All posts by jansen_kleton_claudia

Kamervragen aanvraag loonkostenvoordelen

De staatssecretaris van SZW heeft Kamervragen over het aanvragen van loonkostenvoordelen (LKV) door werkgevers beantwoord.

In het Handboek Loonheffingen van de Belastingdienst en in het Kennisdocument Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) van het ministerie van SZW is informatie te vinden over het aanvragen van LKV. Ook de website van het UWV bevat informatie over dit onderwerp. In de aangifte loonheffingen is de indicatie LKV opgenomen. Als deze indicatie niet is aangevinkt, wordt geen LKV toegekend. Door het opnemen van de aanvraag in de aangifte loonheffingen is het aanvraagproces zo eenvoudig mogelijk gemaakt. Om in aanmerking te komen voor een LKV moet de werkgever de doelgroepverklaring van de werknemer, die hij in dienst heeft genomen, in zijn administratie bewaren. De werknemer vraagt deze doelgroepverklaring binnen drie maanden na zijn indiensttreding aan bij het UWV of bij de gemeente. Vervolgens zet de werkgever de indicatie LKV op ‘ja’ in iedere aangifte loonheffingen. Mocht een werkgever dit vergeten, dan kan hij dit rechtzetten door een correctiebericht in te sturen. De werkgever heeft minimaal drie en maximaal veertien maanden de tijd om een vergissing te corrigeren.

In de Wet tegemoetkomingen loondomein is niet geregeld wat er met een LKV gebeurt als een bedrijf overgaat in een ander bedrijf of wijzigt van rechtsvorm. De overgang van onderneming is geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Deze regeling heeft betrekking op de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Een LKV gaat niet mee over, omdat het recht daarop niet voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst. Voor de overnemende werkgever ontstaat geen nieuw recht op een LKV omdat geen sprake is van indiensttreding of herplaatsing, maar van voortzetting van de arbeidsovereenkomst.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | publicatie | 2021-0000159807 | 12-10-2021

Minimumlonen per 1 januari 2022

De staatssecretaris van SZW heeft de bedragen van het bruto wettelijk minimumloon per 1 januari 2022 gepubliceerd. Ten opzichte van de sinds 1 juli 2021 geldende bedragen zijn deze met 1,41% verhoogd. Uitgaande van een voltijds dienstverband gelden de volgende bedragen.

Leeftijd Percentage Per maand Per week Per dag
 21 jaar en ouder  100  € 1.725,00  € 398,10  € 79,62
 20 jaar  80  € 1.380,00  € 318,50  € 63,70
 19 jaar  60  € 1.035,00  € 238,85  € 47,77
 18 jaar  50  € 862,50  € 199,05  € 39,81
 17 jaar  39,5  € 681,40  € 157,25  € 31,45
 16 jaar  34,5  € 595,15  € 137,35  € 27,47
 15 jaar  30  € 517,50  € 119,45  € 23,89

Voor werknemers in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar gelden afwijkende staffels en bedragen.

Leeftijd Percentage bbl Per maand Per week Per dag
 20 jaar  61,5  € 1.060,90  € 244,85  € 48,97
 19 jaar  52,5  € 905,65  € 209,00  € 41,80
 18 jaar  45,5  € 784,90  € 181,15  € 36,23
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | nr. 2021-0000161578, Staatscourant 2021, Nr. 44177 Fri, 22 Oct 2021 00:00:00 +0100

Verlaging tarieven energiebelasting 2022

De rekening van de energiebedrijven wordt voor een groot deel bepaald door de heffing van energiebelasting. Deze heffing wordt enigszins gematigd door een vaste belastingvermindering. Zoals eerder aangekondigd past het kabinet in verband met de sterk gestegen energieprijzen de tarieven van de energiebelasting aan. Dat gebeurt via een derde nota van wijziging op het Belastingplan 2022. 

De belastingvermindering in de energiebelasting wordt verhoogd met € 230 inclusief btw. De belastingvermindering is een korting op het energiebelastingdeel van de energierekening en geldt per elektriciteitsaansluiting met verblijfsfunctie, ongeacht het verbruik. De belastingvermindering bedraagt in 2022 na de verhoging € 789,77 inclusief btw. Daarnaast wordt het tarief van de eerste schijf voor elektriciteit met € 0,06933 per kWh exclusief btw verlaagd. Deze verlaging geldt voor het gehele jaar 2022.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2021-0000210653 | 22-10-2021

Aanpassing Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen

De Wet bedrag ineens, RVU (regeling vervroegd uittreden ) en verlofsparen wordt aangepast. Aanvankelijk was de opzet dat pensioengerechtigden de keuze hadden om een deel van hun pensioen in de vorm van een bedrag ineens op de pensioeningangsdatum tot uitkering te laten komen. Daar is een uitstelmogelijkheid aan toegevoegd, waardoor de uitbetaling van het bedrag ineens plaatsvindt in de maand februari van het jaar volgend op het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt. Deze uitstelmogelijkheid moet voorkomen dat over het bedrag ineens AOW-premie is verschuldigd. De uitstelmogelijkheid wordt aangepast. De aanpassingen betreffen de doelgroep, de uitkeringsreeks en de maand van uitbetalen.

De doelgroep wordt beperkt tot mensen van wie de pensioeningangsdatum ligt in de maand waarin zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken of op de eerste dag van de daaropvolgende maand. Zij krijgen de mogelijkheid om het bedrag ineens tot uitbetaling te laten komen in de maand januari van het jaar volgend op het jaar waarin zij AOW-gerechtigd worden. Volgens de huidige wet vindt de uitbetaling plaats in de maand februari van dat jaar. Op het moment van pensioneren berekent de pensioenuitvoerder welk bedrag in de maand januari tot uitkering moet komen en zet dit bedrag apart. De levenslange periodieke pensioenuitkering wordt op het moment van het kiezen voor een bedrag ineens aangepast. Deze aanpassing moet de complexiteit en de kosten van de uitvoering verminderen en de begrijpelijkheid voor pensioengerechtigden verbeteren. De geplande datum van inwerkingtreding is 1 januari 2023.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetswijziging | 2021-0000158530 | 11-10-2021

Tweede nota van wijziging Belastingplan 2022

De staatssecretaris van Financiën heeft een tweede nota van wijziging inzake het Belastingplan 2022 ingediend bij de Tweede Kamer. De nota van wijziging bevat de fiscale uitwerking van twee door de Kamer aangenomen moties en enkele technische verbeteringen.

Het maximum van de algemene heffingskorting wordt met € 14 verhoogd per 1 januari 2022.

De earningsstrippingmaatregel beperkt de aftrekbaarheid van het verschil tussen rentelasten en -baten van geldleningen in de vennootschapsbelasting, voor zover dat verschil meer bedraagt dan 30% van de gecorrigeerde winst of € 1 miljoen. Voorgesteld wordt om dit percentage van 30 te verlagen tot 20.

Het hoge tarief van de vennootschapsbelasting gaat per 1 januari 2022 omhoog van 25 naar 25,8%. De verhoging dient ter financiering van de verhoging van de salarissen in de zorg.

In het wetsvoorstel Belastingplan 2022 is de bevoegdheid voor de inspecteur opgenomen om binnen vijf jaar na afloop van het jaar waarin voorheffingen zijn geheven een (herzienings)beschikking inzake voort te wentelen voorheffingen (voorheffingenbeschikking) vast te stellen. Deze termijn is niet toereikend wanneer met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting is opgelegd. Voorgesteld wordt om de termijn voor het vaststellen van een (herzienings)beschikking inzake voort te wentelen voorheffingen in de betreffende gevallen te laten aansluiten op de navorderingstermijn.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2021-0000208934 | 14-10-2021

Kamervragen betalingsregeling belastingschulden

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over de betalingsregeling voor ondernemers met coronabelastingschulden. Vanaf 1 oktober 2021 moet een ondernemer, die uitstel van betaling in verband met de coronacrisis heeft gekregen, voldoen aan zijn nieuwe betalingsverplichtingen. Onder strikte voorwaarden kan een bedrijf aanvullend uitstel van betaling krijgen tot 1 februari 2022. Het niet tijdig doen van aangifte of voldoen van nieuwe betalingsverplichtingen heeft tot 1 oktober 2022 geen gevolgen voor het recht op de betalingsregeling van 60 maanden. Per 1 oktober 2022 moet de ondernemer beginnen met het aflossen binnen de betalingsregeling. Vanaf die datum moet de ondernemer zowel voldoen aan zijn aangifteplicht als aan zijn betalingsplicht als voorwaarde voor de betalingsregeling. Doet de ondernemer dat niet dan kan de Belastingdienst de betalingsregeling intrekken.

De staatssecretaris is van mening dat het beleid veel ruimte aan bedrijven biedt om tot een oplossing te komen voor schulden die door de coronacrisis zijn ontstaan.

Volgens de staatssecretaris kan in uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden kwijtschelding van onhoudbare belastingschulden gewenst zijn. Sanering van schulden kan een oplossing zijn voor in de kern gezonde bedrijven om een faillissement af te wenden. Het huidige beleid biedt de mogelijkheid tot sanering. De Belastingdienst beoordeelt saneringsverzoeken sinds het begin van dit jaar welwillender dan voorheen.

De Belastingdienst en Douane nemen bij een minnelijk saneringsakkoord genoegen met eenzelfde uitkeringspercentage als aan concurrente schuldeisers toekomt. Het kabinet verwacht dat saneringsakkoorden voor bedrijven hierdoor een grotere kans van slagen krijgen. De Belastingdienst en Douane passen dit versoepelde beleid toe van 1 augustus 2022 tot en met 30 september 2023. Als er geen saneringsakkoord tot stand komt en de onderneming alsnog failliet gaat of in een dwanginvorderingstraject terecht komt, dan houdt de Belastingdienst een preferente positie.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2021-0000205717 | 14-10-2021

Ontbinding op verzoek werknemer

Volgens het Burgerlijk Wetboek kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van omstandigheden die van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. De kantonrechter is bij de beoordeling van een dergelijk verzoek niet gebonden aan de in het Burgerlijk Wetboek opgesomde gronden voor ontbinding, die gelden bij een werkgeversverzoek. Gelet op het grondrecht van vrije arbeidskeuze dient een verzoek tot ontbinding van de werknemer in beginsel gehonoreerd te worden.

Een werknemer was werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden. De arbeidsovereenkomst bevatte geen tussentijds opzegbeding. De werknemer wilde desondanks de arbeidsovereenkomst tussentijds beëindigen, maar de werkgever wilde daar niet aan meewerken. De werknemer diende daarop een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in bij de kantonrechter.

De kantonrechter wees het verzoek toe. Gezien de door de werknemer ervaren verstoorde arbeidsrelatie ontbrak het perspectief op een zinvolle voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Daarmee is de noodzaak voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst gegeven. De verzoeken om toekenning van een transitievergoeding en een vergoeding ter hoogte van het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd wees de kantonrechter af.

De kantonrechter wees wel het verzoek van de werkgever om schadevergoeding toe. De werknemer diende aan de werkgever twee maandsalarissen inclusief vakantietoeslag te betalen. Omdat de kantonrechter de werkgever een vergoeding toekende, kreeg de werknemer twee weken de tijd om zijn verzoekschrift in te trekken.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE20214613, 9315644 / ME VERZ 21-94 | 19-09-2021

Aanpassing besluit goedkeuring eigenwoningschulden

Sinds 1 januari 2013 geldt voor nieuwe eigenwoningschulden de eis dat de schuld gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig wordt afgelost. Volgens de wettelijke regeling moet een op 31 december van een kalenderjaar opgelopen aflossingsachterstand uiterlijk op 31 december van het volgende kalenderjaar zijn ingelopen. Is dat niet het geval, dan blijft de schuld alleen een eigenwoningschuld als per 1 januari daaropvolgend een nieuw ten minste annuïtair aflosschema wordt overeengekomen voor de resterende looptijd.

De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit enkele goedkeuringen gepubliceerd die betrekking hebben op met de geldverstrekker overeengekomen betaalpauzes. Het besluit geldt onder voorwaarden ook voor al vóór 8 mei 2020 overeengekomen betaalpauzes die verband houden met de coronacrisis. Een betaalpauze kan fiscale gevolgen hebben voor het moment waarop de tijdens de betaalpauze verschuldigde, maar niet betaalde, rente in aftrek komt. Een eventuele schuld voor het inhalen van een renteachterstand valt altijd in box 3.

De alternatieve regeling geldt voor betaalpauzes die aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • de belastingplichtige heeft tussen 12 maart 2020 en 1 januari 2022 bij zijn geldverstrekker gemeld dat hij betalingsproblemen heeft door de coronacrisis;
  • de betaalpauze gaat uiterlijk op 1 januari 2022 in en is schriftelijk door de geldverstrekker bevestigd; en
  • de looptijd van de betaalpauze is maximaal twaalf maanden.

Als de lening door een andere geldverstrekker is verstrekt, gelden twee aanvullende voorwaarden:

  • de terugval in arbeidsinkomen van de belastingplichtige door de coronacrisis bedraagt ten minste 20% over een periode van drie aaneengesloten kalendermaanden; en
  • de belastingplichtige kan aannemelijk maken dat hij aan alle voorwaarden voldoet.

De staatssecretaris heeft goedgekeurd dat al eerder dan per 1 januari 2022 resp. 2023 een nieuw aflosschema wordt overeengekomen. Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  1. In plaats van het wettelijke toetsmoment geldt de dag waarop de betaalpauze afloopt als toetsmoment voor de aflossingsachterstand.
  2. Het nieuwe aflosschema is gebaseerd op de omvang van de schuld volgens het oude aflosschema, verhoogd met de aflossingsachterstand.
  3. Het nieuwe aflosschema heeft maximaal dezelfde resterende looptijd als de oorspronkelijke schuld.
  4. Het nieuwe aflosschema moet zo snel mogelijk na afloop van de betaalpauze ingaan, maar uiterlijk op 1 januari 2022 resp. 2023.

Het kan gewenst zijn de resterende lening te splitsen in de resterende hoofdsom en de door de betaalpauze ontstane aflossingsachterstand. De staatssecretaris heeft goedgekeurd dat alleen voor de aflossingsachterstand een nieuw aflosschema wordt opgesteld. De ontstane aflossingsachterstand wordt afgelost in maximaal de resterende looptijd van de oorspronkelijke schuld. Voor het overige gelden de voorwaarden die ook aan de eerste goedkeuring zijn gesteld.

De rente op de eigenwoningschuld is aftrekbaar op het moment waarop deze is betaald, verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden. Een belastingplichtige kan de tijdens de betaalpauze verschuldigde rente alleen over het jaar 2021 in aftrek brengen, als:

  • hij deze rente alsnog (na de betaalpauze) in 2021 betaalt, óf
  • deze rente in 2021 is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden.
Bron: Ministerie van Financiën | besluit | nr. 2021-20581, Staatscourant 2021, Nr. 42306 | 28-09-2021

Tijdelijke versoepeling bijstandverlening zelfstandigen

Per 1oktober 2021 is het steun- en herstelpakket in verband met de coronacrisis beëindigd. De Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) is onderdeel van het steun- en herstelpakket. Hoewel het aantal Tozo-gerechtigden is gedaald, doet naar verwachting een aanzienlijk deel van deze zelfstandigen in oktober 2021 een beroep op bijstand voor zelfstandigen. Het Besluit bijstandverlening zelfstandigen wordt daarom gewijzigd om problemen bij de uitvoering van de bijstand te voorkomen.

Een van de wijzigingen is de invoering van de tijdelijke mogelijkheid om bijstand met terugwerkende kracht aan te vragen. Deze mogelijkheid geldt voor zover de aanvraag betrekking heeft op het vierde kwartaal van 2021. Daarnaast wordt voor deze periode het vermogen van nieuw instromende zelfstandigen buiten beschouwing gelaten. Dat geldt niet voor de toets op de levensvatbaarheid van het bedrijf. Met het einde van het steunpakket wil de regering niet langer het risico lopen om niet-levensvatbare bedrijven overeind te houden. Voor zelfstandigen die tijdens het vierde kwartaal 2021 nieuw instromen in de bijstand geldt niet de gebruikelijke systematiek van vaststelling van het inkomen per boekjaar, maar per kalendermaand.

Ten slotte krijgt de minister van SZW de bevoegdheid om, als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, de Tozo bij ministeriële regeling snel te kunnen herinvoeren.

Met ingang van 1 januari 2022 wordt het Besluit bijstandverlening zelfstandigen weer onverkort uitgevoerd.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | besluit | nr. 2021-0000146631, Staatsblad 2021, 438 | 27-09-2021

Verhoging aanvangsleeftijd AOW

Een volledig ouderdomspensioen op grond van de AOW wordt in 50 verzekerde jaren opgebouwd. Bij de oorspronkelijke pensioenleeftijd van 65 jaar ving de verzekering aan op 15-jarige leeftijd. Door de verhoging van de AOW-leeftijd is ook de aanvangsleeftijd verhoogd, aangezien het maximum van 50 verzekerde jaren niet is veranderd.

Een verzekerde maakte bezwaar tegen het hem de Sociale Verzekeringsbank (SVB) toegezonden pensioenoverzicht. Daarin was vermeld dat zijn AOW-leeftijd nog niet bekend was, maar dat deze minimaal 67 jaar en drie maanden zou zijn. Het bezwaar betrof de aanvangsdatum van de pensioenopbouw, die volgens het pensioenoverzicht 17 jaar en drie maanden bedroeg. Volgens de verzekerde is zijn pensioenopbouw begonnen op 15-jarige leeftijd. Het bezwaar tegen het pensioenoverzicht is door de SVB ongegrond verklaard. Volgens de Centrale Raad van Beroep kan een verzekerde aan de vanaf zijn 15e verjaardag betaalde premies geen rechten ontlenen omdat de AOW een omslagstelsel kent. Bij een omslagstelsel worden de betaalde premies niet gebruikt voor de opbouw van toekomstige rechten van de betaler, maar voor de uitkering aan pensioengerechtigden.

In eerdere uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat de aanpassing van de AOW leidt tot een inmenging in het eigendomsrecht van een verzekerde. Deze inmenging is echter in het algemeen proportioneel en leidt niet tot schending van het eigendomsrecht. In een concreet geval kan sprake zijn van een onevenredig zware last, waardoor zich wel een ongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht voordoet. Of de verhoging van de aanvangsleeftijd met twee jaar en drie maanden voor de verzekerde tot een onevenredig zware last leidt, moet worden bezien in het kader van de besluitvorming die betrekking heeft op de toekenning van het ouderdomspensioen en de ingangsdatum daarvan. Dat was niet aan de orde in deze procedure.

Bron: Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLINLCRVB20212306, 194770 AOW | 09-09-2021