All posts by jansen_kleton_claudia

Compensatieregeling omzetting lening in gift

De staatssecretaris van Financiën heeft aangekondigd dat er een compensatieregeling komt voor een bepaalde groep ondernemers. Het gaat om ondernemers met een lening op grond van het besluit bijstandsverlening zelfstandigen, die is omgezet in een gift.

In de periode van 2014 tot en met 2016 had de omzetting van een lening in een gift gevolgen voor het toetsingsinkomen voor de toeslagen. Gevolg was dat eerder betaalde toeslagen werden teruggevorderd. Met ingang van 2017 kan dit probleem zich niet meer voordoen omdat sindsdien belastingheffing plaatsvindt over de omzetting door middel van eindheffing van de gemeente. Daardoor telt de gift niet mee voor het toetsingsinkomen voor de toeslagen van de ondernemer. Bij de aangekondigde compensatieregeling wordt eveneens uitgegaan van de eindheffingsvariant.

De aangekondigde regeling zal worden opgenomen in het Belastingplan 2019.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2018-0000097061 | 28-06-2018

Recht op doorbetaalde vakantie na einde loondoorbetalingsverplichting

In het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een werknemer gedurende zijn vakantie recht houdt op loon. Dat geldt ook voor werknemers, die langdurig en geheel arbeidsongeschikt zijn voor de bedongen arbeid. Vakantie heeft tot doel het herstellen en uitrusten van verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst. Bij langdurig arbeidsongeschikte werknemers gaat het dan niet om de verplichting tot het verrichten van de bedongen arbeid, maar om de verplichting om andere, passende werkzaamheden te verrichten of om mee te werken aan re-integratie. Als een arbeidsongeschikte werknemer tijdelijk vrijgesteld wil worden van zijn re-integratieverplichtingen dient hij hiervoor vakantie op te nemen.

Uit Europese regelgeving en uit rechtspraak van het Hof van Justitie EU volgt dat aan werknemers met ziekteverlof recht op vakantie toekomt. Deze werknemers moeten daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om van dit recht gebruik te maken. Het recht op vakantie mag niet afhankelijk zijn van de voorwaarde dat tijdens een bepaalde referentieperiode daadwerkelijk is gewerkt.

De kantonrechter heeft in een procedure geoordeeld dat een arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op doorbetaling van loon over door hem opgenomen vakantiedagen nadat de periode van verplichte loondoorbetaling tijdens ziekte was geëindigd. Het eindigen van de loonbetalingsverplichting tijdens ziekte doet volgens de kantonrechter niet af aan het recht van een arbeidsongeschikte werknemer om vakantiedagen tijdens ziekte te kunnen opnemen, in verband met een vrijstelling van re-integratieverplichtingen. De re-integratieverplichtingen van werknemer en werkgever blijven ook na afloop van de loondoorbetalingsverplichting bestaan. Daarom neemt de kantonrechter aan dat de wetgever ook voor die situatie heeft bedoeld om een werknemer aanspraak te geven op vakantie met behoud van loon.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO20182766, 6175117 \ CV EXPL 17-3982 | 28-06-2018

Wijziging eis na ontslag

Een werknemer, wiens arbeidsovereenkomst door opzegging door de werkgever is geëindigd, heeft twee maanden de tijd om bij de kantonrechter een verzoek om vernietiging van het ontslag of om een verzoek om toekenning van een vergoeding in te dienen. De mogelijkheid bestaat om na het indienen van een verzoek om vernietiging van het ontslag het verzoek te wijzigen in een verzoek om toekenning van een vergoeding.

De vraag in een procedure was of een ontslagen werknemer een verzoek om toekenning van een billijke vergoeding en de gefixeerde schadevergoeding kan wijzigen in een verzoek om vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet.
Volgens de kantonrechter is een dergelijke omzetting in beginsel mogelijk en zelfs na het verstrijken van de vervaltermijn van twee maanden. Wel moeten dan het aanvankelijke verzoek en het latere verzoek berusten op dezelfde juridische en feitelijke grondslag. Aan die eis was in deze procedure voldaan.

Toch stond de kantonrechter de omzetting niet toe omdat de werknemer daar te lang mee had gewacht. De werknemer werd op 8 november 2017 op staande voet ontslagen. De rechtsbijstandsverlener van de werknemer verzocht in een brief van 1 december 2017 aan de werkgever om een vergoeding wegens onregelmatig ontslag. Vervolgens diende de werknemer op 5 januari 2018 een verzoekschrift in bij de kantonrechter om een billijke vergoeding en een gefixeerde schadeloosstelling. Pas bij een nader verzoekschrift van 9 april 2018 verzocht de werknemer om vernietiging van het gegeven ontslag. Deze termijn vond de kantonrechter te lang. De werkgever is door de handelwijze van de werknemer niet in de gelegenheid geweest om adequaat te reageren op een mogelijk voortbestaan van het dienstverband na 8 november 2017. De kantonrechter vindt een termijn van twee maanden na het indienen van het verzoekschrift redelijk voor omzetting van de eis.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBOVE20181995, 6685848 \ EJ VERZ 18-35 | 28-06-2018

Diverse uitkeringsbedragen per 1 juli 2018

De uitkeringsbedragen van diverse sociale verzekeringen zijn gekoppeld aan het minimumloon. In verband met de verhoging van het minimumloon per 1 juli 2018 gaan ook de uitkeringsbedragen omhoog. Het gaat onder meer om de bijstandsuitkeringen, de inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en gewezen zelfstandigen (IOAW en IOAZ), de AOW-uitkeringen en de Anw-uitkeringen.

AOW

Gehuwden/samenwonenden  
per maand

€ 789,81

vakantie-uitkering € 50,29
totaal €  840,10
Gehuwden/samenwonenden met maximale toeslag (partner jonger dan 65 jaar)
per maand € 1.579,62
vakantie-uitkering € 100,58
totaal € 1.680,20
Alleenstaanden
per maand € 1.156,43
vakantie-uitkering € 70,40
totaal € 1.226,83

De hierboven genoemde bedragen zijn exclusief de inkomensondersteuning AOW van € 24,93 bruto per maand.

Maximumdagloon (WW, WIA, WAO en ZW)
Uitkeringen uit de WW, de WIA, de WAO en de ZW worden per 1 juli 2018 verhoogd met 1,03%. Het maximumdagloon voor deze verzekeringen gaat per 1 juli 2018 omhoog van € 209,26 naar € 211,42 (bruto).

Kinderbijslag
De kinderbijslag bedraagt per 1 juli 2018 per kwartaal:

per kind van 0 t/m 5 jaar (70%) € 202,23
per kind van 6 t/m 11 jaar (85%) € 245,57
per kind van 12 t/m 17 jaar (100%) € 288,90

 

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 28-06-2018

Opzegging en verlengde loondoorbetalingsverplichting

Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een werkgever de arbeidsovereenkomst met een werknemer niet kan opzeggen zolang de werknemer arbeidsongeschikt is, tenzij de ongeschiktheid ten minste twee jaar heeft geduurd. De termijn van twee jaar wordt verlengd met de duur van de verlengde periode van loondoorbetaling bij onvoldoende re-integratie-inspanningen.

Een werkgever heeft met toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst opgezegd van een werknemer die meer dan twee jaar arbeidsongeschikt was. Ten tijde van de opzegging liep een verlengde loondoorbetalingsverplichting. De werkgever had daartegen bezwaar en beroep aangetekend. De rechtbank vernietigde de beslissing van het UWV waarbij de werkgever tot verlengde loondoorbetaling werd verplicht nadat de opzegging door de werkgever was gedaan. De opzegging was gedaan onder voorbehoud van vernietiging van de beslissing tot verlengde loondoorbetaling.

Volgens Hof Den Bosch is een dergelijke opzegging rechtsgeldig en niet in strijd met het opzegverbod bij ziekte van de werknemer. De opzegging was niet afhankelijk van een onzekere gebeurtenis in de toekomst, maar van een gebeurtenis in het verleden. Dat de ongeldigheid van het besluit van het UWV pas later in een gerechtelijke procedure zou worden vastgesteld doet daaraan niet af. Op het moment dat het besluit van het UWV door de rechtbank werd herroepen, wordt het besluit van het UWV geacht nimmer werking te hebben gehad. Door de herroeping van het besluit was sprake van een onvoorwaardelijke opzegging en is er geen verlenging van de loondoorbetalingsverplichting geweest. Dat betekent dat er op het moment van de opzegging geen opzegverbod wegens ziekte gold.

Het hof is van oordeel dat het opzeggen onder de voorwaarde, dat de loondoorbetalingsverplichting vervalt, niet strijdig is met het systeem van het ontslagrecht. Een opzegging “voor zover vereist” na een ontslag op staande voet, waarbij ook sprake is van een oneigenlijke voorwaarde, is toegestaan.  Dat er bij de werknemer tijdelijk onzekerheid bestond over de vraag of de arbeidsovereenkomst was geëindigd is voor het hof geen reden om anders te oordelen. In het ontslagrecht is vaker sprake van een tijdelijke onzekerheid, bijvoorbeeld wanneer een werknemer een beroep doet op de nietigheid van een onvoorwaardelijke opzegging door de werkgever. In dit geval was er geen verschil tussen de situatie waarin de arbeidsovereenkomst onvoorwaardelijk zou zijn opgezegd en de situatie waarin een “voorwaarde” is geformuleerd. In beide gevallen was er een periode van onzekerheid en is de opzegging, na de herroeping van het besluit van het UWV door de rechtbank, achteraf gezien altijd rechtsgeldig geweest.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20182289, 200.203.101/01 | 21-06-2018

Bedragen kinderopvangtoeslag 2019

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een ontwerpbesluit gepubliceerd met geïndexeerde bedragen voor de kinderopvangtoeslag per 2019.

  • De maximum uurprijs voor dagopvang bedraagt na verhoging en jaarlijkse indexatie € 8,02.
  • De maximum uurprijs voor buitenschoolse opvang bedraagt in 2019 na verhoging en indexatie € 6,89.
  • De maximum uurprijs voor gastouderopvang wordt alleen geïndexeerd en bedraagt in 2019 € 6,15.

De kinderopvangtoeslag voor het eerste kind gaat voor ouders met de laagste inkomens omhoog van 94 naar 96%. Voor ouders met een modaal inkomen stijgt de kinderopvangtoeslag van 86 naar 88,3%. Voor ouders met een toetsingsinkomen van circa € 50.000 stijgt de kinderopvangtoeslag voor het eerste kind van 77,2 naar 80,9%. Het bijdragepercentage voor het eerste kind daalt met het stijgen van het inkomen tot 33,33%. In 2018 gebeurt dat bij een toetsingsinkomen van € 101.971. Deze inkomensgrens wordt in 2019 verhoogd naar € 123.920. Ouders met een inkomen tot dat bedrag krijgen dus een hoger toeslagpercentage in 2019. Ook de daling van het percentage dat ouders vergoed krijgen voor het tweede kind wordt aangepast waardoor de kinderopvangtoeslag minder daalt naarmate het inkomen van de ouders stijgt.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 2018-0000098338 | 21-06-2018

Minimum(jeugd)lonen per 1 juli 2018

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de bedragen van het wettelijk minimumloon per 1 juli 2018 vastgesteld. Het bedrag per maand bedraagt voor een werknemer van 22 jaar of ouder € 1.594,20. Het minimumloon per week bedraagt voor deze categorie € 367,90. Per dag komt dat neer op een bedrag van € 73,58. Voor werknemers van 21 jaar of jonger gelden hiervan afgeleide bedragen.

 Leeftijd  Percentage  Per maand  Per week  Per dag
 22 jaar en ouder  100%  € 1.594,20  € 367,90  € 73,58
 21 jaar    85%  € 1.355,05  € 312,70  € 62,54
 20 jaar    70%  € 1.115,95  € 257,55  € 51,51
 19 jaar    55%  €    876,80  € 202,35  € 40,47
 18 jaar    47,5%  €    757,25   € 174,75  € 34,95
 17 jaar    39,5%  €    629,70  € 145,30  € 29,06
 16 jaar    34,5%  €    550,00  € 126,95  € 25,39
 15 jaar    30%  €    478,25  € 110,35  € 22,07
Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 21-06-2018

WBSO in 2017

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) heeft vorig jaar aan ruim 21.000 Nederlandse bedrijven, waarvan 97% uit het mkb, € 1.455 miljoen aan afdrachtvermindering WBSO toegekend. De verdeling van de afdrachtvermindering over mkb en grootbedrijf wijkt af van de verdeling van de aanvragers. Slechts 64% van de afdrachtvermindering gaat naar het mkb. Het aantal bedrijven dat gebruik maakt van de WBSO is in 2017 met 4,8% gedaald ten opzichte van 2016. In 2017 heeft RVO.nl 35.515 WBSO-aanvragen toegekend. Dat is 4,7% minder dan in 2016.

87% van de ondernemers heeft gekozen voor de forfaitaire berekening van de afdrachtvermindering, slechts 13% voor berekening op basis van de werkelijke kosten en uitgaven voor onderzoek en ontwikkkeling (R&D). De toegekende afdrachtvermindering is niet per definitie gelijk aan het uiteindelijke voordeel. Dat is afhankelijk van de daadwerkelijk uitgevoerde R&D-werkzaamheden. Niet alle provincies geven evenveel uit aan R&D. Noord-Brabant is met € 1.875 miljoen koploper, gevolgd door Zuid- en Noord-Holland.

De meeste bedrijven die in 2017 gebruik maakten van de WBSO zijn gevestigd in de regio Amsterdam. Deze regio heeft ook het grootste aandeel startende bedrijven onder de aanvragers (26%). De regio’s Zuidoost-Brabant en Utrecht zijn de nummers twee en drie qua aantallen bedrijven. Het aandeel starters in deze regio’s ligt met 14% en 16% lager dan in de regio Amsterdam, maar wel op het gemiddelde van heel Nederland (15%).

Bron: Ministerie van Economische Zaken | publicatie | 21-06-2018

Fiscale aspecten cryptovaluta

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Eerste Kamer een uiteenzetting gegeven over de fiscale aspecten van cryptovaluta, zoals de bitcoin. Omdat de ontwikkelingen rond cryptovaluta snel gaan is niet uit te sluiten dat de fiscale kwalificatie en behandeling van cryptovaluta veranderen.

Particulieren en cryptovaluta
Volgens vaste jurisprudentie vormen speculatieve transacties en transacties waarvan het eindresultaat niet beïnvloedbaar is door de verrichte arbeid geen bron van inkomen. Dat geldt ook voor de handel in cryptovaluta. Als er structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de betrokkene, die verder gaat dan de arbeid die met speculatie samenhangt, is wel sprake van een bron van inkomen. Bij het minen en handelen in cryptovaluta door een natuurlijk persoon zal niet snel sprake zijn van een bron van inkomen. Vermogensbestanddelen van een natuurlijk persoon behoren tot de rendementsgrondslag van box 3, tenzij sprake is van vermogensbestanddelen die in box 1 of box 2 vallen. Cryptovaluta van een natuurlijk persoon vallen in box 3 en moeten naar de waarde in het economisch verkeer op 1 januari van een kalenderjaar worden opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De staatssecretaris gaat daarbij uit van de koers op de peildatum van het gebruikte omwisselplatform.

Ondernemers en cryptovaluta
Als de tegenprestatie voor de verkoop van goederen of de levering van diensten door een ondernemer uit cryptovaluta bestaat, moet deze worden omgerekend naar een equivalent in euro’s. Het bedrag in euro’s wordt tot de omzet gerekend voor de winstbepaling en voor de omzetbelasting. Omwisselen van cryptovaluta kan een verlies of een winst opleveren. Cryptovaluta die op de balansdatum aanwezig zijn moeten worden gewaardeerd volgens goed koopmansgebruik. De hoofdregel is waardering op kostprijs of lagere marktwaarde.

Loonbetaling in cryptovaluta
Als loon wordt uitbetaald in cryptovaluta moet het loon voor de aangiften loonbelasting worden omgerekend in euro’s op het moment dat het loon wordt genoten.

Cryptovaluta en ib-ondernemer
Bij de aankoop van cryptovaluta door een ib-ondernemer speelt het leerstuk van de vermogensetikettering. Als cryptovaluta worden aangeschaft met duurzaam overtollige liquide middelen vormen zij geen ondernemings- maar privévermogen en vallen zij in box 3. Dat geldt ook als de aankoop van cryptovaluta niet plaatsvindt binnen de normale ondernemingsuitoefening en er geen sprake is van het beleggen van tijdelijke overtollige middelen.

Cryptovaluta en bv
Een bv drijft een onderneming met het gehele vermogen. De resultaten van het minen en de aan- en verkoop van cryptovaluta moeten volgens goed koopmansgebruik in de winst van de bv worden verwerkt.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2018-0000082316 | 21-06-2018

Maatregelen tegen stapeling van zorgkosten

Het kabinet neemt maatregelen om stapeling van zorgkosten tegen te gaan. Veel mensen die een eigen bijdrage betalen voor maatschappelijke ondersteuning of voor langdurige zorg maken ook het eigen risico voor de zorgverzekering op of moeten bijbetalen voor geneesmiddelen. Deze stapeling van zorgkosten kan ertoe leiden dat mensen niet de zorg en ondersteuning krijgen die zij nodig hebben. De maatregelen om de zorg bereikbaar en betaalbaar te maken bestaan uit het invoeren van een abonnementstarief voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en een verlaging van de vermogensinkomensbijtelling voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Het is de bedoeling dat de maatregelen per 1 januari 2019 van kracht worden.

Zorgverzekering
Het kabinet heeft besloten om het eigen risico voor de zorgverzekering tot en met 2021 te bevriezen. Verder is het kabinet van plan om de bijbetalingen voor bepaalde geneesmiddelen te maximeren op een bedrag van € 250 per jaar.

Abonnementstarief Wmo
Huishoudens die gebruik maken van een Wmo-voorziening gaan een vast tarief van € 17,50 per vier weken betalen, ongeacht hun inkomen, vermogen of het gebruik van de voorziening. Gemeenten hebben de ruimte om een lagere eigen bijdrage vast te stellen. Het abonnementstarief moet bureaucratie en administratieve rompslomp voorkomen of verminderen.

Vermogensinkomensbijtelling langdurige zorg
Bij de berekening van de eigen bijdrage voor langdurige zorg wordt rekening gehouden met inkomsten uit vermogen. De huidige bijtelling bedraagt 8% van het vermogen. Met ingang van 2019 wordt deze bijtelling gehalveerd naar 4% van het vermogen. Door deze maatregel hoeven mensen die langdurige zorg nodig hebben minder in te teren op hun vermogen.

Bron: Overig | publicatie | 14-06-2018