All posts by jansen_kleton_claudia

Ontslag met wederzijds goedvinden

In het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een overeenkomst, waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, alleen geldig is als deze schriftelijk is aangegaan. Bij discussie over de vraag of een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd moet dus beoordeeld worden of er een overeenkomst is en of is voldaan aan het vormvoorschrift van schriftelijke vastlegging.

Een procedure bij de kantonrechter ging over de vraag of een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd. Volgens de kantonrechter is het vormvoorschrift van schriftelijke vastlegging ondergeschikt aan de vraag of partijen daadwerkelijk een overeenkomst tot wederzijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben bereikt. De kantonrechter stelde vast dat aan het schriftelijkheidsvereiste was voldaan in de vorm van een brief van de werkgever waarin stond dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden werd ontbonden.

Aan het tot stand komen van de overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst stelt de wet geen vormvoorschriften. Er moet sprake zijn van een aanbod om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, welk aanbod door de wederpartij is aanvaard. Onder verwijzing naar het arrest Grillroom Ramses II van de Hoge Raad uit 2005 oordeelde de kantonrechter dat de werkgever schriftelijk een aanbod aan de werknemer heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. Uit het feit dat de werknemer vervolgens met de nieuwe werkgever tot overeenstemming is gekomen en daar op 1 juli 2019 daadwerkelijk in dienst is getreden en zonder protest de bedrijfseigendommen van de oude werkgever heeft ingeleverd, mocht de oude werkgever afleiden dat de werknemer de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwde en het aanbod tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden heeft aanvaard. Daarmee is een overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden tussen werknemer en werkgever tot stand gekomen. Dat betekende dat de werknemer geen recht had op de transitievergoeding of op de gevorderde gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA20205309, 8012879 RP VERZ 19-50514 | 25-06-2020

Kamervragen pakket aanvullende fiscale maatregelen

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over het pakket aanvullende fiscale maatregelen in verband met de coronacrisis beantwoord. De vragen hebben betrekking op de volgende onderwerpen:

  1. Gebruikelijk loon
  2. Urencriterium
  3. Werkkostenregeling
  4. Fiscale coronareserve
  5. Betaalpauze voor hypotheekverplichtingen

1. Gebruikelijk loon

De staatssecretaris heeft goedgekeurd dat het gebruikelijk loon in 2020 bij omzetdalingen lager mag zijn. De verlaging moet evenredig zijn aan de omzetdaling in de eerste vier maanden van 2020 ten opzichte van de eerste vier maanden in 2019. De goedkeuring is gebonden aan voorwaarden. De rekening-courantschuld van de dga en het aan hem uitgekeerde dividend mogen niet toenemen. Als het loon van de dga feitelijk hoger is dan het goedgekeurde verlaagde gebruikelijk loon geldt dat hogere loon. Het gebruikelijk loon mag niet worden verlaagd voor zover de omzet in 2019 of 2020 beïnvloed is door andere bijzondere oorzaken dan de coronacrisis. Toepassing van de goedkeuring is niet afhankelijk van de absolute hoogte van de omzet. De staatssecretaris wijst erop dat de tijdelijke goedkeuring voor het verlagen van het gebruikelijk loon ook in 2009 en 2010 is toegepast en zijn nut heeft bewezen.

2. Urencriterium

Een van de maatregelen is een versoepeling van het urencriterium voor zelfstandige ondernemers. In de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 worden zij geacht ten minste 24 uren per week aan hun onderneming te hebben besteed. Deze regeling geldt ook voor ondernemers die tijdelijk in loondienst gaan werken. De goedkeuring bevat een aantal criteria die zien op een ondernemer die seizoensgebonden werkzaamheden verricht. Er dient een piek te zijn in het aantal uren dat de ondernemer gewoonlijk aan zijn onderneming besteedt in de periode van 1 maart tot en met 30 september. Tevens moeten zijn werkzaamheden seizoensgebonden zijn. Volgens de staatssecretaris is het aan de ondernemer om te beoordelen of hij aan deze criteria voldoet. Als dit het geval is, kan hij bij het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2020 aangeven of hij aan het urencriterium voldoet, met inachtneming van deze goedkeuring.

3. Werkkostenregeling

De vrije ruimte in de werkkostenregeling voor de eerste € 400.000 van de loonsom is voor 2020 verhoogd van 1,7 naar 3%. Alle werkgevers profiteren van de verruiming van de vrije ruimte. De verruiming is bedoeld om werkgevers die daar de financiële ruimte voor hebben de mogelijkheid te bieden om hun werknemers extra tegemoet te komen.

4. Fiscale coronareserve

De fiscale coronareserve is een mogelijkheid om al in de aangifte over 2019 rekening te houden met een verwacht verlies over 2020. De reserve kan niet groter zijn dan het verwachte coronagerelateerde verlies in het jaar 2020. Ondernemers die gebruik willen maken van de fiscale coronareserve krijgen niet te maken met een verzwaarde bewijslast. De ondernemer moet aannemelijk kunnen maken dat hij recht heeft op de fiscale coronareserve zoals hij die in zijn aangifte vennootschapsbelasting over 2019 heeft opgenomen. De reserve valt in het jaar 2020 verplicht vrij in de winst. Vorming van de reserve betekent een liquiditeitsvoordeel voor de ondernemer door verlaging van de verschuldigde vennootschapsbelasting over 2019. In het kader van de mogelijkheden van de vorming van een fiscale coronareserve en verliesverrekening is gevraagd naar verlenging van de termijn voor toepassing van de middelingsregeling. De staatssecretaris vindt de termijn van drie jaar na de vaststelling van de definitieve aanslag inkomstenbelasting over het laatste middelingstijdvakjaar voldoende.

5. Betaalpauze voor hypotheekverplichtingen

Wanneer een belastingplichtige met de bank een betaalpauze voor de hypotheekverplichtingen overeenkomt, stelt de bank vast of sprake is van betalingsproblemen als gevolg van de coronacrisis en of een betaalpauze de meest aangewezen oplossing is. Een dergelijke vaststelling ontbreekt bij een lening die bij een ander dan een aangewezen administratieplichtige is aangegaan. Daarom geldt als aanvullende voorwaarde dat er sprake moet zijn van een terugval in arbeidsinkomen als gevolg van de coronacrisis van ten minste 20% over een periode van drie aaneengesloten kalendermaanden. Voor een lening waarop de fiscale aflossingseis niet van toepassing is, heeft een betaalpauze geen ongewenste fiscale gevolgen en geldt geen tegemoetkoming. Het enige gevolg van het op een later moment betalen van rente is dat het aftrekmoment kan verschuiven. Indien de niet-betaalde rente niet rentedragend is geworden, is de rente aftrekbaar op het moment van betaling.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2020-0000111321 | 25-06-2020

Ontslag om bedrijfseconomische redenen in hoger beroep ongedaan gemaakt

Voor een ontslag op bedrijfseconomische grond heeft de werkgever toestemming nodig van het UWV om de arbeidsovereenkomst op te mogen zeggen. De werknemer kan het ontslag laten toetsen bij de kantonrechter.

Een werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met een werknemer met toestemming van het UWV opgezegd tegen 1 augustus 2019. De ontslagvergunning was bij het UWV aangevraagd op grond van bedrijfseconomische redenen. De werknemer startte een procedure bij de kantonrechter met als primaire doel herstel van de arbeidsovereenkomst. Volgens de werknemer was feitelijk geen sprake van verval van zijn functie en week de nieuwe functie slechts minimaal af van de oude. De werkgever heeft de nieuwe functie niet aan de werknemer aangeboden en geen pogingen tot herplaatsing ondernomen. De kantonrechter was van oordeel dat er geen reden was om de arbeidsovereenkomst te herstellen. Volgens de kantonrechter heeft de werknemer de bedrijfseconomische noodzaak tot wijziging van de organisatie onvoldoende weersproken en heeft de werkgever voldaan aan de herplaatsingsplicht.

In hoger beroep oordeelde Hof Den Bosch anders. Volgens het hof heeft de werkgever niet voldaan aan de herplaatsingsverplichting. De herplaatsingsverplichting is geen resultaatverplichting maar een inspanningsverplichting voor de werkgever. Het gaat erom wat er in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Volgens het hof had de werkgever op zijn minst samen met de werknemer moeten onderzoeken welke functies voor hem passend zouden zijn en voor welke functies de werknemer geschikt was of met scholing geschikt te maken was. De werkgever had daartoe het initiatief moeten nemen. Omdat de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen om de werknemer te herplaatsen heeft het hof de arbeidsovereenkomst hersteld per 1 augustus 2019. Vanaf die datum moet de werkgever het salaris van de werknemer betalen. De werknemer moet in verband met het herstel van de dienstbetrekking de ontvangen transitievergoeding terugbetalen.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20201767, 200.271.448_01 | 18-06-2020

Verzamelspoedwet COVID-19 aangenomen

De Eerste Kamer heeft het voorstel Verzamelspoedwet COVID-19 met algemene stemmen aangenomen. Dit verzamelwetsvoorstel bevat onder meer een tijdelijke spoedvoorziening voor de betekening van exploten op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en een wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 in verband met het tijdelijk verlagen van de belasting- en invorderingsrente. De wet treedt op een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip in werking.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 35457 | 18-06-2020

Tozo niet voor student-ondernemers

De staatssecretaris voor Economische Zaken en Klimaat heeft Kamervragen beantwoord over het openstellen van de Tozo-regeling voor student-ondernemers. De Tozo sluit aan bij de Participatiewet. Daarin is geregeld dat personen jonger dan 27 jaar geen recht hebben op algemene bijstand als zij aanspraak hebben op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Student-ondernemers zijn daardoor uitgesloten van de Tozo. De staatssecretaris is niet van plan om van de wettelijke regeling van de Participatiewet af te wijken. Dat zou betekenen dat een groot deel van de studenten met studiefinanciering aanspraak kan maken op algemene bijstand.

De staatssecretaris is van mening dat studenten die een beroep kunnen doen op studiefinanciering en ondernemers die voor hun inkomen volledig afhankelijk zijn van hun bedrijf geen gelijke gevallen zijn. Het aanbieden van een aanvullende bijstandsuitkering voor levensonderhoud aan studenten bovenop de studiefinanciering als tegemoetkoming voor het verlies van bijverdiensten als gevolg van de coronacrisis vindt de staatssecretaris niet gewenst.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2020-0000066095 | 18-06-2020

Tegemoetkoming kosten eHerkenning

Diverse fracties in de Tweede Kamer hebben aangegeven dat het inlogmiddel waarmee bedrijven belastingaangifte doen kosteloos moet worden. De staatssecretarissen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën hebben onderzocht welke alternatieven daarvoor zijn. Volgens de staatssecretarissen is de meest voor de hand liggende optie een financiële compensatie op basis van de laagste prijs in de markt. Deze compensatie bedraagt ongeveer € 24 per jaar, waarbij niet meer dan één eHerkenningsmiddel per organisatie zal worden gecompenseerd. De compensatie zou moeten worden gekoppeld aan een nog in te voeren specifiek ‘eHerkenning Belastingdienst’ inlogmiddel. Met dit middel kan de ondernemer alleen belastingaangifte doen. De bij eHerkenning op niveau 3 behorende overige mogelijkheden ontbreken. Ondernemers die een bij alle relevante overheidsinstanties te gebruiken versie van eHerkenning hebben aangeschaft, kunnen deze downgraden naar ‘eHerkenning Belastingdienst’. De uitwerking en het online aanvragen van de compensatie kan in augustus van dit jaar gereed zijn. De compensatieregeling kent een looptijd van twee jaar.

Er zijn ongeveer 350 rechtspersonen die aangifte loonheffing en vennootschapsbelasting moeten doen maar niet zijn ingeschreven in het Handelsregister. Zij kunnen geen eHerkenning aanvragen. De Belastingdienst heeft deze organisaties gewezen op het gebruik van commerciële aangiftesoftware of van een fiscaal dienstverlener. De gefactureerde kosten hiervoor worden tot een maximum van € 450 vergoed. Het eerder geboden uitstel voor aangiften loonheffing wordt met één maand verlengd tot 1 augustus.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 18-06-2020

Kamervragen fiscale coronamaatregelen

De staatssecretarissen van Financiën hebben Kamervragen beantwoord die door de vaste commissie voor Financiën zijn gesteld over de fiscale maatregelen ter bestrijding van de coronacrisis.

Een van de onderwerpen betreft wanneer en in welke situaties een verzuimboete wordt teruggedraaid en of een verzuimboete alleen vervalt voor ondernemers die uitstel van betaling hebben aangevraagd. Bij het opleggen van naheffingsaanslagen omzetbelasting wordt een betalingsverzuimboete opgelegd. De boete wordt vernietigd nadat de ondernemer bijzonder uitstel van betaling heeft gekregen. Bij het opleggen van naheffingsaanslagen loonheffingen legt de Belastingdienst geen betalingsverzuimboete op als de aangifte is ingediend. Als een ondernemer geen uitstel van betaling heeft gevraagd, geldt de versoepeling voor betaalverzuimboeten in beginsel niet. Als een ondernemer niet tijdig heeft kunnen betalen als gevolg van de coronacrisis, maar ten tijde van de ontvangst van de naheffingsaanslag geen nader uitstel van betaling nodig heeft, wordt de betaalverzuimboete vernietigd mits de naheffingsaanslag op tijd is betaald.

De staatssecretarissen merken op dat een ondernemer bezwaar kan maken tegen een opgelegde betaalverzuimboete, ook als hij geen uitstel van betaling heeft gevraagd.

Het wetsvoorstel dat excessief lenen bij de eigen vennootschap moet tegengaan is in september 2018 aangekondigd en nu ingediend bij de Tweede Kamer. Het was de bedoeling om dit wetsvoorstel per 1 januari 2022 in werking te laten treden. In verband met de coronacrisis wordt de inwerkingtreding uitgesteld tot 1 januari 2023. Op basis van de op 31 december 2023 aanwezige schulden aan de vennootschap wordt het fictieve reguliere voordeel berekend dat als inkomen uit aanmerkelijk belang in de heffing wordt betrokken.

De staatssecretarissen zijn niet bereid om voor de horecasector extra fiscale maatregelen te nemen zoals het tijdelijk verlagen van de btw. Ook komt er geen specifieke vrijstelling voor schenkingen aan mkb-ondernemers of een andere specifieke groep.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2020-00001014002020-0000101400 | 18-06-2020

Ontslagverzoek ondanks meerdere gronden afgewezen

De arbeidsovereenkomst met een werknemer kan door de kantonrechter alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Het Burgerlijk Wetboek bevat een opsomming van de gronden waarop de arbeidsovereenkomst met een werknemer kan worden ontbonden. Deze ontslaggronden worden vaak aangeduid met de letter waarachter zij zijn opgenomen in de opsomming in het wetsartikel (a tot en met i). De laatste toevoeging aan de ontslaggronden is de cumulatiegrond. Deze grond kan worden aangevoerd wanneer geen van de afzonderlijke ontslaggronden volstaat voor ontslag, maar een combinatie van meerdere op zichzelf onvoldoende gronden volstaat om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen.

Een werkgever voerde in een procedure als reden voor ontslag achtereenvolgens de d-grond (disfunctioneren), de c-grond (frequent ziekteverzuim), de g-grond (verstoorde arbeidsrelatie) en de i-grond (cumulatiegrond) aan. De kantonrechter beoordeelde achtereenvolgens de afzonderlijke gronden van het ontbindingsverzoek.

Aan de voorwaarden voor ontslag wegens disfunctioneren was niet voldaan omdat de werkgever de werknemer niet had geïnformeerd over diens ongeschiktheid en geen verbetertraject had voorgesteld.

Aan de voorwaarden voor ontslag wegens regelmatig ziekteverzuim was evenmin voldaan. De werkgever moet zijn verzoek op die grond onderbouwen met een UWV-deskundigenverklaring. Deze verklaring ontbrak. De verklaring is vereist omdat de kantonrechter moet kunnen toetsen of het ontbindingsverzoek niet in strijd is met het opzegverbod bij ziekte en of het frequente ziekteverzuim niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden.

Voor ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding is vereist dat de arbeidsverhouding zodanig is verstoord, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan. De kantonrechter constateerde dat de arbeidsrelatie verstoord was, maar niet in die mate dat de arbeidsovereenkomst niet kon blijven bestaan. Volgens de kantonrechter was de arbeidsverhouding door toedoen van de werkgever verstoord vanwege diens onvrede over de medische toestand van de werknemer en de slechte onderlinge communicatie over de inzetbaarheid van de werknemer na diens herstel. Een deel van de argumenten die de werkgever aanvoerde ter onderbouwing van een verstoorde arbeidsverhouding had te maken met het door de werkgever gestelde disfunctioneren. Ontbinding op basis daarvan had de kantonrechter afgewezen.

Voor ontbinding op basis van de cumulatie of combinatiegrond geldt ook als eis dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In dit geval was de kantonrechter van oordeel dat van de werkgever niet alleen gevergd kon, maar ook moest worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor zover het disfunctioneren is aangevoerd moet de werkgever de werknemer eerst de gelegenheid geven om zijn mindere functioneren te verbeteren. Voor wat betreft het frequente ziekteverzuim moet de werkgever eerst een UWV-deskundigenverklaring opvragen voordat verdere stappen kunnen worden gezet. Ten aanzien van de verstoorde arbeidsverhouding moet de werkgever in overleg met de werknemer en, zo nodig onder leiding van een mediator, afspraken maken over de door de werknemer uit te voeren werkzaamheden.

Ondanks de veelheid aan aangevoerde ontslaggronden wees de kantonrechter het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBOVE20201975, : 8431513 \ EJ VERZ 20-117 | 18-06-2020

Aanpassing uitkeringsbedragen per 1 juli 2020

De uitkeringsbedragen van een aantal sociale verzekeringen zijn gekoppeld aan het netto minimumloon. Als gevolg van de verhoging per 1 juli 2020 van het bruto minimumloon met 1,6% worden diverse bedragen in de sociale verzekeringen aangepast. Het betreft onder meer de nabestaanden- en de wezenuitkering in de Algemene nabestaandenwet (Anw) en het ouderdomspensioen van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

De nabestaandenuitkering van de Anw bedraagt € 1.243,94 bruto per maand. Voor een nabestaande in een verzorgingsrelatie en voor nabestaanden in meerpersoonshuishoudens bedraagt de uitkering € 785,09 bruto per maand.

De bruto wezenuitkering bedraagt voor een kind jonger dan 10 jaar € 398,06. Voor een kind dat ouder is dan 10 maar jonger dan 16 jaar bedraagt de uitkering € 597,09. Voor een kind ouder dan 16 jaar bedraagt de wezenuitkering € 796,12.

Voor alleenstaanden gaat de AOW-uitkering naar € 1.245,04 per maand. Voor gehuwden en samenwonenden gaat de AOW-uitkering naar € 844,40 per maand.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 2020-0000061507 | 18-06-2020

Tijdelijke Overbruggingsregeling Flexibele Arbeidskrachten gepubliceerd

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA) gepubliceerd. De TOFA is een vangnet voor mensen die door de coronacrisis een forse terugval hebben in hun inkomen maar geen aanspraak kunnen maken op WW, bijstand of een andere socialezekerheidsregeling.

Om in aanmerking te komen voor de TOFA moet aan de volgende criteria zijn voldaan:

  1. de werknemer heeft in februari 2020 ten minste € 400 loon ontvangen;
  2. de werknemer heeft in maart 2020 ten minste € 1 aan loon genoten;
  3. de werknemer was op 1 april 2020 achttien jaar of ouder maar had de AOW-leeftijd nog niet bereikt;
  4. de werknemer heeft in april substantieel inkomensverlies geleden ten opzichte van februari en in ieder geval minder dan € 550 verdiend.

De tegemoetkoming bedraagt € 550 bruto per maand. De TOFA moet worden aangevraagd bij het UWV.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | Staatscourant Nr. 31395, 2020-0000061136 | 18-06-2020