bestelauto ingevoerd. Na afgifte van een dergelijke verklaring houdt de werkgever geen rekening met een bijtelling voor privégebruik van de bestelauto door de werknemer. De inspecteur kan, als hij vermoedt dat een rit voor privédoeleinden is gemaakt, de werkgever en de werknemer vragen om bewijs dat de betreffende rit zakelijk was. Is dat bewijs er niet, dan wordt de bestelauto geacht op kalenderjaarbasis voor meer dan 500 kilometer privé te worden gebruikt en wordt de verschuldigde loonbelasting nageheven van de werknemer. De werknemer kan de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto intrekken. Doet hij dat voordat hij de bestelauto ook privé heeft gebruikt, dan wordt de bestelauto tot het moment van de intrekking geacht wel voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld maar niet voor privédoeleinden te zijn gebruikt.

Bij de behandeling van de aangifte inkomstenbelasting 2013 vroeg de inspecteur in december 2015 naar een tweetal ritten van de werknemer naar het gerechtshof in 2013 en 2014. Naar de mening van de inspecteur ging het om privéritten. Om die reden wilde hij de aangegeven inkomens over de jaren 2013 en 2014 corrigeren met het bedrag aan bijtelling van de bestelauto. De werknemer had in eerdere jaren geprocedeerd over de bijtelling voor privégebruik van de bestelauto. Hij meende dat wegens zijn oproepbaarheid alle ritten, ook die met een privékarakter, zakelijk waren. Daarnaast stelde hij zich op het standpunt dat de bestelauto door aard en inrichting uitsluitend geschikt was voor het vervoer van goederen. Dat is een reden om geen bijtelling te hoeven toepassen. De ritten in 2013 en 2014 naar het gerechtshof waren gemaakt in verband met de procedures over de bijtelling over oudere jaren. De werknemer wilde zo nodig de auto aan het hof kunnen tonen.
In de procedure over het jaar 2013 merkte Hof Amsterdam op dat een correctie wegens (gesteld) privégebruik van een bestelauto bij een niet ingetrokken verklaring uitsluitend zakelijk gebruik moet plaatsvinden door middel van naheffing van loonbelasting van de werknemer. Die correctie moet plaatsvinden naar aanleiding van een constatering van privégebruik “in de actualiteit”. Dat houdt in dat de inspecteur de werknemer en de werkgever binnen een redelijke termijn bevraagt over een geconstateerde “dubieuze rit”. Die redelijke termijn was in dit geval al lang verstreken, aangezien de inspecteur de rit met de bestelauto naar het gerechtshof van 27 februari 2013 pas bij brief van 15 december 2015 ter discussie heeft gesteld. Andere dubieuze ritten heeft de inspecteur niet geconstateerd. Volgens het hof past het niet binnen de wettelijke systematiek om de bijtelling van het privégebruik in de inkomstenbelasting plaats te laten vinden zonder dat dit privégebruik in het betreffende kalenderjaar in de heffing van loonbelasting is betrokken.

Bron: Hof Amsterdam | jurisprudentie | ECLINLGHAMS20183089, 17/00194 | 13-09-2018

Te late betaling van loon

De werkgever moet aan een werknemer een transitievergoeding betalen als de arbeidsovereenkomst 24 maanden of langer heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever wordt beëindigd. Dat geldt ook als de werknemer de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever heeft opgezegd.

De kantonrechter heeft in een procedure gezegd dat het gedurende vier maanden niet betalen van loon en pas tegen het einde van het dienstverband voldoen aan de loonbetalingsverplichting onder omstandigheden niet ernstig verwijtbaar was. De te late betalingen waren het gevolg van onvoldoende liquiditeit omdat afnemers niet betaalden. Er was sprake van onmacht en niet van onwil. De kantonrechter vindt het niet betalen wel verwijtbaar, maar vindt toepassing van de wettelijke verhoging wegens te late betaling voldoende compensatie.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20186215, 6718701 / VZ VERZ 18-4747 | 13-09-2018

Bedrog in cv

Een overeenkomst kan worden vernietigd op grond van bedrog door een van de partijen. Volgens Hof Den Bosch kan ook een arbeidsovereenkomst buitengerechtelijk worden vernietigd wegens bedrog. Hoewel het stelsel van het ontslagrecht in beginsel gesloten is, betekent dat volgens het hof niet dat vernietiging van een arbeidsovereenkomst niet mogelijk is. Omdat het arbeidsrecht de werknemer als zwakkere partij beschermt, geldt als extra vereiste voor vernietiging dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken. De werkgever moet stellen en zo nodig bewijzen dat aan dit vereiste is voldaan. Voor de beoordeling of de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is, is de kwaliteit van de uitgevoerde werkzaamheden niet doorslaggevend. Deze doet immers niet af aan het feit dat er arbeid is verricht.

De procedure betrof een werknemer die bij zijn sollicitatie onjuiste informatie had verstrekt over opleiding, arbeidsverleden en lidmaatschappen van beroepsverenigingen. Dat bedrog bleek pas nadat de werknemer was begonnen. Nadat de werkgever op de hoogte was gekomen van het bedrog werd de werknemer ontslagen. De werkgever vernietigde achteraf de arbeidsovereenkomst en vorderde terugbetaling van salaris. Het hof was van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet (vrijwel) geheel nutteloos was geweest, zodat vernietiging niet mogelijk was. De werknemer had werkzaamheden verricht. Het hof heeft de vordering tot terugbetaling van salaris afgewezen.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20183640, 200.237.215/01 | 13-09-2018

Planning Financiën voor restant 2018

De minister van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer de planning voor de laatste maanden van 2018 gegeven. Het gaat om wetsvoorstellen, brieven en rapportages die de staatssecretaris en de minister van plan zijn naar de Kamer te sturen.

Naast verwachte zaken als de wetsvoorstellen die gezamenlijk het Belastingplan 2019 vormen gaat het onder meer om de kabinetsreactie over belastingheffing in box 3 op basis van werkelijk rendement in september, een evaluatie van de middelingsregeling in de inkomstenbelasting in oktober, een brief over de deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) en een rapportage over de herziening van de rulingpraktijk in november. Voor december vermeldt de planning een evaluatie van regelingen in de overdrachtsbelasting en een brief over de uitkomsten van het onderzoek van de commissie van deskundigen naar het gebruik van het BSN in het btw-identificatienummer.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2018-0000147662 | 13-09-2018

Te laat afgegeven aanvullende verklaring eigenrisicodrager

Per 1 januari 2017 is de Wet financiering sociale verzekeringen gewijzigd. Werkgevers kunnen ervoor kiezen om het risico van arbeidsongeschiktheid van werknemers zelf te dragen. Vanaf 1 januari 2017 geldt het eigen risico dragen voor de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) zowel voor werknemers vast in dienst als voor flex-werknemers. Werkgevers, die eigenrisicodrager waren en dat vanaf 1 januari 2017 wilden blijven, moesten een nieuwe garantieverklaring van hun verzekeraar, die ook het WGA-flexrisico dekt, overleggen aan de Belastingdienst.

De verzekeraar van een groep van twaalf werkgevers, die eigenrisicodrager waren, stuurde voor elf van de twaalf werkgevers tijdig een nieuwe garantieverklaring naar de Belastingdienst. De twaalfde garantieverklaring was bij vergissing niet meegestuurd. De werkgever kwam daar pas achter toen de Belastingdienst een beschikking einde eigen risicodragerschap WGA naar de werkgever stuurde. De verzekeraar heeft kort daarna alsnog de garantieverklaring aan de inspecteur overhandigd.
Hof Den Haag is van oordeel dat het niet tijdig indienen van de garantieverklaring in dit geval niet behoort te leiden tot het verval van de status van eigenrisicodrager per 1 januari 2017. Van belang is dat het niet gaat om een overgang van private naar publieke verzekering of andersom, maar om een voortzetting en uitbreiding van de bestaande situatie. Het hof wil voorkomen dat de werkgever wordt geconfronteerd met dubbele lasten, namelijk van de publieke verzekering en de bestaande private verzekering.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA20182220, BK-18_00504 en BK-18_00505 | 12-09-2018

Onterechte loonsanctie

Wanneer een arbeidsongeschikte werknemer tegen het einde van de periode van verplichte loondoorbetaling een WIA-uitkering aanvraagt, beoordeelt het UWV de re-integratieactiviteiten. Zijn deze naar het oordeel van het UWV onvoldoende, dan kan het UWV bij wijze van straf de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever met maximaal een jaar verlengen.

Het UWV legde aan een werkgever een loonsanctie op omdat hij te laat zou zijn gestart met re-integratieactiviteiten van een werkneemster in het tweede spoor. In het eerste jaar van de re integratie hebben werkgever en werkneemster zich gericht op de hervatting van het eigen werk. Dat was bij de eerstejaarsevaluatie nog steeds het geval. Op dat moment was duidelijk dat de werkneemster op korte termijn aan haar knie zou worden geopereerd. In het rapport van de arbeidsdeskundige staat dat de werkgever heeft toegelicht dat gewacht is met de re-integratie in het tweede spoor tot na de operatie en de revalidatie. Toen werd duidelijk dat terugkeer in de eigen functie niet mogelijk was vanwege blijvende beperkingen in de knie.

De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat de werkgever in redelijkheid niet kan worden verweten dat hij tot na de revalidatie heeft gewacht voordat, overeenkomstig het advies van de bedrijfsarts, is begonnen met re-integratieactiviteiten in het tweede spoor. Het UWV heeft de werkgever ten onrechte een loonsanctie opgelegd.

Bron: Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLINLCRVB20182646, 17/3559 WIA | 06-09-2018

Vaste kracht ten onrechte ontslagen

Het Burgerlijk Wetboek geeft de werknemer de mogelijkheid om de kantonrechter te vragen om herstel van de arbeidsovereenkomst na de opzegging met toestemming van het UWV. De kantonrechter moet aan de hand van de Ontslagregeling toetsen of de beslissing van de werkgever noodzakelijk is in het belang van een doelmatige bedrijfsvoering en of mogelijkheden tot herplaatsing in een passende functie ontbreken.

Een ontslagen werknemer voerde als grondslag voor zijn verzoek om herstel van de arbeidsovereenkomst aan dat het UWV de ontslagvergunning had moeten weigeren omdat er geen noodzaak voor het laten vervallen van arbeidsplaatsen was. De werkgever heeft volgens de werknemer de alternatieven voor zijn ontslag onvoldoende onderzocht. Het UWV had de ontslagvergunning niet mogen verlenen omdat de werkgever eerst de relatie met uitzendkrachten met een uitwisselbare functie had moeten beëindigen. Dat staat met zoveel woorden in de wet. Wel dienen volgens de toelichting bij de Ontslagregeling functies met een “duidelijk tijdelijk karakter” buiten beschouwing te worden gelaten bij de beoordeling van de uitwisselbaarheid van functies. Het gaat dan om kortdurende werkzaamheden voor het opvangen van pieken in de productie of bij vervanging wegens ziekte of vakantie.

In deze casus betrof het uitzendkrachten die voor langere tijd werden ingehuurd. De kantonrechter merkte dat aan als een structurele bezetting van formatieplaatsen. De kantonrechter was van oordeel dat het UWV de ontslagvergunning had moeten weigeren wegens het voortzetten van de inleenovereenkomsten met de uitzendkrachten door de werkgever. De kantonrechter heeft het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst toegewezen.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBOVE20183101, 6963345 \ HA VERZ 18-60 | 06-09-2018

Kamervragen lage-inkomensvoordeel

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Kamervragen over het lage-inkomensvoordeel beantwoord. De vragensteller bestempelt de regeling als “Primarkpremie”. De vragen zijn gesteld naar aanleiding van een bericht van de FNV dat bedrijven de lonen met opzet laag houden om van het lage-inkomensvoordeel te profiteren. De minister heeft geen signalen ontvangen die de stelling van de FNV onderschrijven. In het eerste halfjaar van 2018 zijn de cao-lonen 1,8% gestegen. De uurloongrenzen van het lage-inkomensvoordeel worden ieder jaar aangepast aan de gemiddelde contractloonstijging van het minimumloon. Een onderzoek door bijvoorbeeld het Centraal Planbureau naar de mate waarin de regeling de loonontwikkeling aan de onderkant van de arbeidsmarkt afremt acht de minister prematuur, gezien de korte tijd waarin de regeling van kracht is.

Uit een aan de Tweede Kamer verstrekt overzicht blijkt dat de sectoren horeca en detailhandel de grootste ontvangers van het lage-inkomensvoordeel zijn. De minister is niet bereid om informatie op werkgeversniveau te verstrekken.
De minister benadrukt dat de omvang en de winstgevendheid van een bedrijf geen criteria zijn voor de toekenning van het lage-inkomensvoordeel. De regeling is bedoeld als een gerichte lastenverlichting aan de onderkant van de arbeidsmarkt om het voor werkgevers aantrekkelijk te maken om mensen die tussen 100% en 125% van het minimumloon verdienen aan te nemen en in dienst te houden. De lasten op arbeid zijn lager en de kansen op werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt nemen daardoor toe zonder dat dit ten koste gaat van de inkomenszekerheid van werknemers.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2018-0000140477 | 06-09-2018