All posts by jansen_kleton_claudia

Ontbinding op verzoek werknemer

Volgens het Burgerlijk Wetboek kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van omstandigheden die van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. De kantonrechter is bij de beoordeling van een dergelijk verzoek niet gebonden aan de in het Burgerlijk Wetboek opgesomde gronden voor ontbinding, die gelden bij een werkgeversverzoek. Gelet op het grondrecht van vrije arbeidskeuze dient een verzoek tot ontbinding van de werknemer in beginsel gehonoreerd te worden.

Een werknemer was werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden. De arbeidsovereenkomst bevatte geen tussentijds opzegbeding. De werknemer wilde desondanks de arbeidsovereenkomst tussentijds beëindigen, maar de werkgever wilde daar niet aan meewerken. De werknemer diende daarop een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in bij de kantonrechter.

De kantonrechter wees het verzoek toe. Gezien de door de werknemer ervaren verstoorde arbeidsrelatie ontbrak het perspectief op een zinvolle voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Daarmee is de noodzaak voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst gegeven. De verzoeken om toekenning van een transitievergoeding en een vergoeding ter hoogte van het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd wees de kantonrechter af.

De kantonrechter wees wel het verzoek van de werkgever om schadevergoeding toe. De werknemer diende aan de werkgever twee maandsalarissen inclusief vakantietoeslag te betalen. Omdat de kantonrechter de werkgever een vergoeding toekende, kreeg de werknemer twee weken de tijd om zijn verzoekschrift in te trekken.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBMNE20214613, 9315644 / ME VERZ 21-94 | 19-09-2021

Partnerbegrip inkomensafhankelijke regelingen

Het partnerbegrip in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bewerkstelligt dat ongehuwd samenwonenden met kinderen voor de toeslagen gelijk worden behandeld als een echtpaar, daarmee gelijkgestelden of samenwonenden die nog iets extra gemeenschappelijks hebben. Op grond van het partnerbegrip zijn twee meerderjarigen elkaars toeslagpartner als zij op hetzelfde adres staan ingeschreven én een minderjarig kind van één van beiden op dat adres staat ingeschreven. Dit partnerbegrip voor samengestelde gezinnen kan tot gevolg hebben dat mensen die niet elkaars (levens)partner zijn als toeslagpartner gelden en daardoor toeslagen mislopen.

Afschaffing van het partnerbegrip voor samengestelde gezinnen heeft volgens de staatssecretaris van Financiën dusdanige juridische, budgettaire en uitvoeringstechnische gevolgen dat het demissionaire kabinet daarover niet zou moeten beslissen. Een evaluatie van de Awir is in voorbereiding. Bij deze evaluatie zal ook het partnerbegrip voor samengestelde gezinnen aan de orde komen.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2021-0000185968 | 05-10-2021

Moties met betrekking tot Belastingplan 2022

De Tweede Kamer heeft tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen twee moties aangenomen, die betrekking hebben op het Belastingplan 2022.

In de motie Hermans wordt de regering opgeroepen om:

  • de verhuurderheffing te verlagen;
  • de opslag duurzame energie in de eerste schijf voor huishoudens op elektriciteit te verlagen en de belastingvermindering Energiebelasting te verhogen;
  • de opslag duurzame energie op elektriciteit in de tweede en derde schijf voor het mkb te verlagen;
  • de algemene heffingskorting te verhogen.

Om deze maatregelen te financieren wordt geput uit het voor de BIK bestemde budget van € 1 miljard en moet de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting worden verzwaard.

In de motie Eerdmans wordt de regering opgeroepen om te komen met een wettelijke regeling voor zelfstandig ondernemerschap, waarin de rechtspositie van zzp’ers wordt vastgelegd.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 35 925 | 22-09-2021

Wijziging Besluit fiscale noodmaatregelen coronacrisis

De staatssecretaris van Financiën heeft het Besluit fiscale noodmaatregelen aangepast. De aangepaste versie van het besluit bevat een tijdelijke aanvullende tegemoetkoming voor de regeling van belastinguitstel voor de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 januari 2022 en een aanpassing van de reikwijdte van de betalingsregeling. Twee reeds bestaande maatregelen zijn verlengd. Het betreft het laten doorlopen van onbelaste vaste reiskostenvergoedingen bij een gewijzigd reispatroon bij thuiswerken van werknemers en de vrijstelling van belastingheffing van bepaalde Duitse netto-uitkeringen, die worden betaald aan inwoners van Nederland die normaliter in Duitsland werken.

Tijdelijke aanvulling regeling uitstel van betaling

Onder strikte voorwaarden keurt de staatssecretaris goed dat de ontvanger ondernemers uitstel van betaling verleent tot en met 31 januari 2022 voor belastingen die betaald hadden moeten zijn in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 januari 2022. De regeling geldt op verzoek voor ondernemers met tijdelijke betalingsproblemen, die zijn veroorzaakt door de coronacrisis. De onderneming moet levensvatbaar zijn en de ondernemer moet hebben voldaan aan de aangifteplicht. Een verklaring van een derde-deskundige dat aan de voorwaarden is voldaan moet bij het verzoek worden gevoegd. Als de schuld lager is dan € 20.000 kan worden volstaan met een eigen verklaring.

Betalingsregeling voor opgebouwde belastingschuld

De staatssecretaris keurt goed dat de ontvanger een tot 1 oktober 2027 lopende betalingsregeling treft voor belastingen van ondernemers die uiterlijk 30 september 2021 betaald hadden moeten zijn. Voorwaarde is dat aan de ondernemer is toegezegd dat geen invorderingsmaatregelen zouden worden genomen. De goedkeuring geldt ook voor ondernemers aan wie op grond van de tijdelijke aanvullende regeling uitstel van betaling is verleend voor belastingen van ondernemers die in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 januari 2022 betaald hadden moeten zijn. Uitgangspunt is dat de belastingschuld wordt afgelost in 60 maandelijkse gelijke termijnen. Aflossing moet in oktober 2022 aanvangen. Gedurende de betalingsregeling dient de ondernemer zich stipt te houden aan nieuw opkomende fiscale verplichtingen.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | nr. 2021-191442, staatscourant 2021, Nr. 42308 | 28-09-2021

Vaststellingsaanvraag NOW-1

De minister van SZW heeft in een brief aan de Tweede Kamer de stand van zaken rond de NOW per september 2021 meegedeeld. In de brief merkt de minister op, dat veel werkgevers de vaststellingsaanvraag voor de NOW-1 nog niet hebben ingediend. Dat kan nog tot en met 31 oktober 2021. De NOW-1 betreft de maanden maart, april en mei van het jaar 2020. Werkgevers, die de vaststellingsaanvraag niet op tijd indienen, krijgen te maken met nihilstelling van de subsidie.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | publicatie | 2021-0000148600 | 19-09-2021

Maximum uurprijzen kinderopvangtoeslag 2022

De minister van SZW heeft de maximum uurprijzen voor de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2022 gepubliceerd. De gewijzigde bedragen stemmen overeen met het eerder aan de Tweede Kamer toegestuurde concept.

De maximum uurprijzen zijn als volgt vastgesteld.

 Jaar  2022  2021
 Dagopvang  € 8,50  € 8,46
 Buitenschoolse opvang  € 7,31  € 7,27
 Gastouderopvang  € 6,52  € 6,49

Vanaf een toetsingsinkomen van € 127.939 in 2022 (€ 129.457 in 2021) ontvangt een ouder voor de kosten van kinderopvang van het eerste kind aan kinderopvangtoeslag 33,3% van de kosten.

Het aantal uren kinderopvang, dat voor kinderopvangtoeslag in aanmerking komt, is gekoppeld aan het aantal gewerkte uren van de minstwerkende ouder. 140% van de gewerkte uren komt in aanmerking voor kinderopvangtoeslag bij dag- en gastouderopvang. Met ingang van 2022 geldt dat percentage ook voor buitenschoolse opvang.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | besluit | nr. 2021-0000133303, Staatsblad 2021, 434 | 30-08-2021

Regeling TVL aangepast

De staatssecretaris van EZK heeft de Regeling vaste lasten financiering COVID-19 op twee punten gewijzigd. Ten eerste wordt met terugwerkende kracht de SBI-code 47.77 opgenomen in de begripsomschrijving ‘onderneming in de detailhandel’. Deze wijziging heeft betrekking op de opslag gesloten detailhandel in verband met voorraadverliezen, die werd verstrekt in het vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021.

Ten tweede is de uiterste datum, waarop de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor het eerste kwartaal van 2021 moet zijn ingediend, aangepast van 1 oktober naar 12 november 2021. De aanpassing geldt voor het mkb en voor grote bedrijven.

Bron: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | besluit | nr. WJZ/ 21209027, Staatscourant 2021, Nr. 41702 | 20-09-2021

Afspraken thuiswerken grensarbeiders verlengd

De afspraken met België over de fiscale behandeling van grensarbeiders, die door de coronacrisis thuiswerken, zijn verlengd tot en met 31 december 2021. Ook de afspraken over thuiswerkende grensarbeiders met Duitsland zijn verlengd tot en met 31 december 2021. De tijdelijke vrijstelling van enkele Duitse socialezekerheidsuitkeringen, die in Nederland wonende grensarbeiders ontvangen, is eveneens verlengd tot en met 31 december 2021.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | Staatscourant 2021, Nr. 42272 en 42273 | 27-09-2021

Nota van wijziging Overige fiscale maatregelen 2022

De staatssecretaris van Financiën heeft een nota van wijziging betreffende het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2022 ingediend. De nota bevat enkele wijzigingen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet bronbelasting 2021.

Vennootschapsbelasting
De Hoge Raad heeft onlangs nadere uitleg gegeven over de samenloop tussen de verliesverrekeningsregels en het fiscale-eenheidsregime in de vennootschapsbelasting. De uitleg kan ertoe leiden dat houdster- en groepsfinancieringsverliezen verrekend kunnen worden met niet-houdster- en groepsfinancieringswinsten met mogelijk een aanzienlijke budgettaire derving. Daarom wordt voorgesteld om voornoemd arrest te repareren.

Volgens de tot 1 januari 2019 bestaande houdsterverliesregeling zijn houdsterverliezen alleen verrekenbaar met houdsterwinsten. Voor op 1 januari 2019 nog niet verrekende houdsterverliezen geldt overgangsrecht waardoor deze verliezen slechts verrekenbaar blijven met houdsterwinsten.

Per 1 januari 2022 wijzigt de verliesverrekening in de vennootschapsbelasting. Daardoor worden ook de dan nog bestaande houdsterverliezen onbeperkt voorwaarts in de tijd verrekenbaar. Voor de verrekening van verliezen binnen de fiscale eenheid geldt dat de verliezen die door een maatschappij zijn geleden vóór de opname in de fiscale eenheid in beginsel slechts verrekend kunnen worden met winst van de fiscale eenheid voor zover die winst aan die maatschappij is toe te rekenen. De aan een dochtermaatschappij, die vanaf de oprichting in de fiscale eenheid is opgenomen, toe te rekenen winsten worden aangemerkt als winsten van de maatschappij die deze dochtermaatschappij heeft opgericht. Volgens de Hoge Raad kan de (houdster)maatschappij die de dochtermaatschappij heeft opgericht haar voorvoegingshoudsterverliezen verrekenen met als haar winst aangemerkte niet-houdsterwinst van deze dochtermaatschappij. Deze uitleg houdt geen rekening met doel en strekking van de houdsterverliesregeling.

Voorgesteld wordt nu dat als winst van een bij oprichting gevoegde dochtermaatschappij wordt aangemerkt als winst van een maatschappij en die maatschappij verliezen heeft waarop de houdsterverliesregeling van toepassing is, de werkzaamheden en het vermogen van die dochtermaatschappij worden aangemerkt als werkzaamheden en vermogen van de (houdster)maatschappij die deze dochtermaatschappij heeft opgericht naar rato van haar kapitaalinbreng. Hiermee wordt de uitleg zoals de Belastingdienst die voorheen hanteerde per 1 januari 2022 in de wet vastgelegd.

Wet bronbelasting 2021
Het begrip vaste inrichting in Nederland voor toepassing van de bronbelasting wordt per 1 januari 2022 aangepast. Hierdoor wordt ook bronbelasting geheven over rente- en royaltybetalingen, voor zover deze toerekenbaar zijn aan specifieke Nederlandse bronnen, zoals in Nederland gelegen onroerende zaken.

Hybride lichamen zijn niet langer belastingplichtig voor de bronbelasting als niet ten minste één van de achterliggende gerechtigden een kwalificerend belang heeft in het hybride lichaam. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 januari 2021.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2021-0000197955 | 04-10-2021

Steunmaatregel nachtsluiting horeca

Aan de generieke steunregelingen in verband met de coronamaatregelen (NOW, TVL, Tozo, TONK en enkele fiscale maatregelen) komt per 1 oktober 2021 een einde. Voor enkele sectoren, waaronder nachtclubs en discotheken, gelden in ieder geval tot november nog beperkende maatregelen. In verband daarmee voert het kabinet de subsidie Vaste Lasten financiering COVID-19 wegens aanhoudende coronamaatregelen waaronder Nachtsluiting (VLN) in. Ook voor de evenementenbranche komt een tegemoetkoming voor evenementen die beperkt zijn tot 75% van hun capaciteit.

VLN

Voor het onderdeel van het staatsteunkader waar de VLN onder valt, geldt een maximum aan subsidie gedurende de periode van maart 2020 tot en met 31 december 2021 van € 1,8 miljoen. Op dit moment is nog niet duidelijk of subsidie voor omzetverlies in het vierde kwartaal van 2021 mag worden verleend in 2022. Naar verwachting wordt hierover in oktober meer bekend.

Om voor de VLN in aanmerking te komen geldt een omzetdervingsdrempel van 50% in het vierde kwartaal van 2021 ten opzichte van het vierde kwartaal van 2019. Daarnaast moeten bedrijven over het tweede en derde kwartaal van 2021 TVL hebben ontvangen. De regeling wordt daarmee meer gericht op bedrijven met langduriger omzetverlies, die geen reserves hebben kunnen opbouwen. Het vergoedingspercentage loopt met het omzetverlies op van 50 naar 85%. De VLN kent een maximaal subsidiebedrag van € 250.000 per aanvraag. Om het risico op misbruik en fraude tegen te gaan zullen verzwaarde controles worden ingezet bij steunbedragen boven een bedrag van € 20.000.

Bron: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | publicatie | CE-AEP / 21241056 | 23-09-2021