All posts by jansen_kleton_claudia

Kamervragen ondernemers die buiten Tozo-regeling vallen

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Kamervragen beantwoord over zelfstandigen die buiten de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) vallen.

Een persoon, die zijn onderneming niet heeft ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is naar de definitie van de Tozo geen zelfstandige, omdat deze persoon niet voldoet aan alle wettelijke vereisten voor de uitoefening van een eigen bedrijf of zelfstandig beroep. Een ondernemer is verplicht zijn bedrijf of zelfstandig beroep uiterlijk een week na de start in te schrijven in het handelsregister. Het niet voldoen aan de inschrijvingsverplichting is een economisch delict. Een ondernemer die wel omzet heeft gemaakt in het eerste kwartaal en voldoet aan het criterium voor de zelfstandigenaftrek, maar op 17 maart (nog) niet was ingeschreven in het handelsregister komt niet in aanmerking voor de Tozo.

Een aantal gemeenten is voortvarend gestart met het verstrekken van voorschotten op de Tozo. Eigen aan het verstrekken van voorschotten is dat achteraf kan blijken dat in een aantal gevallen niet aan de wettelijke voorwaarden voor het recht op bijstand is voldaan, en dat het voorschot geheel of gedeeltelijk moet worden terugbetaald. Volgens de staatssecretaris wijkt de definitieve regeling van de Tozo niet af van de eerder geschetste kaders en ligt daar niet de oorzaak voor het moeten terugbetalen van voorschotten.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2020-0000069592 | 09-07-2020

Evaluatie Wet werk en zekerheid

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Wet werk en zekerheid (Wwz) laten evalueren. Deze wet is vanaf 2015 gefaseerd in werking getreden. De uitkomsten van dat onderzoek heeft hij naar de Tweede Kamer gestuurd. Het onderzoek is opgesplitst in de deelgebieden flexibele arbeid, ontslag en werkloosheid. De conclusie van het onderzoek is dat veel van de beoogde doelen zijn gehaald, zij het soms in beperkte mate. De Wwz heeft gezorgd voor meer baan-, werk- en inkomenszekerheid voor flexibele werknemers. Daardoor is het verschil tussen vaste en flexibele werknemers kleiner geworden. Ook heeft de wet de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van werknemers en werkgevers bevorderd. Het ontslagstelsel is niet sneller of goedkoper geworden. De grotere doorstroom van tijdelijke naar vaste contracten is niet het gevolg van de hervorming van het ontslagrecht maar van de verkorting van de ketenbepaling van drie naar twee jaar en aan de gunstige economische omstandigheden sinds de inwerkingtreding van de Wwz. De WW-maatregelen hebben nauwelijks gezorgd voor activering van werklozen, ondanks een gedeeltelijke verlaging van de inkomenszekerheid. De inkomstenverrekening in de WW heeft niet geleid tot een grotere uitstroom uit de WW.

Toch kunnen volgens de onderzoekers de meeste maatregelen van de Wwz als doelmatig worden beschouwd omdat de doelstellingen tegen beperkte kosten zijn bereikt. Dat geldt niet voor de WW-maatregelen.

Overigens is op 1 januari 2020 de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) in werking getreden. Deze wet heeft verschillende regels in het arbeidsrecht weer gewijzigd.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 09-07-2020

Ontslag op staande voet wegens overtreding gedragsregels werkgever

Ontslag op staande voet wil zeggen dat de arbeidsovereenkomst zonder opzegtermijn wordt beëindigd. Zowel de werkgever als de werknemer heeft de bevoegdheid om over te gaan tot ontslag op staande voet. Vereiste voor ontslag op staande voet is het bestaan van een dringende reden, die onverwijld moet worden meegedeeld aan de wederpartij. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat als dringende redenen voor de werkgever om een werknemer op staande voet te ontslaan worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Een dringende reden kan zijn dat een werknemer de plichten veronachtzaamt die de arbeidsovereenkomst hem oplegt. De kantonrechter moet, als het ontslag op staande voet wordt aangevochten, bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen.

Een cateringbedrijf op Schiphol hanteerde een zeer streng beleid ten aanzien van het zich toe-eigenen van retourgoederen, ongeacht de waarde daarvan. Volgens het beleid volgde ontslag op staande voet bij de constatering daarvan. Het was de werknemers onder meer verboden om water te drinken op de werkplek uit iets anders dan de door de werkgever beschikbaar gestelde hervulbare drinkflessen. Deze mochten uitsluiten gevuld worden met kraanwater. Het cateringbedrijf ontsloeg een werknemer die zijn drinkfles had gevuld met een retour gekomen flesje water. De werknemer ontkende dat niet, maar bestreed het gegeven ontslag. Volgens de kantonrechter is aan de eis van onverwijldheid voldaan omdat het ontslag is gegeven op de dag van het vergrijp. Gezien het door de werkgever gevoerde beleid was sprake van een voor ontslag op staande voet vereiste dringende reden. De werkgever had het beleid op verschillende wijzen onder de aandacht van het personeel gebracht, onder meer door een brief aan het huisadres van de medewerkers. Ook de regels inzake het gebruik van de hervulbare drinkfles zijn aan de medewerkers kenbaar gemaakt. Gezien de duur van zijn dienstverband moest de werknemer volgens de kantonrechter op de hoogte zijn van het strenge beleid en van de regels omtrent het gebruik van de drinkfles. Het langdurige dienstverband en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer waren geen aanleiding om het ontslag op staande voet te verhinderen.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO20204242, 8182333 AO VERZ 19-154 | 09-07-2020

NOW-2 kan worden aangevraagd

Het kabinet heeft de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW) met vier maanden verlengd. Deze tweede tranche, de NOW-2, wijkt op een aantal punten af van de eerste tranche. De NOW is een loonkostensubsidie voor werkgevers die geconfronteerd worden met een omzetdaling van ten minste 20% als gevolg van de coronacrisis. De omzetdaling moet zich voordoen in een aaneengesloten periode van vier kalendermaanden tussen 1 juni en 30 november 2020. De NOW geldt voor werknemers, die verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. De regeling geldt dus niet voor de dga.

Hoogte subsidie gerelateerd aan omzetdaling

De subsidie bedraagt maximaal 90% van de loonsom over de maanden juni tot en met september. Voor de loonsom is het socialeverzekeringsloon uit tegenwoordige dienstbetrekkingen uitgangspunt. Werkgeverspremies, werknemersbijdragen aan pensioen en de opbouw van vakantiebijslag worden ook gecompenseerd. De opslag voor werkgeverslasten is voor de NOW-2 verhoogd van 30 naar 40%. Het loon per werknemer is maximaal twee keer het maximumdagloon per maand. Dat betekent dat loon boven € 9.538 per maand niet voor subsidie in aanmerking komt. De maximale subsidie wordt uitbetaald bij een omzetdaling van 100%. Is de omzetdaling lager, dan wordt de subsidie evenredig lager vastgesteld. De omzetdaling wordt bepaald aan de hand van de jaaromzet 2019 gedeeld door drie. Voor een werkgever, die op 1 januari 2019 nog niet bestond, geldt een afwijkende omzetbepaling.

Formule hoogte subsidie

De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: A*B*4*1,4*0,9. In deze formule staat A voor het percentage omzetdaling en B voor de loonsom over maart. De vermenigvuldigingsfactor 4 hangt samen met het aantal maanden waarvoor subsidie wordt verleend. De factor 1,4 betreft de opslag voor werkgeverspremies en de factor 0,9 de maximale bijdrage van 90%. De in de NOW-1 geldende boete op ontslag om bedrijfseconomische redenen is vervallen, behoudens bij ontslag van 20 of meer werknemers. De boete bedraagt 5% van de ontvangen subsidie. De boete vervalt als er een akkoord over de ontslagaanvraag is tussen werkgever en vakbonden of een vertegenwoordiging van werknemers.

Toepassing van de NOW bij concerns
Voor concerns bestaande uit meerdere vennootschappen geldt de eis van het omzetverlies voor het gehele concern. Bij concerns met minder dan 20% omzetverlies kunnen individuele werkmaatschappijen subsidie voor hun loonkosten aanvragen op basis van de eigen omzetdaling. Om misbruik van de regeling te voorkomen, worden aan deze verruiming extra voorwaarden verbonden. Deze zijn achtereenvolgens:

  • De werkmaatschappij moet een rechtspersoon zijn.
  • Het concern mag over het jaar 2020 geen dividend of bonussen uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Dat geldt tot met de datum van de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarrekening over 2020 wordt vastgesteld.
  • De werkmaatschappij moet een overeenkomst hebben met de vakbonden of de werknemersvertegenwoordiging over werkbehoud.
  • De werkmaatschappij mag geen personeels-bv zijn.

Voorschot

Het UWV betaalt in drie termijnen een voorschot uit van 80% van de berekende subsidie. Gegevens over de loonsom baseert het UWV op de polisadministratie over de maand maart 2020.

Definitieve vaststelling achteraf

Binnen 24 weken na afloop van de periode waarover de NOW is toegekend dient de werkgever vaststelling van de subsidie aan te vragen. Bij de aanvraag is een accountantsverklaring nodig als de subsidie hoger is dan € 125.000 of als het voorschot hoger is dan € 100.000. Als een accountantsverklaring nodig is geldt een termijn van 38 weken om de vaststelling aan te vragen. Binnen 52 weken na ontvangst van deze aanvraag stelt het UWV de definitieve subsidie vast. Bij de definitieve vaststelling van de subsidie wordt rekening gehouden met een eventueel opgetreden daling van de loonsom over de maanden maart tot en met mei ten opzichte van de loonsom over de refertemaand.

Aanvraagperiode

Een aanvraag voor de NOW-2 kan worden gedaan van 6 juli tot en met 31 augustus.

Voorwaarden

De NOW-2 kent nieuwe voorwaarden. Een bedrijf dat een subsidie van € 125.000 of meer ontvangt of een voorschot van € 100.000 of meer mag over dit jaar geen winstuitkering aan aandeelhouders doen, geen bonussen aan het bestuur en de directie uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Voor concerns die hun omzetdaling op werkmaatschappijniveau willen berekenen gold deze voorwaarde al voor de NOW-1, ongeacht de hoogte van het voorschot of de subsidie.

De werkgever verplicht zich onder meer om:

  • de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden;
  • de subsidie uitsluitend aan te wenden voor de betaling van loonkosten;
  • de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de werknemers te informeren over de subsidieverlening;
  • werknemers te stimuleren om deel te nemen aan een ontwikkeladvies of aan scholing;
  • alle voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens op controleerbare wijze in de administratie vast te leggen;
  • loonaangifte te doen op de voorgeschreven momenten;
  • na afloop van de periode waarover subsidie is verleend een definitieve opgave van de omzetdaling te verstrekken.
Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 07-07-2020

Kamervragen NOW

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Kamervragen beantwoord over de toepassing van de NOW-regeling voor ondernemers die van rechtsvorm zijn gewijzigd, een overname hebben gedaan of een nieuw bedrijf zijn gestart in de eerste drie maanden van 2020. Voor recent gestarte ondernemingen en ondernemingen die recent een overname hebben gedaan voorziet de NOW inmiddels in alternatieve rekenmethoden waardoor zij toch gebruik kunnen maken van de regeling. Als het loonheffingennummer van een onderneming is gewijzigd, zal de loonsom behorend bij dit nummer mogelijk niet representatief zijn voor de daadwerkelijke loonsom van de onderneming. Er bestaat dan in beginsel geen recht op een tegemoetkoming op grond van de NOW omdat er geen relevante loonsom is om subsidie over te verstrekken. Wanneer aanvragen bij het UWV uitvallen in de reguliere processen worden deze in de uitvoering zodanig beoordeeld en behandeld dat in zoveel mogelijk gevallen recht wordt gedaan aan het doel van de NOW. Dat geldt ook voor aanvragen waarin een recent ontvangen nieuw loonheffingennummer verhindert dat recht ontstaat op NOW.

De minister is niet van plan om bedrijven, die voor maart 2020 nog geen hele maand omzet hebben gedraaid, tegemoet te komen door aanpassing van de NOW.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2020-0000081990 | 02-07-2020

Op transitievergoeding in mindering te brengen kosten

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding gewijzigd. Door de wijziging mag de werkgever kosten, die hij tijdens het dienstverband heeft gemaakt om de brede inzetbaarheid van de werknemer te bevorderen in mindering brengen op de transitievergoeding, tenzij de werknemer de verworven kennis en vaardigheden met name heeft aangewend in de functie die hij vervulde bij aanvang van de activiteiten. De bedoeling van de wijziging is om werkgevers te stimuleren om tijdens het dienstverband te investeren in de bredere inzetbaarheid van werknemers. De overige voorwaarden uit het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding die gelden voor het in mindering kunnen brengen van kosten blijven van toepassing. De minister wijst er in de toelichting op dat kosten die worden gemaakt voor het uitoefenen van de huidige functie van de werknemer niet in mindering kunnen worden gebracht. Dat gold al onder de vorige versie van het besluit.

Tegelijkertijd heeft de minister een technische wijziging aangebracht in het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding. De wijziging houdt verband met de berekeningswijze van de gemiddelde arbeidsduur wanneer geen of een wisselende arbeidsduur is overeengekomen.

De wijzigingen zijn met ingang van 1 juli 2020 van kracht.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 2019-0000147007, Staatsblad 2020, 188 | 02-07-2020

Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) kan worden aangevraagd

Onderdeel van het zogenaamde Noodpakket 2.0 is de subsidieregeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Deze regeling is de opvolger van de in het eerste noodpakket opgenomen TOGS, de tegemoetkoming voor ondernemers in getroffen sectoren. De TVL geldt voor een specifieke groep mkb-bedrijven. Deze groep omvat de zwaarst getroffen sectoren, waaronder horeca, recreatie, sportscholen en dergelijke. Doel van de regeling is ervoor te zorgen dat bedrijven over voldoende liquide middelen beschikken om in de komende maanden de vaste lasten te kunnen betalen en hun onderneming draaiende te houden. Evenals de TOGS is de TVL vrijgesteld van belastingheffing. De doelgroep van de TVL is dezelfde als de doelgroep van de TOGS. Anders dan in de TOGS wordt in de TVL rekening gehouden met de omvang van het omzetverlies en de omvang van de vaste lasten in een sector. Het geraamde budget voor de regeling is € 1,4 miljard.

Voorwaarden

Als voorwaarde voor de TVL geldt de combinatie van een omzetverlies van 30% of meer en een bedrag aan vaste lasten van ten minste € 4.000. Het omzetverlies wordt bepaald door de omzet in de subsidieperiode te vergelijken met dezelfde periode in 2019. Omdat de omzet nog niet bekend is wordt bij de aanvraag uitgegaan van de verwachte omzetdaling. Aan de hand van de verwachte omzetdaling wordt een voorschot op de subsidie uitgekeerd. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van de omzetgegevens in de btw-aangiften van het tweede en het derde kalenderkwartaal van 2019 en 2020. Dat geldt voor ondernemingen die per maand of per kwartaal aangifte doen. De omzet van het tweede kalenderkwartaal telt voor 1/3e mee en de omzet van het derde kalenderkwartaal volledig. Voor ondernemingen die op grond van hun nevenactiviteit in aanmerking komen voor subsidie werkt deze methode niet. Zij zullen hun omzet(verlies) op andere wijze aannemelijk moeten maken.

Voor ondernemingen die tussen 1 en 15 maart (voor het eerst) zijn ingeschreven in het handelsregister geldt de drempel van 30% omzetverlies niet.

De vaste lasten worden voor toepassing van de TVL bij benadering bepaald. Dat gebeurt door de omzet in de referentieperiode te vermenigvuldigen met de gemiddelde sectorafhankelijke verhouding tussen vaste lasten en omzet. Deze verhouding is te vinden in de tabel op de website van RVO.nl.

Subsidiebedrag

De hoogte van de subsidie is gebaseerd op het omzetverlies. Maximaal bedraagt de subsidie 50% van de vaste lasten bij 100% omzetverlies. Bij het behalen van de drempel van het omzetverlies van 30% bedraagt de TVL 15% van de vaste lasten. Ondernemingen, die tussen 1 en 15 maart 2020 zijn ingeschreven in het handelsregister en in de subsidieperiode ten minste € 4.000 vaste lasten verwachten te hebben, krijgen een vast subsidiebedrag van € 1.000.

Aanvraag

Aanvragen voor de TVL kunnen in de periode van 30 juni tot en met 30 oktober 2020 worden ingediend op www.rvo.nl/tvl. De aanvraag dient de volgende gegevens te bevatten: naam, adres, KvK-nummer en gegevens van de contactpersoon. Daarnaast moeten kopieën van de aangiften omzetbelasting of van andere bewijsstukken uit de boekhouding met de omzetgegevens over 2019 worden aangeleverd. Na verlening van de subsidie wordt een voorschot verstrekt van 80% van het subsidiebedrag.

Definitieve vaststelling

De ondernemer moet voor 1 april 2021 verzoeken om vaststelling van de subsidie via het daarvoor bestemde formulier op www.rvo.nl/tvl.

Administratie

De ondernemer die subsidie ontvangt uit de TVL is verplicht zijn administratie zodanig te voeren en te bewaren dat tot tien jaar na de subsidieverlening op duidelijke en eenvoudige wijze blijkt dat hij aan de eisen heeft voldaan.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | Staatscourant 2020 nr. 34295, WJZ/ 20146069 | 01-07-2020

Kamervragen pakket aanvullende fiscale maatregelen

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over het pakket aanvullende fiscale maatregelen in verband met de coronacrisis beantwoord. De vragen hebben betrekking op de volgende onderwerpen:

  1. Gebruikelijk loon
  2. Urencriterium
  3. Werkkostenregeling
  4. Fiscale coronareserve
  5. Betaalpauze voor hypotheekverplichtingen

1. Gebruikelijk loon

De staatssecretaris heeft goedgekeurd dat het gebruikelijk loon in 2020 bij omzetdalingen lager mag zijn. De verlaging moet evenredig zijn aan de omzetdaling in de eerste vier maanden van 2020 ten opzichte van de eerste vier maanden in 2019. De goedkeuring is gebonden aan voorwaarden. De rekening-courantschuld van de dga en het aan hem uitgekeerde dividend mogen niet toenemen. Als het loon van de dga feitelijk hoger is dan het goedgekeurde verlaagde gebruikelijk loon geldt dat hogere loon. Het gebruikelijk loon mag niet worden verlaagd voor zover de omzet in 2019 of 2020 beïnvloed is door andere bijzondere oorzaken dan de coronacrisis. Toepassing van de goedkeuring is niet afhankelijk van de absolute hoogte van de omzet. De staatssecretaris wijst erop dat de tijdelijke goedkeuring voor het verlagen van het gebruikelijk loon ook in 2009 en 2010 is toegepast en zijn nut heeft bewezen.

2. Urencriterium

Een van de maatregelen is een versoepeling van het urencriterium voor zelfstandige ondernemers. In de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 worden zij geacht ten minste 24 uren per week aan hun onderneming te hebben besteed. Deze regeling geldt ook voor ondernemers die tijdelijk in loondienst gaan werken. De goedkeuring bevat een aantal criteria die zien op een ondernemer die seizoensgebonden werkzaamheden verricht. Er dient een piek te zijn in het aantal uren dat de ondernemer gewoonlijk aan zijn onderneming besteedt in de periode van 1 maart tot en met 30 september. Tevens moeten zijn werkzaamheden seizoensgebonden zijn. Volgens de staatssecretaris is het aan de ondernemer om te beoordelen of hij aan deze criteria voldoet. Als dit het geval is, kan hij bij het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2020 aangeven of hij aan het urencriterium voldoet, met inachtneming van deze goedkeuring.

3. Werkkostenregeling

De vrije ruimte in de werkkostenregeling voor de eerste € 400.000 van de loonsom is voor 2020 verhoogd van 1,7 naar 3%. Alle werkgevers profiteren van de verruiming van de vrije ruimte. De verruiming is bedoeld om werkgevers die daar de financiële ruimte voor hebben de mogelijkheid te bieden om hun werknemers extra tegemoet te komen.

4. Fiscale coronareserve

De fiscale coronareserve is een mogelijkheid om al in de aangifte over 2019 rekening te houden met een verwacht verlies over 2020. De reserve kan niet groter zijn dan het verwachte coronagerelateerde verlies in het jaar 2020. Ondernemers die gebruik willen maken van de fiscale coronareserve krijgen niet te maken met een verzwaarde bewijslast. De ondernemer moet aannemelijk kunnen maken dat hij recht heeft op de fiscale coronareserve zoals hij die in zijn aangifte vennootschapsbelasting over 2019 heeft opgenomen. De reserve valt in het jaar 2020 verplicht vrij in de winst. Vorming van de reserve betekent een liquiditeitsvoordeel voor de ondernemer door verlaging van de verschuldigde vennootschapsbelasting over 2019. In het kader van de mogelijkheden van de vorming van een fiscale coronareserve en verliesverrekening is gevraagd naar verlenging van de termijn voor toepassing van de middelingsregeling. De staatssecretaris vindt de termijn van drie jaar na de vaststelling van de definitieve aanslag inkomstenbelasting over het laatste middelingstijdvakjaar voldoende.

5. Betaalpauze voor hypotheekverplichtingen

Wanneer een belastingplichtige met de bank een betaalpauze voor de hypotheekverplichtingen overeenkomt, stelt de bank vast of sprake is van betalingsproblemen als gevolg van de coronacrisis en of een betaalpauze de meest aangewezen oplossing is. Een dergelijke vaststelling ontbreekt bij een lening die bij een ander dan een aangewezen administratieplichtige is aangegaan. Daarom geldt als aanvullende voorwaarde dat er sprake moet zijn van een terugval in arbeidsinkomen als gevolg van de coronacrisis van ten minste 20% over een periode van drie aaneengesloten kalendermaanden. Voor een lening waarop de fiscale aflossingseis niet van toepassing is, heeft een betaalpauze geen ongewenste fiscale gevolgen en geldt geen tegemoetkoming. Het enige gevolg van het op een later moment betalen van rente is dat het aftrekmoment kan verschuiven. Indien de niet-betaalde rente niet rentedragend is geworden, is de rente aftrekbaar op het moment van betaling.

Bron: Ministerie van Financiƫn | publicatie | 2020-0000111321 | 25-06-2020

Ontslag met wederzijds goedvinden

In het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een overeenkomst, waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, alleen geldig is als deze schriftelijk is aangegaan. Bij discussie over de vraag of een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd moet dus beoordeeld worden of er een overeenkomst is en of is voldaan aan het vormvoorschrift van schriftelijke vastlegging.

Een procedure bij de kantonrechter ging over de vraag of een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd. Volgens de kantonrechter is het vormvoorschrift van schriftelijke vastlegging ondergeschikt aan de vraag of partijen daadwerkelijk een overeenkomst tot wederzijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben bereikt. De kantonrechter stelde vast dat aan het schriftelijkheidsvereiste was voldaan in de vorm van een brief van de werkgever waarin stond dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden werd ontbonden.

Aan het tot stand komen van de overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst stelt de wet geen vormvoorschriften. Er moet sprake zijn van een aanbod om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, welk aanbod door de wederpartij is aanvaard. Onder verwijzing naar het arrest Grillroom Ramses II van de Hoge Raad uit 2005 oordeelde de kantonrechter dat de werkgever schriftelijk een aanbod aan de werknemer heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. Uit het feit dat de werknemer vervolgens met de nieuwe werkgever tot overeenstemming is gekomen en daar op 1 juli 2019 daadwerkelijk in dienst is getreden en zonder protest de bedrijfseigendommen van de oude werkgever heeft ingeleverd, mocht de oude werkgever afleiden dat de werknemer de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwde en het aanbod tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden heeft aanvaard. Daarmee is een overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden tussen werknemer en werkgever tot stand gekomen. Dat betekende dat de werknemer geen recht had op de transitievergoeding of op de gevorderde gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA20205309, 8012879 RP VERZ 19-50514 | 25-06-2020

Bedragen uurloongrenzen jeugd-LIV 2020

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de onder- en bovengrenzen van de bandbreedte van het uurloon voor de toepassing van het jeugd-LIV voor het jaar 2020 vastgesteld.

 Leeftijd op 31-12-2019  ondergrens  bovengrens
 20 jaar  € 8,30  € 10,29
 19 jaar  € 6,23  €   9,24
 18 jaar  € 5,19  €   6,93
Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | Staatscourant 2020, Nr. 32048, nr. 2020-0000070391 | 25-06-2020