All posts by jansen_kleton_claudia

Loondoorbetaling tijdens periode van niet werken

Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een werkgever verplicht is om loon te betalen wanneer een werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het niet verrichten van werk in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Het is aan de werkgever om te stellen en zo nodig te bewijzen dat zich een uitzondering op de hoofdregel voordoet en hij het loon niet hoeft te betalen.

In een procedure in kort geding oordeelde de rechter dat de werkgever ten onrechte het loon van een werknemer niet had betaald. Tussen werkgever en werknemer waren spanningen ontstaan. De arbodienst had geadviseerd om met elkaar in gesprek te gaan om oplossingen te zoeken. Het inschakelen van mediation kon daarbij zinvol zijn. De werkgever en de werknemer hebben daarna een gesprek gevoerd, dat door partijen verschillend is ervaren. Volgens de werkgever was alles opgelost. Daarom werd de werknemer opgeroepen om zijn werkzaamheden te hervatten op straffe van een loonstop. Volgens de kantonrechter had eerst een structurele oplossing voor de spanningen gevonden moeten worden voordat het werk kon worden hervat. Door niet in te gaan op het verzoek van de werknemer om een mediator in te schakelen, heeft de werkgever de kans op het bereiken van een oplossing, en daarmee op werkhervatting, aanzienlijk verminderd.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO20208049, 8722549 \ KG EXPL 20-81 (PA) | 12-10-2020

Nota naar aanleiding verslag wijziging box 3

De staatssecretaris van Financiën heeft de nota naar aanleiding van het verslag betreffende het wetsvoorstel wijziging box 3 naar de Tweede Kamer gestuurd. In de nota wordt een overzicht gegeven van de spaar- en beleggingsrendementen voor 2020 en 2021, het belastingtarief, het heffingvrije vermogen en de tariefschijven.

  2020

2021

ongewijzigd beleid

2021

wetsvoorstel

 spaarrendement  0,07%  0,03%  0,03%
 beleggingsrendement  5,28%  5,69%  5,69%
 belastingtarief  30%  30%  31%
 heffingvrij vermogen  € 30.846  € 31.340  € 50.000
 eerste schijf  € 72.797  € 73.962  € 50.000
 tweede schijf  € 1.005.572  € 1.021.661  € 950.000

 

 

 

 

 

 

 

 

In de nota staat een aardig voorbeeld van de ontwikkeling van de belastingheffing, uitgaande van een vermogen in box 3 van € 137.000. In 2020 is daarover € 810 belasting verschuldigd. Door de wijziging van het spaar- en beleggingsrendement in 2021 stijgt het inkomen in box 3 van € 2.699 in 2020 naar € 2.851 in 2021. Bij ongewijzigd beleid zou de verschuldigde belasting daardoor stijgen naar € 849. Op grond van het wetsvoorstel daalt het inkomen in box 3 in 2021 naar € 2.614 door de aanpassing van het heffingvrij vermogen en de schijfgrenzen. Rekening houdend met het nieuwe belastingtarief is de verschuldigde belasting in 2021 € 810, gelijk aan de verschuldigde belasting in 2020.

Het omslagpunt waarbij het gewijzigde beleid in 2021 ten opzichte van het oude beleid nadeliger wordt voor belastingplichtigen ligt bij een vermogen van € 220.000. Zowel bij voortzetting van het oude beleid als bij het gewijzigde beleid bedraagt de verschuldigde belasting  bij dat vermogen € 1.997.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2020-0000194911 | 15-10-2020

Uitleg vaststellingsovereenkomst

Na de afloop van het dienstverband tussen een werkgever en een werknemer sloten zij een vaststellingsovereenkomst. De overeenkomst werd gesloten ter beëindiging van een geschil over onder meer door de werknemer gewerkte en niet uitbetaalde overuren. De werkgever verklaarde in de overeenkomst een bedrag aan vergoeding te zullen voldoen aan de werknemer, zonder nadere omschrijving van de aard daarvan. In de vaststellingsovereenkomst verleenden partijen elkaar over en weer finale kwijting.

De werknemer startte een procedure omdat de vergoeding naar zijn mening had moeten worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en niet als loon uit vroegere dienstbetrekking. Daardoor zouden ten onrechte over de vergoeding geen werknemerspremies zijn afgedragen, met financiële schade voor de werknemer als gevolg. De werknemer meende dat de werkgever de vaststellingsovereenkomst niet op correcte wijze was nagekomen.

Hof Den Bosch stelde voorop dat de uitleg van de vaststellingsovereenkomst moet geschieden aan de hand van het zogenaamde Haviltexcriterium. De betekenis moet worden vastgesteld aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en van wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De bewijslast voor de niet correcte nakoming van de overeenkomst lag bij de werknemer. Het hof stelde vast dat in de overeenkomst niet is vermeld dat de overeengekomen vergoeding betrekking heeft op gewerkte overuren. Concrete uitlatingen of overige gedragingen van de werkgever, waaruit zou blijken dat de vergoeding wel op overuren betrekking had, ontbraken. Het hof nam in aanmerking dat de werknemer bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst rechtsbijstand heeft gehad van een advocaat. Aanknopingspunten voor het oordeel dat het voor alle partijen duidelijk was dat de overeengekomen vergoeding diende te worden gekwalificeerd als nabetaling van achterstallig loon waren er niet.

Het hof heeft de vordering van de werknemer afgewezen.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20203236, 200.263.442_01 | 19-10-2020

Verlenging afspraken grensarbeiders

De afspraken die Duitsland en Nederland hebben gemaakt over de behandeling van grensarbeiders ten tijde van de coronacrisis zijn verlengd tot en met 31 december 2020. De afspraken betreffen de fiscale kwalificatie van thuiswerkdagen die het gevolg zijn van de coronacrisis en een tijdelijke vrijstelling in Nederland van enkele Duitse socialezekerheidsuitkeringen. De vrijstelling geldt voor het Kurzarbeitergeld, het Insolvenzgeld en het Arbeitslosengeld.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | Staatscourant 2020 nr. 56447 | 26-10-2020

Extra maatregelen coronacrisis

Het kabinet heeft een uitbreiding van het pakket aan maatregelen ter bestrijding van de coronacrisis aangekondigd. Het gaat om de volgende maatregelen.

Subsidieregeling voorraad- en aanpassingskosten horeca
Ter compensatie van de kosten die de horeca heeft door de gedwongen sluiting wordt een eenmalige subsidie verstrekt. Deze subsidie bedraagt 2,75% van de omzetderving voor eet- en drinkgelegenheden. Bij de uitvoering van deze regeling wordt aansluiting gezocht bij de TVL-regeling. Naar verwachting is het vanaf medio november mogelijk om de TVL, inclusief de nieuwe subsidie voor de horeca, aan te vragen.

Tijdelijke verbreding van de TVL
Het kabinet heeft besloten om de TVL in het vierde kwartaal van 2020 open te stellen voor alle sectoren. Dat betekent dat de SBI-code-afbakening ter vaststelling van de doelgroep voor deze periode komt te vervallen. De bestaande voorwaarden voor een uitkering uit de TVL blijven gelden. De SBI-codes worden wel gebruikt voor de vaststelling van de hoogte van de vaste lasten. Krediet- en financiële instellingen zijn uitgezonderd van de TVL.

Evenementenbranchemodule
Vanwege de seizoensafhankelijkheid van de evenementenbranche heeft het kabinet besloten eenmalig een module in de TVL op te nemen voor deze branche. Een onderneming komt voor de module in aanmerking wanneer:

  • De onderneming wel voor TVL 1.0 in aanmerking is gekomen, maar niet voor TVL in het vierde kwartaal omdat de referentieomzet te laag is.
  • De SBI-code van de onderneming evenement-gerelateerd is.
  • De onderneming aantoonbaar minimaal één festival of evenement heeft georganiseerd of voor minimaal 70% van de omzet afhankelijk is van levering aan festivals of evenementen.

De hoogte van de uitkering is gebaseerd op de hoogte van de TVL 1.0 subsidie van de onderneming.

Premiemaatregel voor overwerk
Sinds de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans per 1 januari 2020 betalen werkgevers een lage WW-premie voor vaste contracten en een hoge WW-premie voor flexibele contracten. Werkgevers moeten ook de hoge WW-premie betalen voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt. Deze regeling is voor het jaar 2020 opgeschort. Omdat ook in 2021 in bepaalde sectoren veel overwerk nodig zal zijn als gevolg van corona, hoeft ook in 2021 bij meer dan 30% overwerk de hoge WW-premie niet te worden betaald. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werkt deze aanpassing op korte termijn uit.

Verlenging Garantieregelingen
De corona garantie-instrumenten en de financieringsregelingen COL worden verlengd tot en met 30 juni 2021. De regeling BMKB-C wordt verlengd tot eind 2021.

Cultuur
Het kabinet heeft voor de cultuursector € 482 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de eerste helft van 2021. Dit bedrag komt bovenop de generieke steunmaatregelen waarvan de sector gebruik kan maken. Het steunpakket moet nog worden uitgewerkt en kan naar verwachting op 16 november aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Het kabinet stelt € 40 miljoen beschikbaar voor de niet-gesubsidieerde cultuursector.

Sportverenigingen
Eerder dit jaar zijn sportverenigingen, die hun accommodatie huren, gecompenseerd voor hun vaste lasten via de regeling Tegemoetkoming Verhuurders Sportaccommodaties (TVS). De verenigingen, die de accommodatie in eigendom hebben, zijn toen gecompenseerd via de regeling Tegemoetkoming Amateursportorganisaties (TASO). Dit sport-specifieke pakket wordt aangepast en opnieuw opengesteld voor de periode van 1 oktober t/m 31 december. Daarnaast kan de sportsector, als aan de geldende voorwaarden voldaan wordt, gebruik maken van de generieke steunmaatregelen.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | CE-AEP / 20270015 | 26-10-2020

Nota’s van wijziging bij Belastingplan

De staatssecretaris van Financiën heeft zeven nota’s naar aanleiding van het verslag betreffende het pakket Belastingplan 2021 naar de Tweede Kamer gestuurd. De nota naar aanleiding van het verslag betreffende het eigenlijke Belastingplan 2021 wordt nog aangevuld met de antwoorden op vragen over de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK). Daarnaast heeft de staatssecretaris nota’s van wijziging betreffende de wetsvoorstellen Overige fiscale maatregelen 2021 en Wet CO2-heffing industrie ingediend.

In het wetsvoorstel CO2-heffing industrie is opgenomen dat het tarief op € 30 start in 2021 en vervolgens jaarlijks wordt verhoogd. Per abuis zou het tarief al bij aanvang van het kalenderjaar 2021 worden verhoogd. Dit is niet bedoeld en strookt ook niet met de toelichting. Deze fout is in de nota van wijziging hersteld. Het tarief van € 30 wordt wel bij aanvang van het kalenderjaar 2021 geïndexeerd.

De nota van wijziging betreffende het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2021 bevat een aanpassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, twee aanpassingen in de Wet Bronbelasting 2021 en het herstel van een technische omissie in de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord.

De in de Invorderingswet 1990 op te nemen uitzondering voor de Belastingdienst inzake het elektronisch leggen van derdenbeslag wordt van overeenkomstige toepassing verklaard bij de invordering van een terugvordering van een tegemoetkoming op grond van een inkomensafhankelijke regeling.

Een hybride lichaam is naar Nederlandse maatstaven fiscaal niet-transparant, maar in de staat naar wiens recht het lichaam is opgericht fiscaal transparant. Er ontstaat geen belastingplicht voor de bronbelasting als de achterliggende gerechtigden onmiddellijk een kwalificerend belang in het voordeelgerechtigde hybride lichaam en de achterliggende gerechtigden in het land van vestiging worden behandeld als de gerechtigden tot de voordelen. In situaties waarin meerdere hybride lichamen zijn gestapeld leidt dat ertoe dat bronbelasting is verschuldigd vanwege de voorwaarde dat de achterliggende participanten een onmiddellijk kwalificerend belang moeten hebben in de voordeelgerechtigde. Voor dergelijke situaties wordt via de nota van wijziging duidelijk gemaakt dat het belang in de voordeelgerechtigde middellijk kan worden gehouden als alle tussenliggende lichamen voldoen aan de voorwaarden zoals die gelden voor de voordeelgerechtigde.

Via deze nota van wijziging vervalt een achterhaalde wijzigingsopdracht in de Wet bronbelasting 2021 inzake de belastingrente.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2020-0000194911 | 14-10-2020

Wijziging NOW-1 in verband met vaststelling accountantsprotocol en derdenverklaring

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1) gewijzigd. De wijziging betreft de vaststelling van het accountantsprotocol en van het formulier voor de derdenverklaring.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | Staatscourant 2020, nr. 53089, , nr. 2020-0000132880 | 20-10-2020

Vaststelling uurprijzen kinderopvang 2021

De maximum uurprijzen voor kinderopvang voor het jaar 2021 zijn definitief vastgesteld. De definitieve bedragen wijken niet af van de eerder gepubliceerde voorlopige bedragen.

Maximum uurprijs 2020 2021
 Dagopvang  € 8,17  € 8,46
 Buitenschoolse opvang  € 7,02  € 7,27
 Gastouderopvang  € 6,27  € 6,49 

 

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | Staatsblad 2020, nr. 376, | 12-10-2020

Bedragen minimumloon per 1 januari 2021

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de bedragen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag per 1 januari 2021 vastgesteld. Voor werknemers van 21 jaar en ouder geldt het volledige minimumloon. Voor jongere werknemers geldt een leeftijdsafhankelijk percentage van het volledige minimumloon.

Leeftijd Staffelpercentage Per maand Per week Per dag
 21 jaar en ouder  100%  € 1.684,80  € 388,80  € 77,76
 20 jaar  80%  € 1.347,85  € 311,05  € 62,21
 19 jaar  60%  € 1.010,90  € 233,30  € 46,66
 18 jaar  50%  € 842,40  € 194,40  € 38,88
 17 jaar  39,5%  € 665,50  € 153,60  € 30,72
 16 jaar  34,5%  € 581,25  € 134,15  € 26,83
 15 jaar  30%  € 505,45  € 116,65  € 23,33

Het bruto minimumuurloon is niet alleen afhankelijk van de leeftijd, maar ook van het aantal gewerkte uren per week. Per 1 januari 2021 gelden de volgende bedragen.

Leeftijd 36 uur per week 38 uur per week 40 uur per week
 21 jaar en ouder  € 10,80  € 10,24  € 9,72
 20 jaar  € 8,65  € 8,19  € 7,78
 19 jaar  € 6,49  € 6,14  € 5,84
 18 jaar  € 5,40  € 5,12  € 4,86
 17 jaar  € 4,27  € 4,05  € 3,84
 16 jaar  € 3,73  € 3,54  € 3,36
 15 jaar  € 3,25  € 3,07  € 2,92

Bruto minimumloon per uur voor werknemer die de beroepsbegeleidende leerweg volgen, afhankelijk van het reguliere aantal gewerkte uren per week.

Leeftijd 36 uur per week 38 uur per week 40 uur per week
 20 jaar  € 6,65  € 6,30  € 5,98
 19 jaar  € 5,67  € 5,38  € 5,11
 18 jaar  € 4,92  € 4,66  € 4,43

 

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | Staatscourant 2020, Nr. 53099, nr. 2020-0000133577 | 14-10-2020

Nota naar aanleiding verslag wetsvoorstel gedifferentieerde premie Aof

Bij de Tweede Kamer is het wetsvoorstel gedifferentieerde premie Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) in behandeling. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de nota naar aanleiding van het verslag naar de Kamer gestuurd. Het wetsvoorstel houdt in dat er een lagere Aof-premie komt voor kleine werkgevers en een hogere premie voor middelgrote en grote werkgevers. Volgens de minister zal het verschil ongeveer 1,1 procentpunt bedragen. De gedifferentieerde Aof-premie geldt naar verwachting met ingang van 1 januari 2022.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | wetsvoorstel | 2020-0000136608 | 13-10-2020