All posts by jansen_kleton_claudia

Transitievergoeding na eerdere beperking arbeidsduur door ziekte

Bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is de werkgever verplicht om de werknemer een transitievergoeding te betalen. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van de duur van de arbeidsovereenkomst en de hoogte van het salaris. De Hoge Raad heeft in 2018 in de zogenaamde Kolombeschikking geoordeeld dat een voortzetting van de bestaande arbeidsovereenkomst in aangepaste vorm in feite gedeeltelijke beëindiging inhoudt. De Hoge Raad heeft daaraan het gevolg verbonden dat naar evenredigheid van de omvang van die beëindiging een transitievergoeding verschuldigd is als door omstandigheden gedwongen wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd. Dat kan zich voordoen bij blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

De kantonrechter heeft de uitleg van de Hoge Raad gevolgd in een situatie waarin door gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid de arbeidsduur van de werknemer werd verminderd van 36 naar 12 uur per week. Na deze aanpassing nam de arbeidsongeschiktheid van de werknemer toe en meldde hij zich ziek. Na 104 weken ontbond de werkgever de arbeidsovereenkomst en betaalde hij de werknemer een transitievergoeding op basis van een arbeidsomvang van 12 uur per week. Volgens de kantonrechter had de werknemer recht op een transitievergoeding op basis van een arbeidsomvang van 36 uur. De vordering bij de kantonrechter was ingesteld door de erven van de inmiddels overleden werknemer.

De kantonrechter merkt op dat de overwegingen van de Hoge Raad ter zake van de structurele en substantiële vermindering van de arbeidsduur en de verschuldigdheid van een transitievergoeding verwijzen naar de wettekst zoals deze luidt na de invoering van de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015. De uitleg geldt ook voor gevallen die vóór de datum van de beschikking van de Hoge Raad liggen.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE20212232, 9006974 AE VERZ 21-10 LT/33864 | 29-04-2021

Aanpassing uitkeringsbedragen per 1 juli 2021

De uitkeringsbedragen van diverse sociale verzekeringen zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. In verband met de halfjaarlijkse aanpassing van het wettelijk minimumloon worden diverse uitkeringsbedragen per 1 juli 2021 aangepast.

Algemene nabestaandenwet

De bruto-nabestaandenuitkering bedraagt:

  • voor een nabestaande die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt € 1.250,16;
  • voor een nabestaande die een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende voert € 785,54;
  • voor een nabestaande die met één of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft € 785,54.

De bruto-wezenuitkering bedraagt:

  • voor een kind jonger dan 10 jaar € 400,05;
  • voor een kind van 10 jaar of ouder maar jonger dan 16 jaar € 600,08;
  • voor een kind van 16 jaar of ouder maar jonger dan 21 jaar € 800,10.

Algemene Ouderdomswet

Het bruto-ouderdomspensioen bedraagt:

  • voor een alleenstaande € 1.275,39; en
  • voor een gehuwde of samenwonende € 863,66.

Beslagvrije voet

De beslagvrije voet van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedraagt maximaal:

  • voor een alleenstaande € 1.664,51;
  • voor een alleenstaande ouder € 1.782,62;
  • voor gehuwden zonder kinderen € 2.203,77; en
  • voor gehuwden met kinderen € 2.321,89.
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | besluit | 2021-0000075408, Staatscourant 2021, Nr. 27619 | 02-06-2021

Verlenging termijn aanvraag verblijfsdocument Britten

Britten, die voor het einde van de overgangsfase op 1 januari 2021 van de Brexit in Nederland waren ingeschreven en in Nederland wonen, hebben tot 1 juli 2021 de tijd om hier een verblijfsdocument aan te vragen. Een deel van deze groep heeft dat nog niet gedaan. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bekendgemaakt dat de termijn wordt verlengd tot 1 oktober 2021 om deze groep de gelegenheid te geven alsnog een verblijfsdocument aan te vragen. De verlengde termijn geldt ook voor Britten, die voor 1 januari 2021 als grensarbeider in Nederland werkten, terwijl zij niet in Nederland woonden. Zij hebben tot 1 oktober 2021 de tijd om een grensarbeidersdocument aan te vragen.

Werkgevers moeten actief controleren of hun werknemers beschikken over een geldige verblijfs- en werkstatus. Het in dienst nemen van illegale werknemers leidt tot boetes als dit wordt geconstateerd. Ook Britse werknemers moeten over een geldige status beschikken.

Bron: Overig | publicatie | 3348993 | 30-05-2021

Voorstellen verlaging administratieve lasten NOW

De minister van SZW heeft een zestal voorstellen gedaan ter aanpassing van de controlesystematiek van de NOW. De voorstellen moeten leiden tot een verlichting van de administratieve lasten, vooral voor werkgevers die een kleiner subsidiebedrag ontvangen.

Drempel derdenverklaring

Een grote groep ondernemingen kan volstaan met de aanlevering van een derdenverklaring. Op dit moment is bij een voorschot van € 20.000 tot € 100.000 en bij een definitief vastgestelde subsidie van € 25.000 tot € 125.000 een derdenverklaring vereist. Het drempelbedrag voor een derdenverklaring gaat voor de NOW-3 en NOW-4 omhoog naar € 40.000. Dit geldt voor het voorschotbedrag en voor het definitieve subsidiebedrag. De bovengrens van € 125.000 blijft bestaan, maar geldt ook voor het voorschotbedrag voor de NOW-3 en -4. De bestaande controle op definitieve aanvragen door SZW wordt geïntensiveerd.

Beperking werkzaamheden wanneer de financiële administratie al door een deskundige derde wordt gevoerd

Veel bedrijven, die een derdenverklaring voor de NOW nodig hebben, laten hun administratie al voeren door een deskundige en betrekken deze bij het opstellen van de aanvraag tot vaststelling. In die situatie hoeven werkzaamheden, die voor de normale dienstverrichting zijn verricht, niet nogmaals voor de aanvraag te worden gedaan. Wel moet de derdenverklaring bij de vaststellingsaanvraag gevoegd worden.

Controle NOW-3 en NOW-4 als ware het één opdracht

Per tranche van de NOW is nu een aparte controle vereist. Per NOW-periode moeten bepaalde voorwaarden worden getoetst. Het is gebruikelijk dat dit aparte opdrachten zijn met separate dossiervoering en controlewerkzaamheden. Voor de controle van de NOW-3 en -4 kan de accountant de opdracht voor de verschillende tranches beschouwen als één opdracht.

Aanpassing standaarden NOW

Voor de controle van een aanvraag tot vaststelling van de NOW is vorig jaar door de NBA een aparte standaard ontwikkeld. De NBA zal deze standaard aanpassen, waardoor er inhoudelijke en procesmatige samenvoegingen kunnen plaatsvinden.

Uitbreiding werkzaamheden door groepsaccountant

Een accountant van een werkmaatschappij heeft mogelijk geen zicht op controle-aspecten van de rest van het concern. Bij de controle van de omzet mag gebruik worden gemaakt van de controlewerkzaamheden van de groepsaccountant. De accountant hoeft op werkmaatschappijniveau niet zelf deze controle uit te voeren en evenmin een uitgebreide review uit te voeren op de werkzaamheden van de groepsaccountant. Ook andere werkzaamheden, die door de groepsaccountant van een concern worden uitgevoerd, kunnen voor de NOW-controle worden gebruikt.

Aanpassing controlepiramide bij aanvragen op werkmaatschappijniveau

Voor alle aanvragen waarbij de omzetdaling op het niveau van een werkmaatschappij wordt vastgesteld is op dit moment een accountantsverklaring met redelijke mate van zekerheid vereist, ongeacht de hoogte van de ontvangen tegemoetkoming. Als de definitief vastgestelde subsidie lager is dan € 375.000 volstaat een verklaring met beperkte mate van zekerheid.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | publicatie | 2021-0000084037 | 30-05-2021

Voorlopige hechtenis werknemer geen reden voor ontslag op staande voet

Werkgever en werknemer hebben de bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst per direct op te zeggen om een dringende reden, het ontslag op staande voet. De partij die van deze bevoegdheid gebruik maakt, dient de reden voor de opzegging onverwijld mede te delen aan de wederpartij.

Wanneer de werkgever een werknemer op staande voet ontslaat, is het opzegverbod wegens ziekte niet van toepassing.

Ontslag op staande voet is een uiterste maatregel. Vanwege de verstrekkende gevolgen mag de werkgever daar pas een beroep op doen als van hem niet verlangd kan worden dat de arbeidsovereenkomst met de betreffende werknemer nog langer voortduurt. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden die ontslag op staande voet rechtvaardigt, moeten alle omstandigheden in aanmerking worden genomen. De aard en de ernst van de aangevoerde dringende reden moeten worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden.

Volgens de kantonrechter levert werkverzuim door een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling in beginsel geen dringende reden op voor ontslag op staande voet. Dat geldt ook in geval van voorlopige hechtenis, zelfs wanneer het niet voor het eerst is dat de werknemer vastzit en hij eerder schriftelijk is gewaarschuwd vanwege ongeoorloofde afwezigheid. De kantonrechter kwam tot dit oordeel in een procedure van een werknemer die zijn werkgever pas tien dagen nadat hij was opgepakt liet weten dat hij in voorlopige hechtenis was genomen. Ondanks de eerdere waarschuwing vormt dit geen zodanige bijzondere omstandigheid dat van de hoofdregel dat werkverzuim wegens detentie c.q. voorlopige hechtenis geen dringende reden oplevert afgeweken dient te worden. Wel ontbond de kantonrechter de arbeidsovereenkomst wegens de opgetreden verstoring van de arbeidsrelatie. Voor de werknemer betekende dit dat de arbeidsovereenkomst later eindigde en dat hij recht had op een transitievergoeding.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20214836, 9130885 HA VERZ 21- 5641 | 30-05-2021

Reactie op motie voorwaarden NOW en bonussen- en dividendverbod voor multinationals

De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen waarin wordt gevraagd om voorwaarden te stellen aan multinationals met betrekking tot bonussen en dividenden als ze subsidie uit het coronasteunpakket ontvangen.

In reactie daarop stelt de minister van SZW voor om in de NOW-4 een aanvullende voorwaarde op te nemen met betrekking tot het uitkeren van bonussen en dividend. Werkgevers worden verplicht om bij de aanvraag van de NOW een overeenkomst te sluiten met een vertegenwoordiging van werknemers over hoe wordt omgegaan met bonussen en dividend. Deze aanvullende voorwaarde geldt enkel voor de NOW-4. De voorwaarde geeft de werknemersvertegenwoordiging de gelegenheid het gesprek aan te gaan over de uitkering van bonussen en dividend in relatie tot het belang van behoud van werkgelegenheid.

Vanaf de invoering van de NOW-2 geldt dat elk bedrijf dat een voorschot van € 100.000 of een definitieve subsidie van € 125.000 of meer ontvangt, geen bonussen aan directie en bestuur mag uitkeren, geen dividend aan aandeelhouders mag uitkeren en geen eigen aandelen mag inkopen. Dit geldt ook voor multinationals die gebruik maken van de NOW. Deze voorwaarden gelden niet voor bedrijfsonderdelen die niet in Nederland zijn gevestigd en/of geen werknemers in dienst hebben met Nederlands sociaal verzekeringsloon. Deze bedrijfsonderdelen kunnen geen gebruik maken van de NOW.

Bij een NOW-aanvraag op werkmaatschappijniveau, wanneer het concern niet, maar een werkmaatschappij wel voldoet aan de vereiste 20% omzetdaling, geldt een breder verbod. Het gehele concern mag in dat geval geen dividend uitkeren. Dit geldt ook voor buitenlandse bedrijfsonderdelen en voor onderdelen die zelf geen NOW hebben aangevraagd. Het inkopen van eigen aandelen is voor de gehele groep niet toegestaan. Het bonusverbod geldt voor de Raad van Bestuur, de directie van het concern en de aanvragende werkmaatschappij, maar niet voor andere bedrijfsonderdelen die geen NOW-aanvraag hebben ingediend. Deze regeling geldt sinds de NOW-1.

De minister vindt het onwenselijk om de voorwaarden voor het uitkeren van dividend en bonussen achteraf te verzwaren.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | publicatie | 2021-0000088164 | 31-05-2021

Conceptwetsvoorstel wijziging aandelenoptierechten

De staatssecretaris van Financiën heeft een wetsvoorstel tot aanpassing van de fiscale regeling voor aandelenoptierechten ter consultatie gepubliceerd. Doel van de aanpassing is om het aantrekkelijker te maken om aandelenoptierechten als loon te verstrekken aan werknemers. Het heffingsmoment wordt in beginsel verschoven van uitoefening van een aandelenoptierecht naar het moment waarop de verkregen aandelen verhandelbaar zijn. Als loon wordt de waarde in het economische verkeer van de aandelen op dat moment in aanmerking genomen. Om langdurig uitstel van heffing te voorkomen wordt het heffingsmoment tot maximaal vijf jaar na beursgang van de vennootschap waarin de aandelen worden gehouden uitgesteld. Als de vennootschap bij de uitoefening van het aandelenoptierecht al beursgenoteerd is, wordt het heffingsmoment tot maximaal vijf jaar na de uitoefening uitgesteld. Het loon wordt dan gesteld op de waarde in het economische verkeer van de aandelen op dat moment.

De werknemer krijgt de keuze om al bij de uitoefening van het optierecht loonbelasting te betalen als de aandelen niet direct verhandelbaar zijn.

Als de verkregen aandelen direct verhandelbaar zijn, wordt de waarde in het economische verkeer van de verkregen aandelen als loon in aanmerking genomen. Voor die gevallen wijzigt er in wezen niets.

Per 1 januari 2018 geldt voor start-ups met een S&O-startersverklaring een tegemoetkoming waardoor onder voorwaarden en tot een bepaald maximum slechts 75% van het genoten loon ter zake van een aandelenoptierecht in aanmerking wordt genomen. In de praktijk wordt niet of nauwelijks gebruikgemaakt van deze regeling. Deze niet-toereikend gebleken tegemoetkoming komt per 1 januari 2022 te vervallen en wordt vervangen door de voorgestelde regeling.

Het bestaande heffingsmoment van vervreemding van een aandelenoptierecht blijft bestaan.

Bron: Ministerie van Financiƫn | wetsvoorstel | 31-05-2021

Uitleg begrip “pensioengerechtigde leeftijd”

In een procedure voor de kantonrechter was aan de orde of de werkgever de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd wegens het bereiken door de werknemer van de AOW-leeftijd, terwijl voor de werknemer een afwijkende leeftijd zou gelden.

In de arbeidsovereenkomst was niet opgenomen dat deze eindigt bij het bereiken van de AOW-leeftijd. De arbeidsvoorwaardenregeling van de werkgever bevatte een pensioenontslagbeding. Deze arbeidsvoorwaardenregeling was geïncorporeerd in de arbeidsovereenkomst. In de arbeidsvoorwaardenregeling stond dat de arbeidsovereenkomst eindigt op de eerste dag van de maand waarin de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De kantonrechter moest de vraag beantwoorden of met pensioengerechtigde leeftijd de AOW-leeftijd is bedoeld of de pensioenrichtleeftijd volgens het pensioenoverzicht.

De kantonrechter was van oordeel dat het begrip “pensioengerechtigde leeftijd” moet worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde cao-norm. Deze norm houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling van doorslaggevende betekenis zijn. Als de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor werknemers en werkgevers, die niet bij de totstandkoming van de cao betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook aan de bedoeling van partijen betekenis worden toegekend.

In de arbeidsvoorwaardenregeling wordt het begrip “pensioengerechtigde leeftijd” niet uitgelegd. Volgens normaal spraakgebruik wordt met dit begrip de AOW-leeftijd bedoeld. Er is geen reden om aan te nemen dat objectief gezien de woorden “pensioengerechtigde leeftijd” iets anders betekenen dan de voor de werknemer geldende AOW-leeftijd. De arbeidsvoorwaardenregeling verwees niet naar de pensioenregeling of naar het pensioenoverzicht. De pensioenrichtleeftijd van 68 jaar is niet de pensioengerechtigde leeftijd. De pensioengerechtigde leeftijd moet een objectief bepaalbaar, vaststaand moment zijn. Het begrip “pensioengerechtigde leeftijd” wordt in de Algemene Ouderdomswet gedefinieerd als de leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat. De kantonrechter neemt aan dat het pensioenontslagbeding in de arbeidsvoorwaardenregeling met de woorden “pensioengerechtigde leeftijd” daarbij aansluit. Dat leidt tot het oordeel dat onder de pensioengerechtigde leeftijd in de arbeidsvoorwaardenregeling moet worden verstaan de leeftijd waarop het wettelijk recht op ouderdomspensioen ontstaat.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA20215157, 9002269 RP VERZ 21-50069 | 18-05-2021

Startersregeling TVL

De staatssecretaris van EZK heeft de subsidieregeling tegemoetkoming vaste lasten (TVL) voor startende mkb-ondernemingen gepubliceerd. De regeling is inmiddels in werking getreden en vervalt per 1 januari 2022. In een Kamerbrief van 21 januari 2021 is de regeling voor starters aangekondigd. De regeling geldt voor ondernemers, die volgens de inschrijving in het handelsregister zijn gestart tussen 1 oktober 2019 en 30 juni 2020 en is beperkt tot het eerste kwartaal van 2021.

De startersregeling kent dezelfde afbakening als de TVL. Dit betekent dat de regeling niet geldt voor:

  • financiële instellingen;
  • overheden en extraterritoriale instellingen;
  • huishoudens;
  • publiekrechtelijke rechtspersonen;
  • overheidsbedrijven;
  • bekostigde scholen en instellingen voor beroeps- en hoger onderwijs.

Het omzetverlies moet meer dan 30% bedragen. De vaste lasten moeten minimaal € 1.500 bedragen, net als bij de TVL. Als referentieperiode voor het omzetverlies geldt het derde kalenderkwartaal van 2020 vanwege de versoepelde coronamaatregelen in die periode. Het omzetverlies wordt bepaald door de omzet van het eerste kalenderkwartaal van 2021 te vergelijken met de omzet van de referentieperiode. Subsidies, tegemoetkomingen of andere steun van de overheid in verband met de bestrijding van de coronacrisis maken geen deel uit van de omzet voor de toepassing van deze regeling.

De vaste lasten worden bepaald op een per SBI-code vastgesteld percentage van de omzet. De vaste lastenpercentages per SBI-code zijn dezelfde als bij de TVL. De subsidie bedraagt de referentieomzet maal het omzetverlies in procenten maal het vaste lastenpercentage maal 85%. De subsidie bedraagt maximaal € 124.999 per getroffen startende mkb-onderneming en minimaal € 1.500.

Aanvragen voor deze regeling kunnen vanaf 31 mei 2021 worden ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) via een daartoe beschikbaar gesteld formulier.

Om het risico op misbruik en oneigenlijk gebruik van deze regeling te beperken, moeten ondernemingen die tussen 16 maart 2020 en 30 juni 2020 zijn ingeschreven en die een subsidie van minimaal € 25.000 aanvragen, een verklaring van een onafhankelijke deskundige aanleveren. De deskundige derde kan deze verklaring onafhankelijk van de aanvrager indienen op het portaal van RVO.nl. Aanvragen kunnen worden ingediend tot en met 12 juli. RVO.nl stelt de subsidie direct vast en werkt dus niet met voorschotten. De uiterste datum van subsidievaststelling is 31 december 2021.

Bron: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | besluit | WJZ/ 21037856, Staatscourant 2021, Nr. 27418 | 27-05-2021

Terugwerkende kracht ingang AOW-uitkering

In de AOW is bepaald dat het ouderdomspensioen niet eerder kan ingaan dan een jaar vóór de dag waarop de aanvraag voor het pensioen is ingediend. De Sociale Verzekeringsbank kan in bijzondere gevallen van deze regel afwijken. Volgens een Europese verordening geldt de datum van indiening van een aanvraag in een van de lidstaten van de EU voor alle betrokken organen van andere lidstaten. De aanvraag moet volgens deze verordening worden gedaan in de lidstaat waarin de betrokkene als laatste werkzaam was.

Op 31 oktober 2013 diende een Nederlander, die in juni 2013 de AOW-gerechtigde leeftijd had bereikt, een aanvraag in bij de Belgische Rijksdienst voor Pensioenen. In deze aanvraag vermeldde de indiener dat hij ook in Nederland pensioenrechten had opgebouwd. De Rijksdienst voor Pensioenen stuurde de aanvraag niet door naar de Sociale Verzekeringsbank, omdat deze incompleet was. In juli 2015 volgde een nieuwe aanvraag, die door de Rijksdienst wel werd doorgestuurd naar de Sociale Verzekeringsbank. De Sociale Verzekeringsbank kende een uitkering toe met als ingangsdatum 1 juli 2014. Volgens de Centrale Raad van Beroep is dat niet juist. De datum van de eerste aanvraag moet gelden als datum waarop bij de Sociale Verzekeringsbank de aanvraag voor een ouderdomspensioen is ingediend. De uitzondering in de bepaling van de Europese verordening waar de Sociale Verzekeringsbank zich op beriep, geldt alleen als in de aanvraag niet is vermeld dat de betrokkene in andere lidstaten heeft gewoond of gewerkt. Deze uitzondering was niet aan de orde. Volgens de Centrale Raad van Beroep is niet van belang dat de indiener van de aanvraag vervolgens niet de door de behandelende instelling gevraagde inlichtingen heeft verstrekt. De Sociale Verzekeringsbank moet een nieuwe beslissing nemen over de ingangsdatum van de uitkering.

Bron: Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLINLCRVB20211053, 19/144 AOW | 05-05-2021